2 Samuël 18:9-18
Hier is Absalom geheel in verlegenheid, eerst ten einde raad, daarna aan het einde van zijn leven. Hij, die de strijd begon in de stellige verwachting over David zelf te triumferen, met wie, zo hij hem in zijn macht kreeg, hij niet zachtkens zou handelen, is nu in de grootste ontsteltenis, als hij het aangezicht van de knechten Davids ontmoet, vers 9. Hoewel het hun verboden was zich met hem in te laten of hem te bemoeilijken, durfde hij hen toch niet in het aangezicht zien, maar bevindende dat zij in zijn nabijheid waren, zoekt hij een goed heenkomen, en rijdt aldus zijn verderf tegemoet. Zo "zal hij, die de vrees ontvliedt, in de kuil vallen, en die uit de kuil opkomt, zal in de strik gevangen worden," Jeremia 48:44. David is geneigd hem te sparen, maar de Goddelijke gerechtigheid velt vonnis over hem als verrader, en laat dit vonnis voltrekken dat hij gehangen wordt, levend gevangen, ontwijd en zijn lichaam smadelijk in een kuil geworpen.
I. Hij is gehangen. Woest voortrijdende, kwam hij onder een grote eik, waarvan de takken, die nooit gesnoeid werden, laag nederhingen, en waarvan sommigen misschien gaffelvormig of gespleten waren, daarin raakte zijn hoofd vast, hetzij aan de hals, of naar sommigen denken, met zijn lang haar, waarop hij zo trots is geweest, en dat nu als een strop voor hem gemaakt was en daar hing hij, zo verward en verbijsterd in zijn gemoed, dat hij zijn handen niet wist te gebruiken om zich los te maken, of zo in de takken verward, dat zijn handen hem niet konden helpen, maar hoe meer hij worstelde, hoe vaster hij beklemd raakte. Zo werd hij dan een goed doelwit voor Davids knechten, en nu had hij de verschrikking en de schande van zich aan hen blootgesteld te zien zonder dat hij iets kon doen om zich te heipen, hij kon noch vechten noch vluchten. Merk hieromtrent op:
1. Dat zijn muildier, dat onder hem was, doorging, alsof het blijde was van zo'n last ontdaan te zijn, en hem aan een onterende boom over te laten. Zo zucht het gehele schepsel onder de last van des mensen bederf, maar zal weldra van die last bevrijd worden, Romeinen 8:21, 22. o
2. Dat hij hing tussen de hemel en tussen de aarde, als beide onwaardig, van beide verlaten, de aarde wilde hem niet houden, de hemel wilde hem niet aannemen, daarom opent de hel haar mond om hem te ontvangen.
3. Dat dit iets zeer ongewoons, iets verbazingwekkends was, het was voegzaam, dat het dit zijn zou, omdat zijn misdaad zo monsterachtig was. Indien zijn muildier hem in zijn vlucht had afgeworpen en hem half dood op de grond had gelaten, totdat de knechten van David kwamen om hem af te maken, dan zou volkomen hetzelfde doel bereikt zijn, maar dat zou een te gewoon lot voor zo'n buitengewoon misdadiger zijn geweest. God wil hier evenals in de zaak van die andere rebellen Korach, Dathan en Abiram, iets nieuws scheppen, opdat het bekend zou worden, hoe deze man. de Here getergd heeft, Numeri 16:29, 30. Absalom is hier gehangen "in terrorem-ter verschrikking," ten einde kinderen er van af te schrikken om hun ouders ongehoorzaam te zijn. Zie Spreuken 30:17.
II. Hij wordt door een van de knechten van David levend gezien, die terstond heenging tot Joab, om hem te zeggen in welke positie hij die aartsrebel gezien heeft, vers 10. Aldus werd hij tot een toonbeeld, zowel als tot een doelwit gesteld, opdat "rechtvaardigen hem zien, en over hem lachen," Psalm 52:8, terwijl hij nog verder gekweld werd door de gedachte dat er van al de vrienden, die hij gevleid had, en die hij waande geheel aan hem en zijn belangen te zijn verknocht, niemand was, die hem te hulp kwam. Joab berispt de man, wijl hij hem niet terstond gedood heeft, vers 11, hem zeggende, dat zo hij die ene stoute slag geslagen had, hij hem tien zilverlingen en een gordel, dat is: de rang van kapitein gegeven zou hebben, want dat wordt misschien bedoeld met het geven van een gordel. Zie Jesaja 22:21. Maar de man, hoewel hij ijverig genoeg was tegen Absalom, rechtvaardigde zich dat hij dit niet gedaan heeft. "Hem doden!" zegt hij "om de gehele wereld niet, het zou mij mijn hoofd gekost hebben, en gij zelf waart getuige van des konings last hem betreffende, vers 12, in weerwil van alles wat gij nu zegt, zoudt gij zelf mij vervolgd hebben, indien ik het gedaan had," vers 13. Joab kon dit niet ontkennen, noch de man misprijzen om zijn voorzichtigheid, daarom antwoordt hij niet, maar breekt de discussie af onder voorwendsel van haast, vers 14. Ik zal hier alzo bij u niet vertoeven. Superieuren moeten zich bedenken, eer zij een bestraffing geven, opdat zij er zich later niet over behoeven te schamen, en zich niet instaat vinden haar te rechtvaardigen.
