1 Timotheus 1:5-11
Hier onderwijst de apostel Timotheus hoe hij waken moet tegen de Judese leraren en anderen, die fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen met het Evangelie vermengen. Hij toont aan het nut der wet en de heerlijkheid van het Evangelie.
I. Hij toont aan het doel en het nut der wet, dat bestaat in het aankweken van liefde, want de liefde is de vervulling der wet, Romeinen 13:10.
1. De vervulling der wet is de liefde, Romeinen 13:8. Het voorname doel van de goddelijke wet is ons aan te wakkeren tot liefde jegens God en jegens elkaar, en alles wat ten gevolge heeft om onze liefde jegens God en onze broederen te verzwakken, strekt om het doel van de wet te vernietigen. En zeker: het Evangelie, dat ons gebiedt onze vijanden lief te hebben en wel te doen degenen, die ons haten, Mattheus 5:44 stelt de wet niet ter zijde, en verdringt niet een gebod, waarvan de bedoeling liefde is. Daar is het zo ver vandaan, dat ons integendeel gezegd wordt dat, als wij alle gaven hadden en de liefde ontbrak ons, dan zouden wij een klinkend metaal en een luidende schel zijn, 1 Corinthiërs 13:1. Hieraan zal de wereld bekennen dat gij Mijne discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkaar, Johannes 13:35. Zij derhalve, die roemden op hun kennis van de wet, maar haar alleen gebruikten als een schild en dekmantel voor de verhindering, die zij aan de verkondiging van het Evangelie gaven onder voorwendsel van ijver voor de wet, de gemeente verdelende en verwoestende, stonden rechtstreeks tegenover het einddoel der wet, hetwelk is liefde, liefde uit een rein hart, een hart door het geloof gereinigd van alle zondige liefde. Teneinde heilige liefde te kunnen koesteren, moeten onze harten gereinigd zijn van alle zondige liefde, onze liefde moet opkomen uit een goed geweten, dat ons niet beschuldigt. Zij beantwoorden aan het einde der wet, die zorgvuldig zijn om een goed geweten te bewaren, met een waarachtig geloof aan de waarheid van Gods Woord, dat er bij behoort, en hier genoemd wordt een ongeveinsd geloof.
A. Een rein hart, daar moet zij haar zetel hebben en vandaar uit moet zij opkomen,
B. Een goed geweten, waarin wij ons dagelijks moeten oefenen, niet alleen om het te verkrijgen, maar ook om het te bewaren, Handelingen 24:16.
C. Een ongeveinsd geloof moet haar vergezellen, want de liefde moet ongeveinsd zijn, en dus moet het geloof, dat door de liefde werkt, dezelfde natuur hebben, ongeveinsd en oprecht. Sommigen van hen, die zich uitgaven voor leraren van de wet, verwijderden zich van dat doel der wet, zij werden beschouwd als redetwisters, maar hun woorden waren ijdel geklank, zij gingen door voor leraren, doch zij beweerden anderen te onderwijzen hetgeen zij zelven niet begrepen. Indien de gemeente door zulke leraren bedorven wordt, moeten wij daar niets vreemds in zien, want wij bemerken hier dat het van den beginne reeds zo was. Merk hier op:
a. Indien mensen, voornamelijk dienaren, zich afkeren van de grote wet der liefde, die het einde der wet is, dan zullen zij zich begeven tot zinledig geklap, wanneer iemand zijn doel mist, is het niet te verwonderen dat elke stap dien hij doet op den verkeerden weg gezet wordt. b. Twistend gebabbel, voornamelijk in den godsdienst, is onnut, het is nadelig en nutteloos voor al wat ons ten goede moet strekken, en het is zeer verderflijk en nadelig, en toch bestaat de godsdienst van menigeen uit weinig meer dan ijdel getwist.
c. Zij, die gaarne over nutteloze vragen twisten, zijn er gewoonlijk op uit om leraren van anderen te zijn, zij begeren (dat is, zij hebben vermaak in) den dienst der leer.
d. Het komt maar al te dikwijls voor, dat mensen het werk der bediening aanvaarden, ofschoon zij geheel onwetend zijn omtrent de dingen, waarover zij spreken, zij verstaan zo min hetgeen zij zeggen als hetgeen zij bevestigen, en met zulke geleerde onwetendheid stichten zij ongetwijfeld de harten hunner hoorders zeer!
