Genesis 11:5-9
Wij hebben hier de verijdeling van het plan van de Babelbouwers en het tenietdoen van de raad van die hovaardigen, opdat, in weerwil van hen, Gods raad zou bestaan. Hier is:
I. Hoe God kennis nam van hun ontwerp, vers 5. De Heere kwam neer om te bezien de stad. Dit is een uitdrukking naar de wijze van de mensen, Hij kende haar even volkomen als de mensen kennen hetgeen zij op de plaats komen bezien.
Merk op:
1. Eer Hij een oordeel uitsprak over hun zaak, heeft Hij er onderzoek naar gedaan, want God is onbetwistbaar rechtvaardig en billijk in al hetgeen Hij doet tegen de zonde en de zondaren, en Hij veroordeelt niet zonder gehoord te hebben.
2. Er wordt van gesproken als van een daad van verwaardiging in God om zelfs van dit gebouw kennis te nemen, waarop de ondernemers zo trots waren, want Hij vernedert zich om de verrichtingen te beschouwen zelfs van de meest aanzienlijken in deze lagere wereld, Psalm 113:6.
3. Er wordt gezegd, dat het de stad en de toren was, die de kinderen van de mensen bouwden, hetgeen te kennen geeft:
a. Hun zwakheid en broosheid als mensen. Het was uiterst dwaas in de kinderen van de mensen, aardwormen als zij zijn, om de hemel te tarten, en de Heere tot ijver te verwekken. Zijn zij sterker dan Hij?
b. Hun zondigheid en hatelijkheid, zij waren zonen van Adam, zoals het Hebreeuws luidt, ja van die Adam die zondige, ongehoorzame Adam, wiens kinderen van nature kinderen van de ongehoorzaamheid zijn, kinderen die verdervers zijn.
c. Hun onderscheiding van de kinderen Gods, de belijders van de Godsdienst, van wie deze vermetele bouwers zich hadden afgescheiden, die deze toren bouwden om de afscheiding te steunen en te bestendigen. De Godvruchtige Heber wordt niet gevonden onder deze ongodvruchtige menigte, want hij en de zijnen worden de kinderen Gods genoemd, en daarom komt hun ziel niet in hun verborgen raad, en verenigen zij zich, niet met de vergadering van deze kinderen van de mensen.
II. De raadsbesluiten van de eeuwige God betreffende deze zaak. Hij is niet als een eenvoudig toeschouwer neergekomen, maar als een rechter, als een vorst, om alle hoogmoedigen te zien en ten onder te brengen, Job 40:7-10.
Merk op:
1. Hij liet hen eerst voor een goede wijle voortgaan in hun onderneming, eer Hij er een einde aan maakte, en, indien zij nog tot zoveel nadenken instaat waren, opdat zij er zich over zouden schamen, en het vanzelf moede zouden worden, maar zo niet, opdat hun teleurstelling zoveel smadelijker zou zijn, en ieder, die voorbijging, hen zou bespotten, zeggende: Deze mensen hebben begonnen te bouwen, en hebben niet kunnen voleindigen, en aldus de werken hunner handen, waarvan zij zich onsterflijke roem hebben voorgesteld op hun eeuwige schande zouden uitlopen. God heeft er wijze en heilige doeleinden mee op het oog, als Hij aan de vijanden van Zijn eer en heerlijkheid toelaat om gedurende lange tijd met hun goddeloze plannen voort te gaan, en voorspoed te hebben op hun ondernemingen.
2. Toen zij met veel zorg en moeite tamelijk ver gevorderd waren met hun bouw, besloot God hun maatregelen te verijdelen en hen te verstrooien.
Merk op:
a. De rechtvaardigheid Gods, die gezien wordt in de overwegingen, waarnaar Hij handelt in dit besluit, vers 6. Twee dingen worden door Hem in aanmerking genomen: hun eenheid en hun hardnekkigheid.
Hun eenheid is een reden, waarom zij verstrooid moeten worden: "zie, zij zijn enerlei volk en hebben allen enerlei spraak, indien zij aldus enerlei blijven, dan zal veel van de aarde onbewoond blijven, de macht van hun vorst zal weldra buitensporig groot zijn, goddeloosheid en onheiligheid zullen op ondraaglijke wijze heersend worden, want zij zullen er elkanders handen in sterken, en, wat het ergste van alles is, zij zullen het overwicht hebben in de kerk, en deze kinderen van de mensen zullen, indien zij aldus in haar ingelijfd zijn, het kleine overblijfsel van Gods kinderen verzwelgen." Daarom is besloten en vastgesteld, dat zij niet een moeten zijn. Eenheid is staatkundig beleid, maar zij is geen onfeilbaar kenteken van een ware kerk. Evenwel: terwijl de bouwers van Babel, hoewel zij tot onderscheidene families behoorden, verschillende neigingen en verschillende belangen hadden, zo eensgezind waren in hun tegenstand tegen God, is het toch wel zeer te bejammeren en een grote schande dat de bouwers van Zion, hoewel verenigd in een Hoofd en een Geest, zo verdeeld zijn als zij zijn in het dienen van God! Verwonder u echter niet over deze zaak, Christus is niet gekomen om vrede te brengen.
