Handelingen 16:6-15
In deze verzen hebben wij:
I. Paulus' heen en weer trekken om overal goed te doen.
1. Hij en Silas, zijn medearbeider, gingen door Frygië en het land van Galatië, waar het Evangelie reeds geplant scheen te zijn, maar of het al of niet door Paulus' hand was geschied, wordt niet gemeld, het is wel waarschijnlijk, want in zijn brief aan de Galaten spreekt hij van zijn verkondigen van het Evangelie aan hen de eerste maal, als hij hen doet gedenken, hoe welgezind zij hem toen waren, Galaten 4:13-15. En uit dezen brief blijkt ook, dat de Joods gezinde leraren aan deze gemeenten van Galatië zeer veel kwaad hadden gedaan, hen tegen Paulus bevooroordeeld hadden en van het Evangelie van Christus hadden afgeleid, waar hij hen strengelijk om bestraft. Waarschijnlijk was dit echter lang daarna.
2. Het werd hun toen niet toegelaten het Evangelie te verkondigen in Azië (het eigenlijk aldus genoemde land,) hetzij omdat het niet nodig was, wijl anderen daar aan den arbeid waren, of omdat de mensen er nog niet bereid waren het te ontvangen, zoals zij het later waren, Hoofdstuk 19:10, toen allen, die in Azië woonden, het woord van den Heere Jezus hoorden, of naar de mening van Dr. Lightfoot, omdat Christus Paulus toen op een nieuw arbeidsveld wilde gebruiken, nl. om het Evangelie te prediken aan ene Romeinse kolonie te Filippi, want tot nu toe waren de Heidenen, tot wie hij had gepredikt, Grieken. De Romeinen waren bij de Joden meer gehaat dan andere Heidenen, hun heirlegers waren de gruwel der verwoesting, en daarom is onder anderen dit zo buitengewoon in zijne roeping daar heen, dat hem niet toegelaten wordt het Evangelie te prediken in Azië, en andere plaatsen, opdat hij dáár zou gaan prediken, hetgeen ene aanduiding is, dat in latere tijden het licht des Evangelies meer Westwaarts dan Oostwaarts zou verspreid worden. Het was de Heilige Geest, die hen verhinderde, hetzij door stille toefluisteringen in het hart van beiden, die, toen zij er met elkaar over spraken, bleken van gelijke strekking te zijn, en gekomen te zijn van dezelfden Geest, of wel doordat profeten in den naam des Geestes tot hen gesproken hebben. De verwijdering van leraren, en het uitdelen van de middelen der genade door hen, staan op bijzondere wijze onder de leiding en het bestuur van God. Aan een Oud-Testamentische leraar werd het prediken eens geheel en al verboden, Ezechiël 3:26, gij zult stom worden. Maar aan deze Nieuw-Testamentische leraren wordt slechts verboden te prediken in ene bepaalde plaats, omdat zij heengeleid worden naar ene andere plaats, waar hun prediking meer nodig is.
3. Zij hadden naar Bithynië willen gaan, maar het werd hun niet toegelaten, de Geest liet het hun niet toe, vers 7. Zij kwamen te Mysië, en, naar het schijnt, hebben zij daar het Evangelie gepredikt, want hoewel het een zeer geminacht land was, spreekwoordelijk geminacht, want Mysorum ultimus, in Cicero, is een allerverachtelijkst mens, hebben de apostelen het toch niet versmaad, om het te bezoeken, daar zij zich schuldenaars bekenden beiden van wijzen en onwijzen, Romeinen 1:14. In Bithynië was de stad Nicaea gelegen, waar het eerste algemene concilie gehouden werd tegen de Arianen, naar deze landen heeft Petrus zijn' brief gezonden, 1 Petrus 1:1. En hier waren bloeiende gemeenten, want hoewel hun thans het Evangelie niet werd gezonden, hebben zij het toch niet lang daarna ontvangen. Merk op, dat hoewel hun oordeel en hun neiging was om naar Bithynië te gaan, hebben zij toch, na op buitengewone wijze den wil van God te hebben leren kennen, er zich door laten leiden, tegen hun eigen wil in. Wij moeten thans de leiding van Gods voorzienigheid volgen, ons aan de leiding van deze wolk- en vuurkolom onderwerpen, en indien deze ons niet toelaat te doen wat wij pogen te doen, er in berusten, en geloven, dat het voor ons het beste is. De Geest van Jezus liet het hun niet toe, luidt in vele handschriften de lezing van dien tekst. De dienstknechten van den Heere Jezus moeten altijd onder het bedwang en de leiding zijn van den Geest van den Heere Jezus, door welken Hij het hart der mensen bestuurt.