2. Het gebruik der wet, vers 8. De wet is goed, zo iemand die wettelijk gebruikt. De Joden gebruikten haar onwettelijk, als een machine om de gemeente te verdelen, als een bedeksel voor de goddeloze tegenkanting, die zij het Evangelie aandeden, zij gebruikten haar voor hun rechtvaardigmaking, dus onwettelijk. Wij moeten er dus niet aan denken haar terzijde te zetten, maar haar wettelijk gebruiken, om de zonde te weerstaan. Het misbruik, dat velen van de wet gemaakt hebben, neemt haar gebruik niet weg, maar wanneer een goddelijke inzetting misbruikt wordt, roept zij terug tot het rechte gebruik en afschaffing van het misbruik. De wet is nog zeer nuttig als regel des levens, ofschoon wij niet onder het verbond der werken zijn, is zij goed om ons te leren wat zonde en wat plicht is. Zij is niet den rechtvaardigen gesteld, dat is: niet hun, die op haar letten, want indien wij de wet konden houden, dan zou de rechtvaardigheid uit de wet zijn, Galaten 3:24, maar zij is gegeven voor de godlozen, om hen te weerhouden, te belemmeren, en paal en perk te stellen aan de ondeugd en godloosheid. De genade Gods verandert de harten, maar de verschrikkingen der wet kunnen dienen om de handen te binden en de tongen te beteugelen. Een rechtvaardig man heeft deze breidels niet nodig, die voor de godlozen noodzakelijk zijn, en tenminste is de wet niet oorspronkelijk en voornamelijk gegeven voor de rechtvaardigen, maar voor de zondaren van allerlei soorten, grotere en kleinere, vers 9, 10. In deze zwarte lijst van zondaren noemt hij bepaald de overtreders van de tweede tafel der wet, van de plichten, die wij tegenover onze naasten hebben, tegen het vijfde en zesde gebod: vadermoorders, moedermoorders, doodslagers, tegen het zevende: hoereerders, dien die bij mannen liggen, tegen het achtste: mensendieven, tegen het negende: leugenaars en meinedigen, en hij besluit de opnoeming met: en zo er iets anders tegen de gezonde leer is. Sommigen verstaan dit als een instelling van de macht der burgerlijke overheid om wetten te maken tegen zulke openbare zondaren als hier opgenoemd worden, en om deze wetten in werking te brengen.
II. Hij toont de heerlijkheid en genade van het Evangelie aan. Paulus' benamingen zijn doeltreffend en betekenisvol, en gewoonlijk is elke harer een zin op zich zelve, zo ook hier, vers 11. Naar het Evangelie der heerlijkheid van den zaligen God. Laat ons hier leren:
1. God den zaligen God te noemen, oneindig gelukkig in de genieting van zich zelven en van Zijn eigen volmaaktheden.
2. Het Evangelie te noemen het Evangelie der heerlijkheid, want dat is het. Veel van de heerlijkheid Gods komt aan het licht in de werken Zijner schepping en voorzienigheid, maar veel meer in het Evangelie, dat schijnt in het aangezicht van Jezus Christus. Paulus rekende het zich als een hoge eer en een grote gunst, dat dit Evangelie der heerlijkheid hem toevertrouwd was, dat is, de verkondiging ervan, want het samenstellen ervan is aan geen mens of geen gezelschap van mensen ter wereld overgelaten. Het regelen van de voorwaarden der verlossing in het Evangelie van Christus is Gods eigen werk, maar de mededeling daarvan is opgedragen aan de apostelen en de dienaren. Merk hier op:
A. De bediening is een opdracht, want het Evangelie was den apostel toevertrouwd, het is een opgedragen dienst zowel als een macht, en het eerste meer dan het laatste, en om deze reden worden de dienaren huisbezorgers genoemd. 1 Corinthiërs 4:1.
B. Het is een heerlijke opdracht, omdat het hun toevertrouwde Evangelie een heerlijk Evangelie is, het is een opdracht van groot gewicht. Gods heerlijkheid is er zeer nauw in betrokken. O Heere, welk een last is ons toevertrouwd! Hoeveel genade hebben wij nodig om zulk een opdracht getrouw te vervullen!