Genesis 14:21-24
Wij hebben hier een bericht van hetgeen voorviel tussen Abram en de koning van Sodom, die hem had opgevolgd, die in de oorlog was gesneuveld, vers 10, en zich verplicht achtte aan Abram die eer te bewijzen ter vergelding van de goede diensten, die hij hem bewezen had.
Hier is:
I. Het dankbare aanbod van de koning van Sodom aan Abram, vers 21. Geef mij de zielen, maar neem de have voor u. Hij verzoekt om de zielen, dat is: de personen, maar geeft het goed, de have, vrijwillig aan Abram. Waar een recht twijfelachtig en verdeeld is, zal men verstandig doen een schikking te treffen door wederzijdse inwilliging, veeleer dan om er om te twisten. De koning van Sodom had een oorspronkelijk recht zowel op de personen als op de goederen, en het zou een zaak van onderzoek moeten wezen of Abram's recht door zijn redding zijn recht kon tenietdoen en vervangen, ten einde nu alle twist te voorkomen doet de koning van Sodom dit billijk voorstel.
De dankbaarheid leert ons diegenen naar ons uiterste vermogen te belonen, die in onze dienst vermoeienissen hebben ondergaan en zich aan gevaar hebben blootgesteld. "Wie dient ooit in de oorlog op eigen bezolding?' 1 Corinthiërs 9:7. Het loon van de soldaten is zuurder verdiend dan dat van andere arbeiders, want zij stellen zich aan levensgevaar bloot.
II. Abram's edelmoedige weigering van dat aanbod. Hij gaf niet slechts de personen weer die uit de hand van hun vijanden gered zijnde Abram tot knechten hadden moeten wezen maar hij gaf ook al de have terug. Van een draad af tot een schoenriem toe wilde hij niets nemen, niets van hetgeen ooit de koning van Sodom of aan een van de zijnen had behoord. Een levend geloof stelt de mens instaat om met heilige minachting op de dingen van deze wereld neer te zien, l Johannes 5:4. Wat zijn alle versierselen en verlustigingen van de zinnen voor iemand, die God en de hemel op het oog heeft? Zijn besluit om niets van de buit voor zich te houden, zelfs geen draad of schoenriem, staat vast, want een tedere consciëntie vreest ook in kleine dingen te overtreden.
1. Abram bekrachtigt dit besluit door een plechtige eed. Ik heb mijn hand opgeheven tot de Heer, dat ik niets zal nemen, vers 22. Let hier op:
a. de titels, die hij aan God geeft: de allerhoogste God, die hemel en aarde bezit, dezelfde, die Melchizedek zoeven had gebruikt, vers 19. Het is goed om van anderen te leren hoe ons spreken omtrent God in te richten, en diegenen na te volgen, die van goddelijke dingen goed spreken. Dit gebruik moeten wij maken van de gesprekken met vrome mensen, wij moeten leren te spreken zoals zij spreken.
b. De plechtigheid, die bij deze eed in acht wordt genomen: ik heb mijn hand opgeheven. Bij het godsdienstig zweren beroepen wij er ons op, dat God onze waarheid en oprechtheid kent, en wij roepen Zijn toorn over ons in, zo wij valselijk zweren, het opheffen van de hand is de betekenis en uitdrukking van die beide zaken.
c. Wat hij gezworen heeft, namelijk, dat hij van de koning van Sodom generlei beloning zal aannemen, was zeer geoorloofd, maar hij was er tevoren niet toe verplicht. Waarschijnlijk heeft Abram, eer hij ten strijde toog, de gelofte gedaan, dat hij zo God hem voorspoedig maakte, ter heerlijkheid Gods en ter ere van zijn belijdenis de zelfverloochening zou betrachten, om niets van de buit voor zich te nemen. De geloften, die wij gedaan hebben, toen wij op een zegen uitgingen, moeten stipt en nauwgezet gehouden worden als wij die zegen verkregen hebben, al zijn zij ook strijdig met ons belang. Als een burger van Zion gezworen heeft, hetzij voor God of voor mensen dan zal hij, al is het "tot zijn schade, toch niet veranderen," Psalm 15:4. Het kan ook wezen, dat Abram, toen hij reden vond om wat hem aangeboden werd af te wijzen dadelijk zijn weigering door een eed bevestigde om verder aandringen te voorkomen. Soms kunnen er goede redenen zijn, waarom wij hetgeen, waarop wij ontwijfelbaar recht hebben, afwijzen, zoals Paulus gedaan heeft, 1 Corinthiërs 8:13, 9:12. Krachtige besluiten zijn nuttig om de kracht van de verzoeking te breken.
2. Hij grondt zijn weigering op een goede reden. Opdat gij niet zegt: ik heb Abram rijk gemaakt, hetgeen een smaad zou werpen:
a. Op de belofte en het verbond Gods, alsof die Abram niet zonder de buit van Sodom konden verrijken. En:
b. Op de godsvrucht en de liefdadigheid van Abram, alsof hij met die gevaarlijke onderneming niets anders op het oog heeft gehad dan zich te verrijken. Wij moeten zeer zorgzaam zijn om aan anderen geen aanleiding te geven om te zeggen wat zij niet behoren te zeggen. Het volk van God moet om der wille van hun eer en goede naam er zich voor wachten om dingen te doen die laag of inhalig schijnen, of naar hebzucht zwemen. Abram kende waarschijnlijk de koning van Sodom als een trots man, die er wel toe instaat was, om later zulk een zaak tot een smaad voor hem te maken, al was dit ook nog zo onredelijk. Als wij met zulke mensen te doen hebben, dan is het ons zeer bijzonder nodig voorzichtig te wezen.
3. Hij beperkt zijn weigering door een dubbele voorwaarde, vers 24. Bij het doen van geloften moeten wij er op bedacht zijn om er de noodzakelijke uitzonderingen aan toe te voegen, opdat wij niet later voor het aangezicht van de engel zeggen, dat het een dwaling was Prediker 5:5. Abram zondert hier uit:
a. Het voedsel van zijn soldaten, terwijl zij het koren dorsten waren zij hun voedsel waardig. Dit kon aan de koning van Sodom geen voorwendsel geven om te zeggen, dat hij Abram rijk heeft gemaakt.
b. Het deel van zijn bondgenoten, laat hen hun deel nemen. Zij, die streng zijn in het beperken van hun eigen vrijheid, moeten die beperkingen toch niet opleggen aan anderen en hen daarnaar ook niet beoordelen. Wij moeten onszelf niet tot maatstaf stellen voor anderen. Een godvruchtige zal zichzelf de vrijheid ontzeggen, die hij aan anderen niet ontzegt, in tegenstelling dus met het doen van de Farizeeën, Mattheus 23:4. Er was niet dezelfde reden, waarom Aner, Eskol en Mamre zouden afzien van hun recht, die er voor Abram was. Zij beleden niet wat hij beleed, en zij bevonden zich niet, zoals hij, onder de verplichting van een gelofte. Zij hadden de hoop niet, die Abram had, op een deel in de andere wereld, zo laat hen dan in elk geval hun deel nemen van deze wereld.