4. Zij zijn Mysië voorbij gereisd, of zijn er door getrokken, volgens anderen, in hun voort- trekken goed zaad zaaiende, zoals wij kunnen onderstellen, en zij kwamen te Troas, de oude, en zo zeer vermaarde stad Troje, of het omliggende land, dat er naar genoemd werd. Hier werd ene gemeente gesticht, want hier vinden wij ene in wezen, Hoofdstuk 20:6, 7, en waarschijnlijk is zij toen, en wel binnen zeer korten tijd gesticht. Te Troas schijnt Lukas Paulus aangetroffen te hebben, en zich bij zijn gezelschap te hebben gevoegd, want van nu aan sluit hij zich, als hij van Paulus' reizen spreekt, meestal in bij zijn gevolg: wij gingen, wij zochten te reizen, vers 10.
II. De bijzondere roeping van Paulus naar Macedonië, dat is: naar Filippi, de hoofdstad, merendeels bewoond door Romeinen, vers 21. Hier hebben wij:
1. Het visioen van Paulus, vers 9. Paulus heeft vele visioenen gehad, soms om hem te bemoedigen, en soms, zoals hier, om hem te besturen in zijn arbeid. Een engel verscheen hem, om hem te kennen te geven, dat het de wil van Christus was, dat hij naar Macedonië zou gaan. Laat hij niet ontmoedigd worden door het beslag dat nu en dan op hem gelegd is, waardoor zijne plannen en voornemens verijdeld werden, want, hoewel hij niet gaan zal waar hij wenste te gaan, zal hij wèl gaan, waar God werk voor hem te doen heeft. Merk nu op:
A. Den persoon, dien Paulus gezien heeft: er was een Macedonisch man staande bij hem, die door zijne kledij of door zijne spraak aan Paulus toescheen dit te zijn, of die hem zei, dat hij dit was. Naar sommigen denken heeft de engel de gedaante van zulk een man aangenomen, of, gelijk anderen denken, heeft hij het beeld van zulk een man voor de verbeelding gebracht van Paulus, die zich in een toestand bevond tussen slapen en waken, zodat hij droomde, dat hij zo iemand zag. Christus wilde, dat Paulus naar Macedonië zou gewezen worden, niet zoals de apostelen op andere tijden door een bode van den hemel hier- of daarheen gewezen werden, maar door een bode van dat land zelf, om hem er heen te roepen, omdat Hij later de bewegingen zijner dienstknechten gewoonlijk op die wijze wilde leiden, nl. door het hart van hen, die behoefte aan hen hebben, te neigen om hen te nodigen, te roepen. Paulus zal naar Macedonië geroepen worden door een Macedonisch man, die in naam der overigen tot hem spreekt. Sommigen houden dien man voor den beschermengel van Macedonië, daar zij onderstellen, dat aan engelen de zorge is opgedragen voor bijzondere plaatsen zowel als voor personen, en dat dit te kennen wordt gegeven in Daniël 10:20, waar wij lezen van den Vorst der Perzen en den Vorst van Griekenland, die engelen schijnen geweest te zijn. Doch er is hier gene zekerheid voor. Er was voor de ogen van Paulus, of voor zijn' geest, ene voorstelling van een Macedonisch man. De engel moet niet zelf het Evangelie prediken aan de Macedoniërs, maar moet Paulus tot hen brengen. Ook moet hij hem met het gezag eens engels niet gebieden te gaan, maar in den persoon van een Macedonisch man hem nodigen te komen. Een Macedonisch man, geen overheidspersoon van dat land, nog veel minder een priester, (Paulus was niet gewoon van de zodanige uitnodigingen te ontvangen), maar een gewoon inwoner van dat land, een eenvoudig man, die in zijn gelaat het kenmerk droeg van rechtschapenheid en ernst, een man die niet kwam om met Paulus te schertsen of te beuzelen, maar die in allen ernst kwam om hem dringend om hulp en bijstand te vragen.