III. Hij is-als ik dit zo noemen mag-ontwijd en gevierendeeld, zoals verraders, zo erbarbarmelijk is hij verminkt, terwijl hij daar hangt, en zijn dood ontvangt op zo'n wijze, dat hij er al de verschrikking van ziet en er al de pijn van gevoelt.
1. Joab werpt hem drie pijlen in het lichaam, die hem ongetwijfeld hevige pijn veroorzaakten, terwijl hij nog levend was in het midden van de eik, vers 14. Ik weet niet of Joab gerechtvaardigd kan worden in zijn rechtstreekse ongehoorzaamheid aan het bevel van zijn vorst. Was dit zachthens handelen met de jongeling? Zou David hem dit toegelaten hebben te doen, indien hij daar tegenwoordig ware geweest? Maar dit kan te zijnen gunste gezegd worden: terwijl hij het bevel van een al te toegevend vader overtrad, heeft hij beide aan zijn koning en zijn land een werkelijke dienst bewezen, en hij zou het welzijn van beide in gevaar hebben gebracht, zo hij het niet gedaan had. "Salus populi suprema lex. Het heil, de veiligheid, des volks is de hoogste wet."
2. Tien jongens, Joabs wapendragers, omringden hem eer hij gedood werd, vers 15. Zij vormden een kring om hem in triomf en toen sloegen zij hem en doodden hem. Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o Here. Hierop blaast Joab het sein tot de terugtocht, vers 16. Nu Absalom gedood is, is het gevaar voorbij, het volk zal spoedig terugkeren tot zijn trouw aan David, en daarom zal geen bloed meer vergoten worden. Er worden geen gevangenen gemaakt om als verraders terecht te staan en tot afschrikkend voorbeeld te worden gesteld. Een ieder kere terug naar zijn tent, zij zijn nog des konings onderdanen, wederom al zijn goede onderdanen.
IV. Zijn lichaam wordt met oneer begraven, vers 17, 18. Zij wierpen het in het woud in een grote kuil. Zij wilden het niet tot zijn vader brengen (want dat zou zijn smart vermeerderd hebben), zij wilden het ook niet bewaren om het overeenkomstig zijn bevel te begraven, maar wierpen het met afschuw in de eerste de beste kuil die zij vonden. Waar is nu de schoonheid, waarop hij zo trots is geweest en om welke hij zozeer was bewonderd? Waar zijn nu zijn eerzuchtige plannen en de luchtkastelen, die hij gebouwd had? Zijn gedachten vergaan, en hij er mede. En om te tonen hoe zwaar "zijn ongerechtigheid op zijn beenderen is," zoals de profeet zegt, Ezechiël 32.27 stelden zij een zeer grote steenhoop op hem om een gedenkteken te zijn van zijn slechtheid, en om aan te duiden dat hij als een weerspannige zoon gestenigd had moeten worden, Deuteronomium 21:21. Reizigers zeggen dat die plaats nog heden ten dage opgemerkt wordt, en dat het de gewoonte is dat voorbijgangers een steen werpen op de hoop, met woorden van deze strekking: Vervloekt zij de nagedachtenis van de oproerigen Absalom, en vervloekt tot in eeuwigheid zullen alle goddeloze kinderen zijn, die in rebellie opstaan tegen hun ouders. Om de smaad van Absaloms begrafenis te verzwaren, neemt de gewijde geschiedschrijver nota van een pilaar, die hij zich had opgericht in het dal van Kidron nabij Jeruzalem, als een monument voor zichzelf, om zijn naam in gedachtenis te houden, vers 18, aan welks voet hij waarschijnlijk bedoeld heeft begraven te worden. Met hoe dwaze, onbeduidende plannen vullen hoogmoedige mensen zich het hoofd! En met welk een zorg maken velen beschikkingen voor hun lichaam als zij dood zijn, die niet de minste zorg of bekommernis hebben over hetgeen er van hun kostelijke ziel zal worden! Absalom heeft drie zonen gehad, Hoofdstuk 14:27, maar nu schijnt hij er geen meer gehad te hebben, God had hen door de dood weggenomen, en rechtvaardiglijk wordt een oproerige zoon kinderloos aangeschreven. Om nu in dit gebrek te voorzien, richt hij een pilaar op tot zijn nagedachtenis, maar ook hierin wordt hij door Gods voorzienigheid tegengewerkt, een ruwe hoop stenen zal, inplaats van deze marmeren pilaar, zijn gedenkteken wezen. Aldus zullen zij, die zich verhogen, vernederd worden. Zijn zorg was om zijn naam in gedachtenis te houden, en zij is ook in gedachtenis, maar tot zijn eeuwige schande. Hij kon zich niet vergenoegen met de nederige positie van de overige zonen van David, van wie niets vermeld wordt dan hun namen, hij wilde beroemd wezen, en wordt daarom terecht berucht. De pilaar zal zijn naam dragen, maar niet tot zijn eer, zij was bedoeld voor Absaloms roem, maar bewijst slechts Absaloms dwaasheid.