Titus 1:1-4
Hier is de voorrede voor den brief.
I. De schrijver Paulus, een heidense naam door den apostel der heidenen aangenomen, Handelingen 13:9, 46. Dienaren moeten zelfs in kleine zaken zich schikken, opdat zij beteren ingang voor hun werk mogen krijgen. Toen de Joden het Evangelie verwierpen en de heidenen het aannamen, lezen wij niet meer van dezen apostel onder zijn Joodsen naam Saul, maar onder zijn Romeinsen naam Paulus. Een dienstknecht Gods en een apostel van Jezus Christus. Hier wordt hij genoemd in zijn betrekking en zijn dienst. Een dienstknecht Gods, niet alleen in den algemenen zin, als man en als Christen, maar bepaald als dienaar, dienende God in het Evangelie van Zijnen Zoon, Romeinen 1:9. Dat is een hoge eer, het is de heerlijkheid der engelen, dat zij zijn gedienstige geesten, die uitgezonden worden ten dienste van degenen, die de zaligheid beërven zullen, Hebreeën 1:4. Paulus wordt voornamelijk beschreven als een der eerste dienaren, een apostel van Jezus Christus, iemand die den Heere gezien had, door Hem onmiddellijk geroepen en afgevaardigd was, en zijne leer van Hem ontvangen had. Merk hier op: De voornaamste dienaren zijn slechts dienstknechten. Veel godsvrucht en toewijding zijn bedoeld in de opschriften en brieven. De apostelen van Jezus Christus, die gebruikt werden om den godsdienst te verspreiden en te bevorderen, waren daarin ook dienstknechten Gods, zij deden niets in tegenstelling met de waarheden en plichten van den natuurlijken godsdienst. Het Christendom, dat zij verkondigden, was er op aangelegd om deze natuurlijke beginselen te verhelderen en te versterken, zowel als ze te bevorderen, en er aan toe te voegen wat nodig was in den toestand van ontaarding en opstand, waarin de mens verkeert. Derhalve waren de apostelen van Jezus Christus dienstknechten Gods, naar het geloof der uitverkorenen Gods. Hun leer kwam overeen met het geloof van Gods uitverkorenen van het begin der wereld, en was het middel om dat te vermeerderen en te verbreiden. Merk op: Er zijn uitverkorenen Gods, 1 Petrus 1:2, en in hen werkt de Heilige Geest kostelijk geloof, geschikt voor hen, die uitverkoren zijn ten eeuwigen leven, 2 Thessalonicenzen 2:13, 14. God heeft van den beginne u verkoren tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid, waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie. Geloof is het eerste artikel van de heiligmaking. En de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is. Het Evangelie is de waarheid, de grote, zekere, zaligende waarheid, Colossenzen 1:5, het woord van de waarheid des Evangelies. Goddelijk geloof rust niet op feilbare redeneringen en waarschijnlijke denkbeelden, maar op het onfeilbare woord, de waarheid zelf, die naar de godzaligheid is, van een goddelijke natuur en strekking, rein en het hart van den gelovige reinigende. Beoordeel naar dit kenmerk de leringen en de geesten, of zij uit God zijn of niet, wat onzuiver is en tegen de ware godsvrucht en den praktischen godsdienst, kan niet van goddelijken oorsprong zijn. Alle Evangelische waarheid is naar de godzaligheid, onderwijzende en aankwekende eerbied en vreze voor God en gehoorzaamheid aan Hem, het is de waarheid, die niet alleen gekend, maar ook erkend moet worden, zij moet voorgehouden worden in leer en leven, Filippenzen 2:15, 16. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid, Romeinen 10:10. Zij, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, kennen en geloven niet zoals zij moesten doen. Het voorname doel van de bediening des Evangelies en de voornaamste strekking van zijn inhoud is deze kennis en dit geloof te brengen, en de erkenning en belijdenis van de waarheid, die naar de godzaligheid is. Het onderwijs daarin is het voornaamste doel, evenals de bevestiging in dat geloof. In de hope des eeuwigen levens, vers 2, Dit is verder de bedoeling van het Evangelie, om de hoop zowel als het geloof te bevestigen, het hart en de ziel van deze wereld af te trekken en op te heffen tot den hemel en de dingen, die boven zijn. Het geloof en de godzaligheid der Christenen leiden tot het eeuwige leven, en geven daarvan de hoop en wel gegronde verwachting, want God, die niet liegen kan, heeft het beloofd. Het is Gods eer dat Hij niet liegen of bedriegen kan, en dat is de troost der gelovigen, wier schat in Zijn getrouwe beloften opgelegd is. Maar hoe kan gezegd worden dat God ze beloofd heeft voor de tijden der eeuwen? Door belofte verstaan sommigen Zijn eeuwig besluit, Hij nam het voor in Zijn eeuwigen raad, welke als `t ware Zijn belofte in beginsel was. Anderen menen dat pro chronoon aiconioon bedoelt voor de tijden, of vele jaren geleden, met heen wijzing naar de belofte schemerend gedaan in Genesis 3:15. Hier is de vastheid en oudheid van de belofte van eeuwig leven aan de heiligen. God, die niet liegen kan, heeft beloofd voor de tijden der eeuwen, dat is, in zeer oude tijden. Hoe heerlijk is dus het Evangelie, dat reeds zo vroeg het onderwerp van goddelijke beloften was! Hoe hoog moet het door ons gewaardeerd worden en hoeveel reden tot dankbaarheid hebben wij voor onze voorrechten boven hen, die voor ons geweest zijn! Zalig zijn uwe ogen, omdat zij zien, enz. Geen wonder dat de verwerping van dat Evangelie gestreng gestraft zal worden, nu Hij het niet alleen van oude tijden beloofd heeft, maar ook geopenbaard te Zijner tijd, vers 2. Zijn woord door de prediking. Dat is: Hij heeft Zijne belofte, die in vroegere tijden duister was, te Zijner tijd, (den vooraf daarvoor bepaalden tijd) duidelijk gemaakt, door de prediking, hetgeen sommigen noemen de dwaasheid der prediking is daardoor in ere gekomen.