B. De uitnodiging tot hem gericht. Die eerlijke Macedoniër bad hem, zeggende: Kom over in Macedonië, en help ons, dat is: "Kom, en predik ons het Evangelie, laat ons het voorrecht en voordeel hebben van uwen arbeid".
a. Gij hebt velen geholpen, wij hebben van personen uit verschillende landstreken gehoord, dat gij hun nuttig en tot zegen geweest zijt, waarom zouden wij dan ons deel niet hebben van dien zegen? Kom, en help ons". De zegen, die anderen door het Evangelie ontvangen hebben, moet ons opwekken er onderzoek naar te doen.
b. "Het is uw levenswerk en uwe verlustiging om arme zielen te helpen: gij zijt een geneesmeester voor de kranken, en zijt bereid tot iedere zieke te komen, die u roept, o! kom en help ons.
c. "Wij hebben, evenals andere mensen, uwe hulp nodig, wij, in Macedonië, zijn even onwetend en onverschillig omtrent den Godsdienst, als wie ook in de wereld, even afgodisch, even vol van ondeugden als anderen, even vernuftig en naarstig om ons zelven in het verderf te storten, en daarom, kom, o kom spoedig tot ons. Zo gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons".
d. De weinigen onder ons, die enig besef hebben van de dingen, enige bezorgdheid hebben voor hun zielen en voor de zielen van anderen, hebben gedaan wat met behulp van het licht der natuur gedaan kon worden, ik heb het mijne gedaan, wij hebben het mogelijke aangewend om onze naasten te bewegen God te vrezen en te aanbidden, maar wij vermogen zeer weinig op hen. O kom! kom gij tot ons over, en help ons. Het Evangelie dat gij predikt, heeft kracht en beweeggronden, oneindig groter, dan waarvan wij voorzien zijn".
e. Help ons niet slechts met uwe gebeden hier, dat volstaat niet, gij moet tot ons overkomen en ons helpen". De mensen hebben grote behoefte aan hulp voor hun zielen, en het is hun plicht er naar uit te zien, en diegenen uit te nodigen om tot hen te komen, die in staat zijn hen te helpen.
2. De verklaring, die aan het visioen gegeven werd, vers 10, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had om daar het Evangelie te prediken, en zij waren bereid te gaan, waar de Heere hen riep. Soms kunnen wij ene roeping Gods afleiden uit ene roeping van mensen. Als een Macedonisch man zegt: Kom, en help ons, besluit Paulus hieruit, dat God zegt: Ga, en help hen. Evangeliedienaren kunnen met grote vreugde en goeden moed voortgaan in hun werk, als zij bemerken, dat Christus hen roept, niet slechts om het Evangelie te prediken, maar het op dezen tijd, aan deze plaats, aan dit volk te prediken.
