1 Corinthiërs 3:5-10
Hier onderricht Paulus hen hoe deze kwaal te genezen en wat te dien opzichte onder hen verkeerd was terecht te brengen.
I. Door hun te herinneren dat de dienaren, over welken zij twistten, niet meer dan dienaren waren. Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welken gij geloofd hebt? gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft, vers 5. Zij waren slechts dienaars, enkel werktuigen van den God aller genade. Enigen van de twistgierigen onder de Corinthiërs hadden, naar het schijnt, meer van hen gemaakt, alsof ze heren over hun geloof, stichters van hun godsdienst, waren. We hebben toe te zien dat we de dienaren niet vergoden of in de plaats van God stellen. Apostelen zijn niet de bewerkers van ons geloof en onzen godsdienst, ofschoon ze gemachtigd werden die te openbaren en te bevorderen. Zij handelden in dezen zoals de Heere een iegelijk gegeven had. Merk op: alle gaven en machten, welke zelfs de apostelen openbaarden en toepasten in het werk hunner bediening, waren van God. Hun werk was te tonen dat hun dienst en leer goddelijk waren. Het was aan de zijde der hoorders geheel verkeerd aan de apostelen de hulde te brengen welke ze alleen verschuldigd waren aan het gezag, waarop dezen handelden, aan God van wie ze hun bevoegdheid verkregen hadden. Paulus had geplant en Apollos had nat gemaakt, vers 6. Beiden waren nuttig, de een tot dit en de ander tot dat doeleinde. God maakt gebruik van verschillende werktuigen, en bekwaamt die elk tot zijn eigen dienst en bestemming. Paulus was geschikt om te planten, Apollos om nat te maken, maar God gaf den wasdom. Het welslagen van den dienst hing af van den goddelijken zegen. Zo is dan noch hij die plant iets, noch hij die nat maakt, maar God die den wasdom geeft, vers 7. Zelfs apostolische dienaren zijn op zich zelven niets, zij kunnen niets met goeden uitslag doen tenzij God den wasdom geeft. De beste en getrouwste dienaars hebben het diepste gevoel van hun eigen ongenoegzaamheid en zijn boven alles begerig dat God al de eer ontvangt van hun welslagen. Paulus en Apollos zijn in eigen schatting niets, maar God is alles in allen.
II. Door hen te wijzen op de eenstemmigheid der dienaren van Christus. Die plant en die nat maakt zijn een, vers 8, in dienst bij een Meester, belast met dezelfde openbaring, bezig in hetzelfde werk, beogend hetzelfde doel, in overeenstemming met elkaar, alhoewel ze door scheurzieke partijgangers tegenover elkaar gesteld worden. Zij hebben hun onderscheidene gaven van een en dezelfden Geest, tot hetzelfde doel, en van harte verenigd werken zij samen. Planters en natmakers zijn slechts medearbeiders in hetzelfde werk. Merk op: Alle getrouwe dienaren van Christus zijn een in de grote zaak en bedoeling van hun bediening. Zij mogen in ondergeschikte dingen met elkaar van gevoelen verschillen, zij mogen hun besprekingen en afwijkingen van elkaar hebben, maar hartelijk stemmen ze overeen in het grote doel: de ere Gods en de zaligheid der zielen door bevordering van het ware Christendom in de wereld. Al dezulken mogen schitterende beloning voor hun getrouwheid verwachten overeenkomstig het woord: een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid. Hun werk is een, maar de een neemt het wellicht meer ter harte dan de ander, hun einddoel is een, maar de een jaagt het waarschijnlijk vuriger na dan de ander, hun Meester is ook een, maar deze goede en genadige Meester maakt onderscheid in Zijne beloningen, overeenkomstig de door ieder bewezen diensten, een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid. Die het meest werkt ontvangt het meest. Die de getrouwsten zijn, hebben het grootste loon, het is een heerlijk werk, waarin alle getrouwe dienaren arbeiden. Zij zijn Gods medearbeiders, vers 9, natuurlijk niet in dezelfden rang en dezelfde mate, maar in ondergeschiktheid aan Hem, als werktuigen in Zijn hand. Zij zijn werkzaam in Zijne zaak. Zij werken met God samen ter bevordering van Zijne