1 Timotheus 3:8-13
Hier wordt de vereiste van een diaken omschreven. Zij hadden te zorgen voor de tijdelijke behoeften der gemeente, dat is het onderhoud van de dienaren en voorziening in de behoeften der armen. Zij dienden de tafelen, terwijl de dienaren of ouderlingen zich gaven aan de bediening des Woords en aan het gebed, Handelingen 6:2, 4. Van de instelling van dezen dienst en hetgeen er aanleiding toe gaf, vinden wij het verhaal in Handelingen 6:1-7. Het was een vereiste, dat de diakenen een goeden naam zouden hebben, want zij waren de helpers van de dienaren, traden op en handelden in het openbaar en hun was veel toevertrouwd. Zij moesten eerbaar zijn. Eerbaarheid past allen Christenenen, maar voornamelijk hun, die in dienst der gemeente zijn. Niet tweetongig, niet tot den een zus en tot den ander zo spreken, naarmate hun belang meebrengt. Een dubbele tong spreekt uit een dubbel hart, vleiers en lasteraars zijn tweetongig. Niet die zich tot veel wijns begeven, want dat is een grote ontering voor den mens, vooral voor den Christen, en met name voor iemand in dienst der gemeente, het maakt ongeschikt voor het werk en opent de deur voor allerlei verzoeking.
Geen vuilgewinzoekers, dit zou vooral in diakenen verkeerd zijn, want hun was het geld der gemeente toevertrouwd, en indien zij gierig of vuilgewinzoekers waren, zouden zij in verzoeking komen om dat te verduisteren en hetgeen voor den openbaren dienst bestemd was, tot hun eigen voordeel te gebruiken. Houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten, vers 9. De verborgenheid des geloofs wordt hot best bewaard in een rein geweten. De praktische liefde tot de waarheid is het machtigste voorbehoedmiddel tegen dwaling en verleiding. Zo wij een rein geweten behouden (op onze hoede zijn voor alles wat het geweten verkracht en ons van God aftrekt) zal daardoor de verborgenheid des geloofs in onze zielen bewaard blijven. En dat dezen ook eerst beproefd worden, vers 10. Het is niet goed de algemene belangen toe te vertrouwen in handen van iemand, die niet eerst beproefd werd en geschikt bevonden voor hetgeen hem opgedragen zal worden, de juistheid van hun oordeel, hun ijver voor Christus en de onberispelijkheid van hun wandel moeten bewezen zijn. Hun vrouwen insgelijks moeten een goeden naam hebben, vers 11, zij moeten eerbaar van gedrag zijn, geen lasteressen, geen babbelaarsters, die verhaaltjes uitstrooien om ongenoegen te verwekken en tweedracht te zaaien. Zij moeten zijn wakker, getrouw in alles, geen aanstoot geven, maar betrouwbaar zijn in alles wat hun opgedragen wordt. Allen, die tot dienaren in betrekking staan, moeten hun ijver verdubbelen om te wandelen overeenkomstig het Evangelie van Christus, opdat niet door hun ongeregelden wandel een smet op de bediening geworpen worde. Gelijk hij vroeger van de opzieners of dienaren gezegd heeft, zo hier van de diakenen: zij moeten ener vrouwe mannen zijn, die niet zonder wettige reden hun vrouw verstoten en een andere getrouwd hebben. Zij moeten hun kinderen en hun eigen huizen wèl regeren, hun gezinnen moeten voorbeelden voor de gezinnen van anderen zijn. En de reden waarom de diakenen zodanige zijn moesten is, vers 13, ofschoon de dienst van diakenen een lager rang is, zo is hij toch een schrede naar hoger rang, en zij die goed de tafelen gediend hebben, kunnen, zo de gemeente daartoe aanleiding ziet, gekozen worden in den dienst des woords en der gebeden. Ook kan bedoeld zijn, dat zij zich daardoor een goeden naam van getrouwheid in het werk verwerven, zij verkrijgen zich zelven een goeden opgang en vele vrijmoedigheid in het geloof, hetwelk is in Christus Jezus. Merk hier op:
1. In de oorspronkelijke kerk bestonden niet meer dan twee rangen van dienaren: opzieners en diakenen. Filippenzen 1:1. In de volgende eeuwen werden al de andere uitgevonden. De dienst van den bisschop, opziener, herder of dienaar was beperkt tot het gebed en de bediening des Woords, en de dienst van den diaken was beperkt tot, of bestond tenminste voor- namelijk uit, het dienen der tafelen. Clemens Romanus, in zijn brief aan de Christenen, cap. 42, 44, spreekt zeer volledig en duidelijk hierover, dat de apostelen, door onzen Heere Jezus Christus vooruit wetende dat er in de Christelijke kerk geschil zou ontstaan over den naam: bisschoppelijke kerkregering, de beide vorengenoemde ambten instelde, opzieners en diakenen.
2. De diaken volgens de Schrift had voornamelijk de tafelen te dienen, niet te prediken of te dopen. Het is waar dat Filippus te Samaria predikte en doopte, Handelingen 8, maar wij lezen dat hij evangelist was, Hand 21:8, en daarom mocht hij prediken en dopen en alle andere delen van de bediening verrichten Doch het doel van den diaconale dienst was zorgen voor de tijdelijke belangen der gemeente, zoals de salarissen van de dienaren en den onderstand der armen.
3. Verscheidene eigenschappen waren zeer noodzakelijk ook voor deze ondergeschikte dienaren. De diakenen moeten zijn eerbaar, enz.
4. Enig bewijs van deze persoonlijke eigenschappen moest geleverd zijn, alvorens zij toegelaten werden tot den dienst der gemeente en hun enig werk toevertrouwd werd. Laat ook dezen eerst beproefd worden.
5. Oprechtheid en eerlijkheid in lagere bediening zijn de weg om tot hoger staat in de gemeente geroepen te worden. Zij verkrijgen zich zelven een goeden opgang.
6. Dat zal een man ook veel vrijmoedigheid des geloofs geven, terwijl gebrek aan oprechtheid en betrouwbaarheid hem beschroomd maken zal en hem zullen doen beven voor zijn eigen schaduw. De godloze vliedt waar geen vervolger is, maar elk rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw, Spreuken 23:1.