III. Hoe Paulus toen naar Macedonië reisde.
Hij is dit hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest, maar is de Goddelijke leiding veel blijmoediger en met veel meer voldoening gevolgd, dan hij zijne eigene neigingen of bedenksels gevolgd zou zijn. 1. Derwaarts richtte hij zijne gedachten. Nu hij de bedoeling Gods in deze zaak kende, is hij tot een besluit gekomen, want dit was alles wat hij verlangde. Nu denkt hij niet meer aan Azië, of Bithynië, maar wij zochten terstond naar Macedonië te reizen. Paulus alleen had dit gezicht, maar hij heeft het zijn metgezellen meegedeeld, en toen besloten zij allen naar Macedonië te gaan. Gelijk Paulus Christus wil volgen, zo willen alle de zijnen hem volgen, of liever met hem Christus volgen. Terstond maken zij de zaken gereed voor deze onderneming. Aan Gods roepstem moet terstond gehoor worden gegeven, gelijk onze gehoorzaamheid niet betwist moet worden, zo moet zij ook niet worden uitgesteld, doe het heden, opdat het hart niet verhard worde. Merk op: Zij konden niet terstond naar Macedonië gaan, maar zij hebben terstond gezocht er heen te gaan. Als wij niet zo snel en vlug kunnen zijn in de uitvoering van ons werk, dan kunnen wij het toch wèl wezen in onze pogingen er toe, en dat zal door God worden aangenomen.
2. Daarheen richtte hij zijn gang. Met de eerste scheepsgelegenheid, en den eersten gunstigen wind voeren zij af van Troas, want nu God hen elders riep, konden zij er zeker van zijn, dat zij, wat zij daar te doen hebben gehad, gedaan hadden. Zij liepen recht naar Samothrace, dat is: zij hadden ene voorspoedige reis, en den volgenden dag naar Neapolis, ene stad binnen de grenzen van Thracië en Macedonië, eindelijk landden zij te Filippi, ene stad, genoemd naar Filippus, koning van Macedonië, den vader van Alexander den Grote. In vers 12 wordt gezegd, dat zij de voornaamste stad is van dat deel van Macedonië , of, gelijk sommigen het lezen, de eerste stad, d.i. de eerste stad, waar zij na Troas aankwamen, zodat zij, evenals een leger, dat een vreemd land binnendringt met de bedoeling het te veroveren, begint met de eerste plaats, waar het aankomt, tot onderwerping te brengen, zo hebben ook Paulus en zijne helpers gedaan, zij begonnen met de voornaamste stad, omdat, indien het Evangelie daar ontvangen wordt, het gemakkelijk zou zijn om het vandaar over het gehele land te verspreiden. Het was ene kolonie. Niet slechts hadden de Romeinen er een garnizoen, maar de inwoners der stad waren Romeinen, ten minste de magistraten, zij die de regering uitoefenden. Er was daar het grootste aantal en de grootste verscheidenheid van mensen, en daarom de beste gelegenheid om er goed te doen.