Het geloof is door het gehoor, en het gehoor door het woord Gods, door het gepredikte woord.
Die mij toebetrouwd is. De bediening is een toevertrouwd goed, niemand neemt zich zelven die eer, maar die daartoe geroepen is, en zij, die geroepen zijn, moeten het woord prediken, 1 Corinthiërs 9:16 :Wee mij indien ik het Evangelie niet predik. Dienaren, die niet prediken, zijn des apostels opvolgers niet. Naar het beeld van God, onzen Zaligmaker. De prediking is een werk, bevolen door God onzen Zaligmaker. Zie hier een bewijs voor de godheid van Christus: Christus had Paulus, bij zijne bekering, het Evangelie toevertrouwd. Handelingen 9:15, 17, 22: 10, 14, 15, en ook toen Christus hem verscheen, vers 17, 21. Hij is dus deze Zaligmaker, hoewel de gehele Drie-eenheid daarin werkt. De Vader maakt zalig door den Zoon, door de werking des Geestes, en zij zenden de dienaren. Laat dus niemand tevreden zijn met menselijke roeping, zonder roeping van Godswege, Hij voorziet, geeft aandrang, en aanstelling en gelegenheid voor het werk.
II. De persoon, aan wie de brief geschreven wordt.
1. Zijn naam: Titus, een heidense Griek, maar geroepen tot het geloof en tot de bediening. De genade Gods is vrijmachtig en machtig. Welke waarde of voorbereiding was er in iemand van heidense afkomst en opvoeding?
2. Zijn geestelijke betrekking tot den apostel.
Mijn oprechten zoon, niet door natuurlijke geboorte, maar door bovennatuurlijke geboorte.
Ik heb u gebaard door het Evangelie, schreef hij aan de Corinthiërs, 1 Corinthiërs 4:15. Dienaren zijn de geestelijke vaders van hen, voor welken zij de middelen ter bekering geweest zijn, en moeten hen teder liefhebben en verzorgen, en zijn verantwoordelijk voor hun verzorging. Mijn oprechten zoon naar het gemeen geloof, het geloof, dat alle wedergeboren gemeenschappelijk hebben, en dat gij in waarheid hebt en toont in uw leven. Dit wordt gezegd om Titus te onderscheiden van huichelaars en valse leraren, en hem aan te bevelen bij de Cretensen, als zijnde een levend evenbeeld van den apostel zelf, in geloof en leven en goddelijke leer. Aan dezen Titus, den apostel zo dierbaar, schrijft hij.
III. De begroeting en het gebed, hem allen zegen toewensende. Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader en den Heere Jezus Christus, onzen Zaligmaker. Hier zijn:
1. Genade, de vrije gunst van God en aanneming door Hem. Barmhartigheid, de vrucht van die gunst, in de vergeving der zonden en vrijmaking van al haar ellenden, beide hier en hiernamaals. En vrede, het werkelijk gevolg van barmhartigheid. Vrede met God door Christus, die onze vrede is, en met de schepselen en met ons zelven, uitwendige en inwendige vrede, die alle mogelijke goeds bevat, dat ons geluk uitmaakt voor tijd en eeuwigheid. Genade is de bron van alle zegeningen. Barmhartigheid, vrede en alle goeds komen uit haar voort. Die Gods gunst deelachtig wordt, heeft alles wat goed is.
2. Deze zegeningen worden toegewenst van God den Vader, de fontein van alles goeds. Elke zegen en elke vertroosting komt tot ons van God als een Vader. Hij is de Vader van allen, als Schepper, maar van de gelovigen door aanneming en wedergeboorte. En van den Heere Jezus Christus, onzen Zaligmaker, als de weg en het middel, waardoor ze verworven en uitgedeeld worden. Alles komt van den Vader door den Zoon, die van nature Heere is, de erfgenaam van alle dingen, en onze Heere, Verlosser en Hoofd, die al Zijn leden bestuurt en regeert. Allen zijn onder Hem gesteld, wij hangen van Hem af en zijn Hem onderwerping en gehoorzaamheid verschuldigd. Hij is Jezus en Christus, de gezalfde Zaligmaker, en bepaald onze Zaligmaker, van ons, die in Hem geloven, Hij heeft ons verlost van zonde en hel, en den hemel en de gelukzaligheid gebracht. Zover gaat de inleiding van den brief, daarop volgt het begin van de behandeling van het onderwerp, door Titus te zeggen waarom hij hem te Creta gelaten had.