Filippenzen 4:10-19
In deze verzen vinden wij des apostels dankbare mededeling van de ontvangst der door de Filippensen gezonden gaven tot zijn onderhoud, terwijl hij te Rome gevangen zat.
I. Hij gebruikt deze gelegenheid om hun vroeger betoonde vriendelijkheid te erkennen en daar melding van te maken, vers 15, 16. Paulus had een dankbaar gemoed, want, ofschoon hetgeen zijn vrienden voor hem deden niets was in vergelijking met hetgeen hij van hen verdiende en de daardoor op hen gelegde verplichtingen, sprak hij over hun vriendschapsbewijzen, alsof die een toonbeeld van edelmoedige liefdadigheid waren, terwijl ze eigenlijk ver beneden de eigenlijke schuld bleven. Indien ieder hunner hem zijn halve vermogen gegeven had, zou het nog niet te veel geweest zijn, want zij dankten hem het behoud hunner zielen, en toch, nu zij hem een kleine gave zonden, hoe vriendelijk neemt hij die aan, hoe dankbaar vermeldt hij dat, zelfs in dezen brief, die bestemd was om achtergelaten en in alle gemeenten gelezen te worden alle eeuwen door. Overal waar deze brief gelezen wordt, zal dus tot een gedachtenis melding gemaakt worden van hetgeen zij voor Paulus deden. Zeker, nooit was enige gave zo wèl vergoed. Hij herinnert hun, dat in het begin des Evangelies, toen hij van Macedonië vertrokken was, gene gemeente hem iets meegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst dan zij alleen, vers 15. Zij onderhielden hem niet alleen behoorlijk terwijl hij bij hen was, maar toen hij van Macedonië vertrokken was, zonden zij hem bewijzen van vriendschap achterna, en zulks terwijl geen andere gemeente dat deed. Geen enkele behalve deze gemeente zond hem iets van de aardse dingen, in aanmerking nemende de geestelijke voordelen, die zij van hem genoten hadden. In werken van liefdadigheid zijn wij geneigd te vragen wat anderen doen. Maar daar had de gemeente van Filippi nooit op gelet. Het strekt haar des te meer tot eer, dat zij de enige gemeente was, die rechtvaardig en edelmoedig handelde. Want ook in Thessalonica (nadat hij uit Macedonië vertrokken was) hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden tot nooddruft, vers 16. Merk op:
1. Het was slechts weinig wat zij zonden, zij zonden enkel tot zijn nooddruft, alleen zulke dingen als hij nodig had, misschien waren zij tot meer niet instaat, en hij begeerde geen overtollige dingen en weelde.
2. Het is schoon om te zien dat zij, dien God overvloed van de gaven Zijner genade gegeven heeft, ook overvloeien in dankbare wedergave aan Zijn volk en dienaren, overeenkomstig eigen vermogen en hun behoeften. Gij zond mij eenmaal en andermaal. Velen verontschuldigen hun gebrek van milddadigheid daarmee, dat zij reeds eens gegeven hebben, waarom moet hun de last opnieuw opgelegd worden? Maar de Filippensen zonden eenmaal en andermaal, zij hielpen en verkwikten hem meermalen in zijn nooddruft. Hij vermeldt hier hun vroegere vriendelijkheid niet alleen uit dankbaarheid, maar ook tot hun bemoediging.
II. Hij verontschuldigt hun latere nalatigheid. Het schijnt dat zij enigen tijd verzuimd hebben naar hem te onderzoeken of hem iets te zenden, maar nu zijn ze eenmaal wederom verwakkerd om aan hem te gedenken, vers 10. Het ging hun als een boom, die in de lente opnieuw groent, nadat hij in den winter scheen gestorven te zijn. Maar in navolging van het voorbeeld van zijn groten Meester, berispt hij hen niet over dit verzuim, maar verontschuldigt het: Maar gij hebt de gelegenheid niet gehad. Hoe kon de gelegenheid ontbreken, indien zij besloten hadden het te doen? Zij hadden toch iemand met dat doel kunnen zenden! Maar de apostel is geneigd, in hun voordeel, te onderstellen dat zij het zouden gedaan hebben, indien zich een gelegenheid aangeboden had. Hoe geheel anders is dit gedrag dan dat van velen hunner vrienden, die nalatigheden, waarvoor werkelijk verontschuldiging bestaat, scherp verwijten, terwijl Paulus verontschuldigt hetgeen hij zeker had kunnen kwalijk nemen.