heerlijkheid en ter redding van kostbare zielen, en Hij, die hun werken kent, zal maken dat ze niet vergeefs arbeiden. De mensen mogen den enen dienaar verwaarlozen en verachten, terwijl ze den anderen verheffen, zonder daar reden voor te hebben, zij mogen veroordelen wat ze behoorden aan te bevelen en toejuichen wat ze moesten vermijden en voorbijgaan, maar het oordeel Gods is naar waarheid. Hij beloont slechts op goede gronden, en Hij beloont alleen in overeenstemming met den ijver en de getrouwheid Zijner dienaren. Getrouwe dienaren moeten, wanneer zij door de mensen miskend worden, hun bemoediging in God zoeken. En het is voor God, de voorname arbeider in het grote werk des Evangelies, voor wie Zijne medearbeiders zich getrouw betonen moeten. Zij zijn altijd onder Zijn oog, werkzaam in Zijn huis en bouwwerk, en daarom zal Hij voorzeker zorgvuldig over hen waken. Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij. En daarom is niemand van Paulus of van Apollos, niemand behoort hun toe, maar ze zijn Godes. Zij planten en maken nat, niets meer, maar het is de goddelijke zegen op Zijn eigen akkerwerk, die maakt dat er vrucht gedragen wordt. Gij zijt niet ons akkerwerk, maar dat van God. Thans gaat de apostel van deze vergelijking over tot die van een gebouw: Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd en een ander bouwt daarop. Paulus noemt zichzelf een wijs bouwmeester. Die hoedanigheid geeft hem dubbele eer. Het was eervol een bouwmeester te zijn aan den tempel Gods, maar het verhoogt zijn eer dat hij een wijs bouwmeester was. Men kan in een bediening zijn, waarvoor men niet bekwaam is, of niet zo door en door bekwaam als hier blijkt dat Paulus was. Doch ofschoon hij dit van zich zelven zegt, bedoelt hij daarmee niet zijn eigen eer, doch die der goddelijke genade. Hij was een wijs bouwmeester, doch door de genade Gods, die hem dat gemaakt had. Het is geen misdaad in een Christen, maar strekt hem tot aanbeveling, wanneer hij kennis neemt van het goede dat in hem is, tot lof van de goddelijke genade. Geestelijke hoogmoed is afschuwelijk, hij maakt dat we de grootste weldaden Gods gebruiken om onze eigen ijdelheid te voeden en onszelf tot onze eigen afgoden te verheffen. Maar letten op Gods weldaden ten einde onze dankbaarheid te bevorderen en er over spreken tot Zijne eer (van welken aard ze ook zijn) is niets anders dan een deel van onzen plicht en van den eerbied, dien we Hem verschuldigd zijn. Merk op: Dienaren mogen niet trots zijn op hun gaven en genaden, maar hoe beter zij voor hun werk geschikt zijn en hoe meer zegen er op rust, des te meer behoren zij Gode dankbaar te zijn voor Zijn onderscheidende genade. Ik heb het fondament gelegd en een ander bouwt daarop. Vroeger heeft hij gezegd: Ik heb geplant en Apollos heeft natgemaakt. Paulus heeft het fondament van de gemeente onder hen gelegd. Hij heeft hen door het Evangelie geteeld, Hoofdstuk 4:15. Hoeveel leermeesters zij buiten hem hadden, ze hadden toch niet vele vaders. Hij wilde niemand, die onder hen gewerkt had, tekort doen, maar hij wenste ook niet van zijn eer en eerbied beroofd te worden. Getrouwe dienaren mogen en moeten waken voor hun eigen goeden naam. Veel van hun nuttigheid hangt daarvan af. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe. Dat is een eenvoudige waarschuwing, er kan zeer slecht gebouwd worden op een goed fondament. Men kan daarin licht dwalen, en er is grote omzichtigheid nodig, niet alleen om een stevig en goed fondament te leggen, maar ook om er een behoorlijk gebouw op te zetten. Er mag niets opgebouwd worden, dan wat het fondament dragen kan en wat er een geheel mede wordt. Goud en modder mogen niet met elkaar vermengd worden. Dienaren van Christus hebben er nauwgezet tegen te waken, dat ze niet hun eigen hersenschimmen of valse redeneringen bouwen op het fondament der goddelijke openbaring. Hetgeen zij prediken moet zijn de duidelijke leer van hun Meester en wat daarmee geheel overeenkomt.