IV. De koele ontvangst, die aan Paulus en zijne metgezellen te Filippi te beurt viel. Men zou gedacht hebben, dat zij, zulk ene bijzondere roeping van God ontvangen hebbende om daar heen te gaan, er een blij welkom zouden hebben, zoals Petrus van Cornelius ontving, toen de engel hem daar heen had gezonden. Waar was de Macedonische man, die Paulus gebeden had om in aller ijl daar heen te gaan? Waarom heeft hij zijn landgenoten niet opgewekt, sommigen van hen ten minste, om Paulus tegemoet te gaan? Waarom is hij niet plechtig tot hen ingeleid, zijn hem de sleutels der stad niet ter hand gesteld? Hier geschiedt niets van dien aard, want:
1. Het duurt tamelijk lang eer er enige notitie van hem genomen wordt. Wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen, waarschijnlijk in ene herberg en op hun eigene kosten, want zij hadden geen vriend om hen ook zelfs maar tot een middagmaal te nodigen, voordat Lydia hen welkom heette. Zij waren met allen spoed derwaarts heengegaan, maar nu zij er zijn, komen zij schier in verzoeking te denken, dat zij evengoed weg hadden kunnen blijven. Maar het was aldus verordineerd ter hunner beproeving, of zij de smart konden dragen van zwijgen en rusten, als dat hun deel en lot is. Die bij uitstek nuttige en voorname mannen, die niet weten veronachtzaamd te worden, zijn niet geschikt om in de wereld te leven. Laat geen Evangeliedienaar het vreemd vinden, als hij na met sterken aandrang naar ene plaats beroepen te zijn, als hij komt met stijfheid en ergdenkendheid wordt ontvangen. 2. Als zij ene gelegenheid hebben om te prediken dan is het slechts in ene afgelegene plaats, en voor een klein en onaanzienlijk gehoor, vers 13. Er schijnt daar gene synagoge der Joden geweest te zijn om ene deur van toegang voor hen te wezen, en zij gingen nooit naar de afgodstempels der Heidenen om daar voor de bijeengekomenen te prediken, maar, na een onderzoek te hebben ingesteld, ontdekten zij ene kleine bijeenkomst van vrome vrouwen, die proselieten der poort waren, en hun dankbaar zullen zijn, als zij voor haar willen prediken. De plaats dier bijeenkomst is buiten de stad, dáár werd zij oogluikend toegelaten, terwijl zij binnen de stadsmuren niet geduld zou worden. Het was ene plaats waar het gebed placht te geschieden, proseuchê -volgens sommigen, waar een huis des gebeds was, ene kapel, of ene kleine synagoge. Ik neem het echter liever, zoals wij het lezen, waar het gebed placht te geschieden. Zij, die den waren God aanbaden, en gene afgoden wilden aanbidden, kwamen dáár bijeen, om, overeenkomstig de beschrijving van de oudste en algemene wijze van Godsverering, den naam des Heeren aan te roepen. Elke dag bad ieder hunner afzonderlijk, dat is altijd de wijze van doen geweest van hen, die God aanbaden, maar daarenboven kwamen zij bijeen op den sabbatdag. Hoewel zij weinigen waren in getal, onder afkeuring lagen van de stad, hoewel de plaats hunner bijeenkomst op een afstand lag, en er, voor zoveel blijkt, slechts vrouwen bijeenkwamen, toch zal God ene plechtige vergadering van aanbidders hebben op den sabbat, zo dit maar enigszins mogelijk is, en als wij niet kunnen doen wat wij wensen, dan moeten wij doen wat wij kunnen, als wij gene synagogen hebben, dan moeten wij dankbaar zijn ook voor ene meer bescheidene plaats van samenkomst en er heengaan, onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten naar wij er de gelegenheid toe hebben. Deze plaats was aan de rivier, wellicht gekozen, omdat zij gunstig was voor stille overpeinzing. Van afgodendienaars wordt gezegd, dat hun deel is aan de gladde stenen der beken, Jesaja 57:6. Maar deze proselieten hadden misschien het oog op het voorbeeld van de profeten, van wie de een zijne visioenen had aan de rivier Kebar, Ezechiël 1:1, en een ander aan den oever van de grote rivier Hiddekel, Daniël 10:4. Daarheen gingen Paulus, Silas en Lukas, en zaten er neer, om de bijeengekomenen te onderwijzen, ten einde beter met haar te kunnen bidden. Zij spraken tot de vrouwen, die samengekomen waren, moedigden haar aan in het beoefenen der Godsvrucht, naar het licht, dat zij hadden, en leidden haar verder tot de kennis van Christus.
