Genesis 14:1-12
Wij hebben hier bericht van de eerste oorlog, waarvan wij ooit in de Schrift gelezen hebben, waarvan wij (hoewel. de oorlogen van de volken het voornaamste onderwerp zijn in de geschiedenis) geen bericht zouden gehad hebben, indien Abram en Lot er niet bij betrokken waren geweest. Betreffende deze oorlog nu hebben wij te letten op:
I. De verschillende oorlogvoerenden. De aanvallers waren vier koningen, twee hunner geen minderen dan de koningen van Sinear en Elam, dat is: Chaldea en Perzië, waarschijnlijk echter niet de vrijmachtige vorsten van deze grote koninkrijken in eigen persoon, maar hetzij beambten onder hen, of liever de hoofden en aanvoerders van sommige koloniën, die uit deze grote volken zijn voortgekomen, zich in de nabijheid van Sodom hadden gevestigd, maar de namen hadden behouden van de landen waaruit zij oorspronkelijk waren. De aangevallenen waren de koningen van vijf steden, die dicht bij elkaar lagen in de vallei van de Jordaan: Sodom, Gomorra, Adama, Zeboim en Zoar. Vier van hen worden genoemd, maar niet de vijfde, de koning van Bela, hetzij omdat hij van veel minder betekenis was, of veel slechter en schandelijker was dan de overige, en dus waard om aan de vergetelheid te worden prijsgegeven.
II. De aanleiding tot die krijg was de opstand van de vijf koningen tegen de regering van Kedor Laomer. Twaalf jaren hadden zij hem gediend. Weinig genot hadden zij van hun vruchtbaar land terwijl zij aldus schatplichtig waren aan een vreemde macht, en hetgeen zij hadden het hun niet konden noemen. Rijke landen zijn een begeerlijke prooi, en onwerkzame, weelderige landen zijn een gemakkelijke prooi voor krachtige, bedrijvige volken. De Sodomieten waren de nakomelingen van Kanaän die Noach een knecht van Sem had genoemd, van wie Elam afstamde, zo spoedig reeds begon die profetie in vervulling te gaan. In het dertiende jaar hun dienstbaarheid moede beginnende te worden, rebelleerden zij, weigerden hun schatting te betalen, en poogden zich het juk van de hals af te werpen, ten einde hun vrijheid te herwinnen. Na enige stilstand om toebereidselen te maken maakte zich Kedor Laomer met zijn bondgenoten op om de rebellen te gaan straffen, en hen geheel tenonder te brengen, en zijn schatting te gaan halen op de punt van zijn zwaard, daar hij haar op geen andere wijze kon verkrijgen. Hoogmoed, geldgierigheid en eerzucht zijn de begeerlijkheden, waaruit krijgen en vechterijen ontstaan. Aan deze onverzadelijke afgoden is het bloed van duizenden geofferd.
III. De voortgang en voorspoed van deze oorlog. De vier koningen verwoestten het omliggende land, en verrijkten zich met de buit er van, vers 5-7. Nu zou het verstandig geweest zijn van de koning van Sodom om zich te onderwerpen en om vredesvoorwaarden te vragen, immers hoe kon hij de strijd volhouden met een vijand, die aldus trots was gemaakt door zijn overwinning? Maar hij wilde liever het uiterste wagen dan zich te onderwerpen, en dienovereenkomstig ging het hem, "quos Delis destruet, cos dementat-die God wil verderven, levert Hij over aan dwaasheid."
1. Het leger van de koning van Sodom en zijn bondgenoten werd verslagen, velen van hen, die aan het zwaard waren ontkomen, kwamen om in de lijmputten, vers 10. Aan alle plaatsen, maar in het bijzonder op het oorlogsveld, zijn wij omringd van de dood in allerlei vormen.
2. De steden werden geplunderd, vers 11. Al de have van Sodom, inzonderheid hun voorraad van levensmiddelen, werd door de overwinnaars weggevoerd. Als de mensen de gaven van de milddadige voorzienigheid Gods misbruiken in gulzigheid en overdaad, dan is het rechtvaardig in God, en ook Zijn gewone wijze van doen, om hen door het een of ander oordeel te beroven van hetgeen zij aldus misbruikt hebben, Hosea 2:8, 9.
3. Lot werd gevangen genomen, vers 12. Onder al de overigen namen zij ook Lot en zijn have. Nu kan Lot hier beschouwd worden:
a. Als delende met zijn naburen in de algemene ramp. Hoewel hij zelf een rechtvaardig man was, en de zoon was van Abram's broeder (waarvan hier uitdrukkelijk nota wordt genomen) geraakte hij toch met al de overigen in deze benauwdheid. "Alle ding wedervaart hun gelijk alle anderen," Prediker 9:2. Ook de besten van de mensen kunnen zich niet beloven van de grootste moeilijkheden in dit leven vrijgesteld te worden, noch onze eigen Godsvrucht, noch onze verwantschap aan hen, die gunstgenoten des hemels zijn, zal ons beveiligen, als Gods oordelen zijn uitgegaan. Menige eerlijke man gaat het te slechter vanwege zijn goddeloze naburen, daarom doen wij wijs met ons van hen af te zonderen, of tenminste met ons van hen te onderscheiden, 2 Corinthiërs 6:17, en ons aldus te verlossen, Openbaring 18:4.
b. Als lijdende door de dwaze keus, die hij gedaan had om zich onder hen te vestigen. Dit wordt duidelijk te kennen gegeven, als er gezegd wordt: Zij namen Lot, de zoon van Abram's broeder, want hij woonde in Sodom. Zo na een bloedverwant van Abram had een metgezel en discipel van Abram moeten wezen, en had bij zijn tenten moeten verblijven, maar als hij verkiest in Sodom te wonen, dan heeft hij het zichzelf te wijten, als hij in Sodom's rampen moet delen. Als wij buiten de weg gaan van onze plicht, dan brengen wij onszelf buiten de bescherming Gods, en dan kunnen wij niet verwachten, dat de keuzen, die wij gedaan hebben door onze lusten, zullen uitlopen op ons welvaren en onze vertroosting. Er wordt inzonderheid melding gemaakt van het nemen van Lots have, die have welke de twist met Abram heeft veroorzaakt en zijn scheiding van hem. Het is rechtvaardig in God om ons de genietingen te ontnemen, door welke wij ons de genieting van Hem hebben laten ontroven.