Genesis 14:17-20
Deze paragraaf begint met de vermelding van de eerbied door de koning van Sodom betoond aan Abram bij zijn terugkeer van het verslaan van de koningen, maar eer hiervan een bijzonder bericht gegeven wordt, wordt de geschiedenis van Melchizedek in het kort verhaald. Hem betreffende, moeten wij opmerken:
I. Wie hij was. Hij was koning van Salem en priester van de allerhoogste (God, en er worden nog andere heerlijke dingen van hem gezegd, Hebreeën 7:1, en verv.
1. De rabbijnen en de meesten van onze rabbijnse schrijvers zijn van mening dat Melchizedek Sem was, de zoon van Noach, die koning en priester was voor zijn afstammelingen, overeenkomstig de patriarchale wijze. Maar dit is helemaal niet waarschijnlijk, want waarom zou dan zijn naam veranderd zijn? En hoe kwam hij gevestigd in Kanaän?
2. Veel christelijke schrijvers hebben gedacht, dat dit een verschijning was van de Zoon van God zelf, onze Heere Jezus, aan Abram in die tijd bekend onder die naam, gelijk Hagar Hem later bij een andere naam noemde, Hoofdstuk 16:13. Hij verscheen hem als een rechtvaardige koning, ter erkenning van een rechtvaardige zaak, en gevende vrede. Het is moeilijk te denken, dat van een bloot mens gezegd zou worden, dat hij is zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening noch het begin van de dagen, noch einde van het leven Hebreeën 7:3. Van Melchizedek wordt getuigd dat hij leeft en een priester blijft in eeuwigheid, vers 3, 8, ja de apostel verklaart hem van wie deze dingen gezegd worden, onze Heere te zijn, die uit Juda gesproten is, vers 13, 14. Het is ook moeilijk te denken, dat in die tijd enigerlei mens groter was in de dingen van God dan Abram, en dat Christus een priester zou zijn naar de ordening van een bloot mens, en dat enigerlei menselijk priesterschap zover het priesterschap van Aaron zou overtreffen, als dat van Melchizedek het ongetwijfeld overtroffen heeft.
3. Het meest algemene gevoelen is, dat Melchizedek een Kanaänietisch vorst is geweest die in Salem regeerde en er de ware godsdienst onderhield. Maar indien dit zo is waarom komt hij dan alleen hier voor in de geschiedenis van Abram? En waarom Abram dan zijn eigen altaren zou hebben, en niet zou offeren op die van zijn nabuur Melchizedek, die groter was dan hij, schijnt onverklaarbaar. Ds. Gregory van Oxford zegt ons dat de Arabische Catena, die hij als zeer gezaghebbend beschouwt, van Melchizedek dit bericht geeft: Hij was de zoon van Heraclim, de zoon van Peleg, de zoon van Heber, en dat de naam van zijn moeder was Salathiel, de dochter van Gomer, de zoon van Jafeth, de zoon van Noach.
II. Wat hij deed.
1. Hij bracht voort brood en wijn, ter verkwikking van Abram en zijn krijgslieden, en ter gelukwensing met de behaalde overwinning. Dit deed hij als een koning, lerende ons goed te doen en mededeelzaam te zijn, geneigd tot gastvrijheid naar wij er toe instaat zijn, en als voorstellende de geestelijke kracht en vertroosting, die Christus in het verbond van de genade voor ons heeft weggelegd ter onzer verkwikking, als wij vermoeid zijn van onze geestelijke strijd.
2. Als priester van de allerhoogste God zegende hij Abram, hetgeen wij kunnen denken, een grotere verkwikking voor Abram te zijn geweest dan brood en wijn. Aldus heeft God Zijn Zoon Jezus opgewekt hebbende, Hem gezonden om ons te zegenen, als gezaghebbende en die Hij zegent zijn in waarheid gezegend. Christus is naar de hemel gegaan, toen Hij Zijn discipelen zegende, Lukas 24:51, want om dit te doen leeft Hij tot in eeuwigheid.
III. Wat hij zei, vers 19, 20. Twee dingen werden door hem gezegd.
1. Hij zegende Abram voor God, vers 19. Gezegend zij Abram God de Allerhoogste. Let op de titels, die hij hier aan God geeft, en die heerlijk zijn.
a. God, de Allerhoogste, hiermee wordt te kennen gegeven Zijn volstrekte volmaaktheden in zichzelf en Zijn souvereine vrijmacht over alle schepselen, Hij is Koning van de koningen. Het zal een grote hulpe wezen, zowel voor ons geloof als voor onze eerbied in het gebed, om God te beschouwen als God de Allerhoogste, en Hem aldus te noemen.
b. Bezitter van hemel en aarde, dat is: rechtmatige eigenaar en souvereine Heer van alle schepselen, omdat Hij ze gemaakt heeft. Dit duidt Hem aan als een groot God, die grotelijks te prijzen is, en diegenen als een gelukkig volk, die deelhebber in Zijn gunst en liefde.
2. Hij zegende God voor Abram, vers 20 en gezegend zij de allerhoogste God. In al ons bidden moeten wij God loven, en aan al onze Hosanna's moeten wij Hallelujah's paren. Dat zijn de geestelijke offeranden, die wij dagelijks moeten opofferen, en ook bij bijzondere gelegenheden. Als de allerhoogste God moet aan God al de eer van onze overwinningen worden toegeschreven, Exodus 17:15, 1 Samuël 7:10,12-Richteren 5:1, 2. Kronieken 20:21. In deze toont Hij zich hoger dan onze vijanden, Exodus 18:11, en hoger dan wij, want zonder Hem zouden wij niets kunnen doen. Voor de goedertierenheden aan anderen bewezen, moeten wij evenals voor de onze God dankzegging toebrengen, juichende met hen die juichen. Jezus Christus onze grote Hogepriester, is de Middelaar van onze gebeden en van onze lofzeggingen, en Hij offert niet slechts de onze maar ook de Zijne voor ons. Zie Lukas 10:21.
IV. Wat aan hem gedaan werd. Abram gaf hem de tiende van alles, dat is: van de buit. Dit kan beschouwd worden:
1. Als een vrijwillige gift, aangeboden aan Melchizedek bij wijze van vergelding voor zijn betoonde achting. Zij, die vriendelijkheid ontvangen, moeten ook zelf vriendelijkheid betonen. Dankbaarheid is een van de wetten der natuur.
2. Als een offerande, gewijd aan de allerhoogste God, en daarom aan Melchizedek, Zijn priester, in handen gegeven. Als wij een bijzondere zegen van God ontvangen hebben dan is het voegzaam dat wij door een bijzondere daad van godvruchtige liefdadigheid onze dankbaarheid te kennen geven. God moet uit hetgeen wij bezitten altijd het Zijne ontvangen, inzonderheid als Hij door een bijzondere leiding van Zijn voorzienigheid ons die bezitting of behouden, of vermeerderd heeft. De tiende van ons inkomen is een zeer betamelijke proportie dat voor de eer van God en voor de dienst van Zijn heiligdom afgezonderd moet worden. Aan Jezus Christus, onze grote Melchizedek, moet hulde bewezen worden, door een iegelijk van ons moet Hij nederig erkend worden als onze Koning en Priester, en niet slechts van alles de tiende maar alles wat wij hebben, moet Hem overgegeven worden.