V. De bekering van Lydia, die waarschijnlijk daar de eerste was in wie geloof aan Christus gewerkt was, hoewel niet de laatste. In deze geschiedenis der Handelingen vinden wij niet alleen de bekering van plaatsen vermeld, maar ook van vele afzonderlijke personen, want zo groot is de waardij der zielen, dat het ene zaak van groot gewicht is, als er ene tot God wordt gebracht! Ook hebben wij er niet alleen de bekeringen, die door een wonder werden gewerkt, zoals die van Paulus, maar ook die welke door de gewone middelen der genade werden tot stand gebracht, zoals die van Lydia hier. Merk op:
1. Wie deze bekeerlinge was, aan wie zulk ene bijzondere aandacht wordt geschonken. Vier dingen worden hier nopens haar meegedeeld.
A. Haar naam, Lydia. Het is haar ene ere, dat haar naam in het boek Gods wordt vermeld, zodat, alwaar deze Schriften gelezen zullen worden, daar zal dit van haar worden verhaald. De namen der heiligen zijn Gode dierbaar, en zij behoren ook ons dierbaar te zijn. Onze namen kunnen in den Bijbel niet vermeld worden, maar zo God ons hart opent, zullen wij ze geschreven vinden in het boek des levens, en dat is beter, Filippenzen 4:3, iets om zich nog meer in te verblijden, Lukas 10:20. B. Haar beroep, zij was ene purperverkoopster, hetzij van de verfstof, of van purperen laken of zijde. Merk op:
a. Zij had een beroep, een eerlijk beroep, waarvan de geschiedschrijver nota neemt tot haren lof. Zij was niet een van de vrouwen, van wie de apostel spreekt, 1 Timotheus 5:13, die leren ledig omgaan bij de huizen, en zijn niet alleen ledig enz.
b. Het was een gering, onaanzienlijk beroep, zij was ene purperverkoopster, gene draagster van purper, weinigen van dezulken zijn geroepen. Dat hiervan nota genomen wordt is een wenk voor hen, die een eerlijk beroep uitoefenen, om er zich niet voor te schamen.
c. Hoewel zij voor de zaken van haar beroep had te zorgen, was zij toch ene aanbidster van God, en vond zij den tijd om gebruik te maken van hetgeen tot welzijn van hare ziel kon dienen. De zaken van ons beroep kunnen zeer goed samengaan met de zaken van den Godsdienst, daarom zal het ons niet verschonen van den plicht van Godvruchtige oefeningen in de binnenkamer of met ons gezin, of in de plechtige bijeenkomst der gemeente, om te zeggen: Wij moeten onze winkels verzorgen en nagaan, wij hebben ons beroep te behartigen, want hebben wij niet ook een God om te dienen, ene ziel, voor welker welvaren wij moeten zorgen? De Godsdienst roept ons niet af van onze wereldlijke zaken, maar leidt er ons in. Alles op zijn tijd en plaats.
C. Van welke plaats zij was, van de stad Thyatira, die op een groten afstand was van Filippi. Dáár was zij geboren en opgevoed, maar hetzij te Filippi gehuwd, of door haren handel er toe gebracht om er zich te vestigen. Gelijk Gods voorzienigheid altijd de bepalingen van onze woning verordent, zo verordent zij dikwijls ons vertrekken van de ene plaats naar de andere, en soms maakt zij de verandering in onzen uitwendigen toestand, of plaats onzer inwoning, op wonderbare wijze dienstbaar aan de bedoelingen Zijner genade betreffende onze verlossing en zaligheid. De voorzienigheid Gods brengt Lydia naar Filippi om onder het gehoor van Paulus' prediking te zijn, en zij heeft er een goed gebruik van gemaakt. Zo behoren ook wij van onze gelegenheden een goed gebruik te maken.
