Genesis 49:5-7
Dezen volgden in leeftijd op Ruben, en ook zij zijn voor Jakob een smart en een schande geweest, toen zij verraderlijk en barbaars de Sichemieten hebben omgebracht, wat hier tegen hen herdacht wordt. Kinderen moeten bevreesd zijn om het rechtmatig ongenoegen van hun ouders op te wekken, opdat het hun lang daarna er niet te erger om gaan zal, en zij, als zij hun zegen zouden willen verkrijgen, verworpen worden. Let op:
I. Het karakter van Simeon en Levi, zij waren broeders in aard en neiging, maar zij aardden niet naar hun vader, want zij waren driftig en wraakgierig, woest en onbedwingbaar, hun zwaard, dat slechts een wapen ter verdediging moest zijn, was een wapen van het geweld om anderen kwaad te doen, niet om zich tegen kwaad te verweren. Het is niets nieuws, dat de aard van de kinderen soms heel veel verschilt van die van hun ouders, en dus behoeven wij het niet vreemd te vinden, dat het in Jakob's familie zo was. Het is niet in de macht van de ouders, nee, ook niet door opvoeding, de aard of de gemoedsgesteldheid van hun kinderen te vormen. Jakob heeft zijn kinderen opgevoed tot alle zachtmoedigheid en kalmte, en toch bleken zij woest en onstuimig.
II. Een bewijs hiervan is de moord op de Sichemieten, waarover Jakob toen hoogst misnoegd was, en ook nu nog misnoegd was. Zij doodden een man, Sichem zelf, en nog vele anderen, en om het te kunnen wierpen zij een muur neer, braken de huizen af om ze te plunderen, en de bewoners te vermoorden. De beste regeerders kunnen niet altijd hen, die onder hen staan, in bedwang houden, hun beletten de grootste gruwelen te plegen. En als er twee in een gezin kwaadaardig zijn, dan maken zij gewoonlijk elkaar nog erger, en het zou verstandig zijn hen te scheiden. Simeon en Levi waren waarschijnlijk het bedrijvigst in het kwaad, dat aan Jozef werd aangedaan, sommigen denken dat Jakob daar naar verwijst want in hun toorn zouden zij die man gedood hebben. Zie welk een kwaad eigenzinnigheid of moedwil is in jonge lieden, Simeon en Levi wilden zich niet door hun oude en ervaren vader laten raden, nee, zij wilden zich liever door hun eigen hartstochten laten regeren dan door zijn wijsheid. Jonge lieden zouden veel meer met hun eigen belangen te rade gaan, als zij minder naar hun eigen zin en wil luisterden.
III. Jakob's protest tegen deze hun barbaarse daad: "Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad", Hiermee getuigt hij niet alleen zijn afschuw van zulke daden in het algemeen, maar zijn onschuld in deze bijzondere zaak. Misschien heeft men hem verdacht van hen in stilte er toe aangezet te hebben daarom drukt hij hier zo plechtig zijn verfoeiing uit van het feit, opdat hij onder die verdenking niet zou sterven. Onze ziel is onze eer, door haar krachten en vermogens zijn wij onderscheiden van, en verwaardigd boven, de beesten, die vergaan. Wij moeten alle gezelschap of medegenootschap met bloeddorstige en boosaardige mensen verfoeien. Wij moeten niet begeren in hun geheimen te delen, of de diepten van Satan te kennen.
IV. Zijn afschuw van de woeste hartstochten, die hen tot deze boosheid geleid hebben. Vervloekt zij hun toorn. Hij vloekt niet hun persoon, maar hun driften. Toorn is de oorzaak en oorsprong van erg veel zonde, en stelt ons bloot aan de vloek van God en aan Zijn oordeel, Mattheus 5:22. In de uitdrukkingen van onze ijver behoren wij altijd onderscheid te maken tussen de zondaar en de zonde zodat wij om de wille van de persoon de zonde niet liefhebben of zegenen, en om de wille van de zonde de persoon niet haten of vloeken. V. Hij voorzegt dat hun nakomelingen hierdoor onder een teken van ongunst zullen zijn: Ik zal hen verdelen. De Levieten waren verstrooid onder al de stammen, en Simeons grondgebied was geen afgesloten geheel, en het was zo eng, dat velen uit die stam genoodzaakt waren zich elders vestiging en bestaan te zoeken. Voor de Levieten werd deze vloek later in een zegen veranderd, maar vanwege Zimri's zonde werd hij aan de Simeonieten nog bevestigd, Numeri 25:14. Een schandelijke verstrooiing is de rechtvaardige straf op een zondige vereniging of verbintenis.