Hun hardnekkigheid, nu zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken, nu zal hen niets beletten of weerhouden en dat is een reden, waarom zij in hun plannen gedwarsboomd moeten worden. God had beproefd hen door Zijn geboden en vermaningen van dit plan af te brengen, maar tevergeefs, daarom moet Hij nu andere maatregelen met hen nemen. Zie hier:
Ten eerste. De zondigheid van de zonde en de moedwil van de zondaren. Van dat Adam niet weerhouden wilde worden om van de verboden boom te eten zijn zijn ongeheiligde nakomelingen ongeduldig geweest onder bedwang, en geheel bereid om er in opstand tegen te komen.
Ten tweede. Zie de noodzakelijkheid van Gods oordelen op aarde, ten einde de wereld enigermate in orde te houden, en de handen te binden van hen, die door de wet niet in bedwang willen gehouden worden.
b. De wijsheid en de barmhartigheid van God in de methode, welke Hij gebruikt om deze onderneming te doen mislukken, vers 7. Kom aan, laat ons nedervaren en laat ons hun spraak aldaar verwarren. Dit werd niet gesproken tot de engelen, alsof God hetzij hun raad of hun hulp nodig had, maar God zegt het tot zichzelf, of de Vader tot de Zoon en de Heilige Geest. Zij hadden gezegd: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en, Kom aan, laat ons een toren bouwen elkaar opwekkende tot de onderneming, en nu zegt God: Kom aan, laaf ons hun spraak verwarren, want, indien de mensen zich opwekken tot zonde, dan zal God zich opwekken om wrake te doen, Jesaja 59:17, 18. Let nu op de barmhartigheid van God in Zijn matigen van de straf, en haar niet evenredig te maken aan de overtreding, want Hij doet niet met ons naar onze zonden, Hij zegt niet: "Laat ons nedervaren in bliksemen en deze rebellen in een oogwenk verdoen", of "Laat de aarde zich openen en hen met hun gebouw verzwelgen, en laat hen snel ter helle varen, die op verkeerde wijze tot de hemel willen opklimmen". Neen, alleen: "Laat ons nedervaren en hen verstrooien, zij verdienden de dood, maar zij worden slechts verbannen, want Gods lankmoedigheid is zeer groot over een tergende zondige wereld. Straffen worden voornamelijk bewaard voor de toekomende staat, vergeleken daarmee zijn Gods oordelen over de zondaren in dit leven weinig meer dan een bedwang. Let ook op de wijsheid van God in het kiezen van een krachtig, afdoend middel om aan hun plannen en voornemens de bodem in te slaan, hetwelk bestond in het verwarren van hun spraak, opdat zij elkanders woorden niet zouden verstaan. Ook konden zij niet langer de handen ineenslaan als hun tongen zo verdeeld waren, zodat dit een zeer geschikte methode was, beide om hen van hun bouwen te doen aflaten, (want als zij elkaar niet konden verstaan, dan konden zij elkaar ook niet helpen) en om hen er toe gezind te maken om zich te verstrooien, want als zij elkaar niet konden verstaan, dan konden zij elkaar ook niet gebruiken. God heeft verschillende middelen, en zij zijn krachtig en afdoend-om de plannen te verijdelen van hovaardige mensen, die zich tegen Hem stellen, inzonderheid door hen verdeeld te doen zijn onder elkaar, hetzij door hen in hun geest te verdelen, Richteren 9-23, of door hun tong te verdelen, zoals David bidt, Psalm 55:10.
III. De volvoering van deze raadsbesluiten Gods ter vernietiging van de raadslagen van de mensen, vers 8, 9. God heeft hun doen weten wiens woord bestaan zal, het Zijne of het hunne, zoals de uitdrukking luidt in Jeremia 44:28. In weerwil van hun enerleiheid en hun hardnekkigheid was God hun toch te sterk, en in de zaak, waarin zij trots gehandeld hebben, was Hij boven hen, want wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad? Er werden drie dingen gedaan.
1. Hun spraak werd verward. God die, toen Hij de mens gemaakt heeft, hem geleerd heeft te spreken, en woorden in zijn mond heeft gelegd, geschikt om er de gedachten zijns harten door uit te drukken, heeft nu deze bouwers hun vroegere taal doen vergeten en hen geleerd een nieuwe te spreken en te verstaan die wel dezelfde was voor hen, die van dezelfde stam of familie waren, maar niet voor anderen. Die tot een groep of kolonie behoorden konden wel met elkaar spreken, maar niet met hen, die tot een andere behoorden. Dit nu was:
a. Een groot wonder en een bewijs van de macht, die God heeft over de geest en de tong van de mensen, welke Hij neigt als waterbeken.