III. Hij prijst hun tegenwoordige vrijgevigheid. Nochtans hebt gij wel gedaan, dat gij met mijne verdrukking gemeenschap gehad hebt, vers 14. Het is goed een getrouw dienaar te steunen en te helpen in zijne bezwaren. Hier zien wij wat de aard is van Christelijke genegenheid, niet alleen belangstellen in de moeiten van onze vrienden, maar ook doen wat wij kunnen om hen te helpen. Zij hadden gemeenschap met zijne verdrukking, door hem daarin te ondersteunen. Indien iemand zegt: Gaat henen in vrede, wordt warm en wordt verzadigd, en gij zoudt niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dát? Jakobus 2:16. Hij verblijdt zich daarover grotelijks, vers 10, want het was een teken van hun gehechtheid aan hem en van het welslagen van zijne bediening onder hen. Indien de vruchten van hun weldadigheid overvloedig waren voor den apostel, dan bleek daaruit dat de vruchten zijner bediening overvloedig waren voor hen.
IV. Hij zorgt te voorkomen het slechte gebruik, dat sommigen maken konden van zijn grote dankbaarheid voor hetgeen hem gezonden was. Die kwam niet voort uit ontevredenheid of wantrouwen, vers 11, of uit gierigheid en wereldsgezindheid, vers 12. Zij kwam niet voort uit ontevredenheid of wantrouwen van de Voorzienigheid. Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek, vers 11 :zomin gebrek dat hij leed als gebrek dat hij vreesde. Wat het eerste betrof: hij was tevreden met het weinige dat hij had, en dat voldeed hem, en ten opzichte van het laatste, hij rekende op Gods Voorzienigheid, die hem van dag tot dag het nodige geven zou, en dat was hem genoeg, zodat hij in geen enkel opzicht sprak uit gevoel van behoefte.
Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. Wij zien hier wat Paulus geleerd had, niet aan de voeten van Gamaliël, maar aan de voeten van Christus. Hij had geleerd vergenoegd te zijn, en dat was de les, die hij zo goed als de meeste mensen leren moest, met het oog op de gevaren en ontberingen, waaraan hij blootgesteld was. Hij was gevangen, en had behoeften, en dat menigmaal, maar hij had geleerd in dat alles tevreden te zijn, dat is, zijn geest tot tevredenheid te brengen en de lichtzijde van de dingen te zoeken. Ik weet vernederd te worden en ik weet ook overvloed te hebben, vers 12. Dat is een bepaalde werking der genade, waardoor wij ons schikken in alle omstandigheden des levens, en gelijkmoedigheid bewaren onder alle veranderingen van onzen toestand.
1. Ons gewennen aan den droevigen toestand, te weten vernederd te worden, hongerig te zijn, gebrek te lijden, zodat wij niet door de verzoeking overwonnen worden, of ons geloof in God verliezen en Zijn voorzienigheid gaan wantrouwen, of enig verkeerd middel gebruiken om in onze behoeften te voorzien.
