Genesis 12:6-9
Men zou gedacht hebben, dat daar Abram zo'n buitengewone roeping ontvangen had om naar Kanaän te gaan, er na zijn aankomst aldaar een buitengewone gebeurtenis zou plaatshebben, dat hij er met alle tekenen van eer en achting zou zijn ingeleid, en dat de koningen van Kanaän hem onmiddellijk hun kronen hadden overgegeven en hem hulde hadden gedaan. Maar zie! zijn komst wordt weinig of niet opgemerkt, want God wil nog altijd dat hij door het geloof zal leven, en het land Kanaän, zelfs toen hij er zich in bevond, zal beschouwen als een land van de belofte. Merk dus op:
I. Hoe weinig gerieflijkheid hij had in het land, waarin hij gekomen was, want:
1. Hij bezat het niet: de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. Hij vond het land bevolkt door, en in bezit van, de Kanaänieten, die waarschijnlijk wel slechte naburen en nog slechter landheren zullen zijn, en, voor zoveel blijkt, kon hij niet anders dan met hun verlof zoveel grond hebben om er zijn tent op te slaan. Zo schenen dus de gevloekte Kanaänieten in betere omstandigheden te zijn dan de gezegende Abram. De kinderen van deze wereld bezitten er gewoonlijk meer van dan Gods kinderen.
2. Hij had er geen vaste woonplaats in. Hij is doorgetogen in dat land, vers 6. Hij brak op naar het gebergte, vers 8. Hij vertrok, gaande en trekkende, vers 9.
Merk hier op:
a. Dat het soms het lot is van Godvruchtige mensen om onbestendig te zijn, en dikwijls van woning of woonplaats te moeten veranderen. De Godvruchtige David had zijn omzwervingen, Psalm 56:9.
b. In deze wereld worden wij ook dikwijls in verschillende toestanden geplaatst.
Abram woonde eerst in een vlakte, vers 6, daarna in een gebergte, vers 8. God had het een tegenover het andere gesteld. Alle Godvruchtigen moeten zich als vreemdelingen en bijwoners in deze wereld beschouwen, en door het geloof er los van zijn, als van een vreemd land. Dat heeft Abram ook gedaan, Hebreeën 11:8-14. Zolang wij ons in de tegenwoordige staat bevinden, moeten wij reizen, steeds voortgaan van kracht tot kracht, als het nog niet verkregen hebbende.
II. Hoeveel verstroosting hij smaakte in de God, die hij volgde. Als hij weinig voldoening zal smaken in de omgang met de Kanaänieten, die hij daar vond, vindt hij overvloedige genieting in de gemeenschap met God, die hem daar gebracht had, en hem niet heeft verlaten. Gemeenschap met God wordt onderhouden door het woord en het gebed, en naar de methode van deze bedeling heeft Abram er gemeenschap met God door onderhouden in het land van zijn vreemdelingschap.
1. God verscheen. aan Abram, waarschijnlijk in een gezicht, en sprak goede en troostrijke woorden tot hem: uw zaad zal Ik dit land geven. Geen plaats of levenstoestand kan ons buitensluiten van de vertroosting van Gods genaderijke bezoeken. Abram is een bijwoner onder de Kanaänieten, en toch ontmoet hij ook hier Hem, die leeft en hem ziet. Vijanden kunnen ons wel scheiden van onze tenten en van onze altaren, maar niet van onze God. Ja meer als God hen, die Hem getrouw volgen in de weg des plichts, soms wegleidt van hun vrienden en bloedverwanten, dan zal Hij hun dit verlies vergoeden door Zijn genadige verschijningen aan hen. Gods beloften zijn zeker en genoegzaam voor allen, die nauwgezet Zijn geboden betrachten en gehoorzamen, en zij, die in onderworpenheid aan Gods roeping, iets dat hun lief is voor Hem verlaten of verliezen kunnen er zeker van zijn iets anders in de plaats er van te zullen ontvangen, dat oneindig beter is. Abram had het land van zijn geboorte verlaten. "Welnu," zegt God, "Ik zal u dit land geven," Mattheus 19:29. God openbaart zich aan Zijn volk en schenkt het Zijn gunsten trapsgewijze. Tevoren had Hij hem beloofd hem dit land te wijzen, nu, dat Hij het hem zal geven, gelijk de genade toeneemt, zo neemt ook de vertroosting toe. Het is lieflijk land te hebben, dat God ons heeft gegeven, niet slechts in de leiding van Zijn voorzienigheid maar naar Zijn belofte. Zegeningen, geschonken aan de kinderen, zijn zegeningen voor de ouders. "Ik zal het geven, niet aan u, maar aan uw zaad", het is een schenking, die door erfrecht toevalt aan zijn zaad, die Abram echter ook opvatte als een schenking aan hemzelf van een beter land, waarvan dit het type was want hij was begerig naar het hemelse land, Hebreeën 11:16.
2. Abram heeft God gediend in het waarnemen van Zijn inzettingen. Hij bouwde een altaar de Heere, die hem verschenen was, en hij riep de naam des Heeren aan, vers 7, 8. Beschouw dit nu:
a. Als gedaan bij een bijzondere gelegenheid, als God hem verscheen, bouwde hij op die plaats en te die stonde een altaar met het oog op God, die hem verschenen was. Aldus legde hij, als het ware, een tegenbezoek af bij God, en hield hij gemeenschap met de hemel, als iemand, die vast besloten is dat die gemeenschap zijnerzijds niet zal verbroken worden. Zo heeft hij dankbaar Gods goedheid jegens hem erkend, waarmee Hij hem bezocht had en hem deze belofte had gegeven, en aldus betuigde hij zijn vertrouwen in, en zijn afhankelijkheid van, het woord dat God had gesproken. Een werkzaam gelovige kan God van harte loven en danken voor een belofte, waarvan hij de vervulling nog niet ziet en een altaar bouwen ter ere van God, die aan hem verschijnt, hoewel Hij nog niet voor hem verschijnt.
b. Als zijn vaste gewoonte overal waar hij heenging. Zodra Abram in Kanaän kwam, heeft hij, hoewel hij er slechts een vreemdeling en bijwoner was, zijn huiselijke Godsdienst ingesteld en in stand gehouden, en waar hij een tent had, had God een altaar, en dat altaar was geheiligd door gebed. Want hij behartigde niet alleen het ceremoniële deel van de Godsdienst door het brengen van een offer, maar hij maakte er een gewetenszaak van om zijn God te zoeken, Zijn naam aan te roepen, tot Hem te naderen in gebed, de geestelijke offerande, waarin God een welbehagen heeft. Hij predikte over de naam des Heeren, dat is: hij onderwees zijn gezin en zijn naburen in de kennis van de ware God en Zijn heilige dienst. De zielen, die hij in Haran verkregen had, onderwezen zijnde, moeten nog verder onderwezen worden. Zij, die zich kinderen van de gelovige Abram willen betonen en de zegen van Abram willen beërven, moeten er een gewetenszaak van maken de plechtige eredienst van God te onderhouden, inzonderheid in hun gezin, naar het voorbeeld van Abram. De weg van de Godsdienstoefening in het gezin is een goede oude weg, geen nieuw verzinsel, maar het aloude gebruik van al de heiligen. Abram was zeer rijk en had een talrijk gezin, en was nu zonder vaste woonplaats, in het midden van vijanden, en toch, waar hij ook zijn tent opsloeg, bouwde hij een altaar. Laat ons, waar wij ook heengaan, niet in gebreke blijven, om onze Godsdienst mee te nemen.