b. Het was een groot oordeel over deze bouwers, want, aldus beroofd zijnde van de kennis van de oude en heilige taal, waren zij niet meer instaat om gemeenschap te oefenen met de ware kerk waarin zij bewaard bleef, en waarschijnlijk heeft dit veel er toe bijgedragen om hen ook de kennis van de ware God te doen verliezen.
c. Tot op de huidige dag lijden wij allen hier nog onder, in al het ongerief, dat wij ondervinden door de verscheidenheid van de talen, en al de moeite, die het ons kost om de talen te leren, die wij nodig hebben te kennen, boeten wij voor de rebellie van onze voorouders te Babel. Ja, de onzalige geschillen, die woordentwist zijn en voortkomen uit ons misverstaan van elkanders spraak, zijn, voorzover ik weet, mee aan die spraakverwarring te wijten.
d. Het ontwerp van sommigen, om een universele letter te vormen, ten einde tot een universele taal te geraken, is, geloof ik, hoe begerenswaardig dit ook moge schijnen, toch een vergeefse poging, want het is een strijden tegen een Goddelijk vonnis door hetwelk de talen van de natiën verschillend zullen zijn zolang de wereld bestaat.
e. Wij kunnen hier het verlies betreuren van het algemeen gebruik van de Hebreeuwse taal, die van die tijd af alleen de volkstaal van de Hebreeën is geweest, en dit gebleven is tot aan de Babylonische gevangenschap, toen het, zelfs onder hen, met het Syrisch werd verwisseld.
f. Gelijk de spraakverwarring de kinderen van de mensen verdeeld en verstrooid heeft, zo heeft de gave van de talen, geschonken aan de apostelen, Handelingen 2, er zeer toe bijgedragen om de kinderen Gods bijeen te vergaderen, die verspreid waren, en hen in Christus te verenigen, opdat zij eendrachtig, met een mond God verheerlijken, Romeinen 15:6.
2. Hun bouwen werd gestuit, zij hielden op de stad te bouwen. Dit was het gevolg van de verwarring hunner spraak, want het maakte hun niet slechts onbekwaam om elkaar te helpen maar heeft waarschijnlijk hun moed zozeer terneergeslagen, dat zij niet voort konden gaan daar zij hierin gezien hebben, dat de hand des Heeren tegen hen was. Het is wijs om af te laten van hetgeen, waartegen wij God zien strijden. God is machtig om alle raadslagen en voornemens van Babelbouwers op niets te doen uitlopen. Hij zit in de hemel en belacht de raad van de koningen van de aarde tegen Hem en tegen Zijn Gezalfde, en zal hen nog noodzaken te bekennen, "dat er geen wijsheid en geen verstand en geen raad is tegen de Heere," Spreuken 21:30, Jesaja 8:9, 10.
3. De bouwers werden verstrooid vandaar over de gehele aarde, vers 8, 9. Zij vertrokken in groepen volgens hun huisgezinnen en hun talen, Hoofdstuk 10:5, 20, 31, naar de verschillende landen en plaatsen, die hun toebedeeld waren in de verdeling, die gemaakt was, en die hun tevoren bekend is geweest, maar waarvan zij geen bezit wilden gaan nemen voor zij er nu toe genoodzaakt werden. Nu valt hier op te merken:
Ten eerste. Dat hetgeen zij vreesden hun nu juist overkomen is. Zij vreesden verstrooid te worden, en zochten dit te voorkomen door een daad van rebellie, en juist door die daad brachten zij de ramp met al haar verschrikkingen over zich, want hoogst-waarschijnlijk zullen wij in die moeilijkheid komen, welke wij door indirecte en zondige middelen zochten te ontkomen,
Ten tweede. Dat het Gods doen was, de Heere verstrooide hen. Gods hand moet gezien en erkend worden in alle verspreiding of verstrooiing, als het gezin verstrooid wordt, familiebetrekkingen uit elkaar gaan, gemeenten verstrooid worden, dan is dit het doen des Heeren.
Ten derde. Dat, hoewel zij zo vast mogelijk aan elkaar verbonden waren, de Heere hen toch verstrooid heeft, want niemand kan bij elkaar houden wat God wil scheiden.
Ten vierde. Dat God aldus rechtvaardig wrake op hen geoefend heeft wegens hun eenheid in hun trotse poging om hun toren te bouwen, schandelijke verdeeldheid en verstrooiing is de rechtvaardige straf voor zondige verbintenissen, Simeon en Levi, die broeders waren in ongerechtigheid, zijn verdeeld geworden onder Jakob, Hoofdstuk 49:5, 7, Psalm 83:3-13.
Ten vijfde. Dat zij een eeuwige gedachtenis nalieten van hun schande in de naam, die aan de plaats gegeven werd, zij werd Babel, dat is verwarring genoemd. Zij, die er naar streven om zich een grote naam te verwerven, eindigen gewoonlijk met een slechte naam te verkrijgen.
Ten zesde. De kinderen van de mensen waren nu voor goed verstrooid en zijn nooit, en zullen nimmer, weer allen bij elkaar komen tot aan de grote dag, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid, en al de volken voor Hem zullen vergaderd worden, Mattheus 25:31, 32.