2. Overvloed te hebben: te weten hoe overvloed te verdragen, hoe van alles voorzien te zijn zonder hoogmoedig, of onafhankelijk, of weelderig te worden. En die laatste les is even moeilijk als de eerste, want de verzoekingen van overvloed en voorspoed zijn niet kleiner dan die van droefenis en gebrek. Maar hoe zullen wij dat leren? Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft, vers 13. Wij hebben behoefte aan de kracht van Christus, om ons te bekwamen tot vervulling van deze plichten, die zuiver Christelijk zijn, en niet alleen van deze, maar ook van alle gewone burgerlijke plichten. Wij hebben Zijne kracht nodig om ons te leren tevreden te zijn in elke toestand. Het kon schijnen, dat de apostel roemde op zich zelven en zijn eigen kracht: Ik weet vernederd te worden, vers 12, maar hier brengt hij allen lof aan Christus. "Hoe spreek ik van te weten vernederd te worden en overvloed te hebben! Alleen door Christus, die mij kracht geeft, ben ik daartoe instaat, niet in mijn eigen kracht." Zo wordt van ons geëist: Weest sterk in den Heere en in de sterkte Zijner kracht, Efeze 6:10, en :Wees sterk in de genade, welke is in Christus Jezus, 2 Timotheus 2:1, en wij worden versterkt met kracht door Zijnen Geest naar den inwendigen mens, Efeze 3:16. Het oorspronkelijke woord, en tooi endunamoenti me, duidt aan een tegenwoordige en aanhoudende handeling alsof hij zei: "Christus sterkt mij en blijft mij onafgebroken sterken, door Zijn voortdurende en telkens vernieuwende kracht ben ik tot dat alles instaat, op Hem verlaat ik mij geheel voor mijn geestelijke kracht.
3. Het komt niet van gierigheid of wereldsgezindheid: Niet dat ik de gave zoek, vers 17, dat is: ik verheug mij over uw vriendelijkheid, niet omdat ze bijdraagt tot mijn gemak, maar omdat ze in uw voordeel is. Hij begeerde het veel meer om hunnentwil, dan voor zich zelven: Ik zoek de vrucht, die overvloedig is tot uwe rekening, dat is: mocht gij zo goed gebruik maken van uw aardse bezittingen, dat gij er eens met blijdschap rekenschap van geven kunt. Mijn doel is niet om zelf nog meer van u te trekken, maar om u te bemoedigen tot zulk een oefening van weldadigheid, als hiernamaals heerlijk zal beloond worden. Ik voor mij, zegt hij, heb alles ontvangen, en ik heb overvloed, vers 18. Wat kan iemand meer begeren dan genoeg? Ik begeer geen gaven om de gaven zelf, want ik heb overvloed. Zij zonden hem een klein bewijs van liefde, maar hij begeert niet meer, hij vroeg niet naar tegenwoordigen overvloed of naar toekomstige voorziening: Ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb dat van u gezonden was. Een goed man heeft spoedig genoeg van werelds goed, ook zelfs genoeg van het leven in deze wereld. Een gierige wereldling, al heeft hij nog zoveel, wil altijd meer hebben, maar een hemels Christen, al heeft hij nog zo weinig, heeft genoeg.
V. De apostel verzekert hun, dat God hun vriendelijkheid jegens hem heeft aangenomen en zal belonen.
1. Hij nam het aan als een welriekenden reuk, een aangename offerande, Gode welbehaaglijk. Het was als vrucht van de hun geschonken genade Gode aangenamer dan het Paulus was als vervulling van zijn nooddruft.
Zulke offeranden zijn Gode aangenaam, Hebreeën 13:16.
2. Hij zou het belonen. Doch mijn God zal naar Zijnen rijkdom vervullen al uwe nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus, vers 19. Hij trekt hier een wissel op den groten schatmeester in den hemel, hij laat het aan God over om de beloning te bepalen voor hun vriendelijkheid jegens hem. Hij zal het doen, niet enkel als uw God, maar als mijn God, die hetgeen mij gedaan is beschouwt als aan Hem zelven gedaan. Gij hebt in mijn behoeften voorzien, naarmate mijner armoede, Hij zal in de uwe voorzien, overeenkomstig Zijn rijkdom. Maar: door Christus Jezus, van Hem hebben wij de genade ontvangen om te doen wat goed is, van Hem moeten wij daarvoor de beloning verwachten. Niet door schuld, maar door genade, want hoe meer wij voor God doen, des te meer zijn wij verplicht voor Hem te doen, omdat wij dan des te meer van Hem ontvangen.