Genesis 16:7-9
Hier wordt voor het eerst in de Schrift melding gemaakt van het verschijnen van een engel. "Hagar was een type van de wet, die door leiding van de engelen gegeven is, maar de toekomende wereld is niet aan de engelen onderworpen," Hebreeën 2:5.
Merk op:
I. Hoe de engel haar weerhield in haar vlucht vers 7. Het schijnt dat zij de weg naar haar eigen land had ingeslagen, want zij was op de weg naar Sur, in de richting van Egypte. Het zou goed zijn indien onze beproevingen ons aan ons eigen vaderland, het betere land, deden denken. Maar Hagar was nu buiten haar plaats, buiten de weg van haar plicht, en er nog verder van weg dwalende, toen de engel haar vond. Het is een grote zegen om tegengehouden te worden op een weg van zonde, hetzij door ons eigen geweten, of door de leiding van Gods voorzienigheid. God laat hen, die buiten de weg zijn, voor een tijd omdwalen, opdat zij, als zij hun dwaasheid inzien en tot het besef komen van het verlies, dat zij er zich door berokkend hebben, des te meer geneigd zullen zijn om terug te keren. Hagar werd niet tegengehouden, vóór zij in de woestijn was en vermoeid neerzat blij met het heldere water, waarmee zij zich kon verfrissen en verkwikken. God brengt ons in de woestijn, en daar ontmoet Hij ons, Hosea 2:13.
II. Hoe hij haar ondervroeg, vers 8. Hij noemde haar: Hagar, dienstmaagd van Sarai.
1. Als een bestraffing van haar hoogmoed. Hoewel zij Abram's vrouw was, en als zodanig verplicht om terug te keren, noemt hij haar dienstmaagd van Sarai, om haar te verootmoedigen. Hoewel de beleefdheid ons leert anderen bij hun hoogste titel te noemen, leren ons ootmoed en wijsheid om onszelf bij onze geringste naam of titel te noemen.
2. Als een bestraffing van haar vlucht. Sarai's dienstmaagd behoort in Sarai's tent te zijn, niet ronddwalende in de woestijn en heen en weer drentelende bij een waterfontein. Het is goed voor ons om dikwijls te bedenken wat onze plaats en betrekking is. Zie Prediker 10:4.
Nu waren de vragen, die de engel tot haar richt:
a. gepast en zeer voegzaam, Vanwaar komt gij Bedenk, dat gij wegloopt, zowel van uw plicht als van de voorrechten, die gij in Abram's tent hebt genoten. Het is een groot voorrecht om in een Godsdienstig gezin geplaatst te wezen, hetgeen diegenen wèl mogen bedenken, die dit voorrecht hebben maar bij de minste aanleiding gans bereid zijn het te verlaten. Waar zult gij heengaan? Gij zult u in zonde gaan begeven in Egypte. (Indien zij terugkeert naar dat volk, dan zal zij terugkeren naar hun goden) "En gij gaat u in de woestijn, door welke gij moet reizen, in gevaar begeven", Deuteronomium 8:15. Zij, die God en hun plicht verlaten, zouden wèl doen door te bedenken, niet alleen vanwaar zij gevallen zijn, maar ook waartoe zij zullen vervallen. Zie Jeremia 2:18. "Wat hebt gij (evenals Hagar) te doen met de weg van Egypte?" Johannes 6:68.
b. Haar antwoord was oprecht en een eerlijke bekentenis, waarin zij haar fout erkent van haar meesteres te vluchten, en haar toch ook verontschuldigt, daar zij zegt te vluchten voor het aangezicht, of het ongenoegen, van haar meesteres. Kinderen en dienstboden moeten met toegevendheid en zachtheid worden behandeld, opdat wij hen er niet toe brengen iets onregelmatige te doen, waardoor wij dan medeplichtig zouden worden aan hun zonde, die ons zal veroordelen, zonder hen daarom te rechtvaardigen.
c. Hoe hij haar met gepaste en medelijdende raad terugzond, vers 9, Keer weer tot uwe vrouwe, en verneder u onder haar handen. Ga naar huis, verootmoedig u voor hetgeen gij verkeerd gedaan hebt, vraag om vergeving, en neem u voor voortaan beter te handelen." Hij twijfelt er niet aan of zij zal welkom wezen, hoewel het niet blijkt dat Abram haar iemand nagezonden heeft om haar terug te brengen. Diegenen, die hun plaats en hun plicht hebben verlaten, moeten, als zij van hun dwaling daaromtrent overtuigd zijn, zich haasten om terug te keren en zich te verbeteren, welke vernederingen dit ook voor hen moge medebrengen.