D. Haar Godsdienst voordat de Heere haar hart heeft geopend.
a. Zij aanbad God naar de kennis, die zij had, zij was ene van de Godsdienstige vrouwen. Soms heeft de genade Gods gewerkt in personen, die voor hun bekering zeer laag en slecht waren, tollenaars en hoeren, dit waart gij sommigen, 1 Corinthiërs 6:11. Maar soms heeft zij hare werking geoefend in hen, die een goed karakter hadden, in wie iets goeds was, zoals in den Moorman en Cornelius, en nu hier in Lydia. Het is dus niet genoeg God te aanbidden, wij moeten ook geloven in Jezus Christus, want wij kunnen niet komen tot God, als Vader, dan door Hem als Middelaar. Maar zij, die God aanbaden naar het licht, dat zij hadden, zijn op een goeden weg om tot de ontdekking te komen van Christus en Zijne genade, want wie heeft, dien zal gegeven worden, en aan hen zal Christus welkom zijn, want zij, die weten wat het is God te aanbidden, bespeuren hun behoefte aan Christus, en weten gebruik te maken van Zijn Middelaarschap.
b. Zij hoorde de apostelen. Hier, waar het gebed geschiedde, en er gelegenheid toe was, werd het woord gepredikt, want het woord Gods te horen maakt deel uit van de Godsverering, en hoe kunnen wij verwachten, dat God ons gebed zal horen, als wij niet willen horen naar Zijn woord? Zij, die God aanbaden naar het licht, dat zij hadden, zagen uit naar meer licht. Wij moeten voordeel trekken uit den dag der kleine dingen, maar er niet bij blijven staan.
2. Welk werk gewrocht werd in haar, wier hart de Heere had geopend. Merk hier op:
a. Den Auteur van dit werk, het was de Heere, de Heere Christus, aan wie dit oordeel is overgegeven, de Geest des Heeren, die de Heiligmaker is. Bekeringswerk is Gods werk, Hij is het, die beide het willen en het werken in ons werkt, niet alsof wij niets te doen hadden, maar uit ons zelven, zonder Gods genade, kunnen wij niets doen, of alsof Gode het verderf van hen, die omkomen, ook maar in het minst of geringst ten laste gelegd kan worden, maar wèl moet de gelukzaligheid van hen, die behouden worden, geheel en alleen aan Hem worden toegeschreven.
b. Waar dit werk gewrocht werd, het is in het hart, dat de verandering gemaakt wordt, het is aan het hart, dat die zalige wending wordt gegeven. Het was het hart van Lydia, waarop gewerkt is, bekeringswerk is hartewerk, het is ene vernieuwing van het hart, van den inwendigen mens, den geest des gemoeds.
c. Den aard van dit werk, haar hart was niet slechts getroffen, haar hart was geopend. Ene onbekeerde ziel is opgesloten en versterkt tegen Christus, toegesloten zoals de poorten van Jericho tegen Jozua, Jozua 6:1. Als Christus handelt met de ziel, klopt Hij aan de deur, die voor Hem is gesloten, Openbaring 3:20, en als een zondaar wezenlijk en krachtig bewogen wordt om Christus aan te nemen, dan wordt het hart geopend, opdat de Koning der ere inga, het verstand wordt geopend, om het Goddelijk licht te ontvangen, de wil wordt omgebogen om de Goddelijke wet aan te nemen, en de genegenheden worden geleid tot de Goddelijke liefde. Wanneer het hart aldus is geopend, dan is ook het oor geopend voor het woord, de lippen worden geopend voor het gebed, de hand wordt geopend tot liefdadigheid, en de voetstappen worden ruim gemaakt in allerlei betoon van gehoorzaamheid aan het Evangelie.
3. Wat de uitkomst, het gevolg, was van dit werk op het hart.
a. Zij heeft grotelijks acht genomen op het woord van God. Haar hart was zo geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd, zij heeft Paulus' prediking niet slechts gehoord, maar er aandacht aan geschonken. Zij heeft het toegepast op zich zelf (zoals sommigen dit lezen) de dingen, die door Paulus gesproken werden, en dan alleen doet het woord ons goed, en maakt een blijvenden indruk op ons, als wij het op ons zelven toepassen. Dit nu was een blijk en bewijs van het openen van haar hart, en was er de vrucht van. Waar door Gods genade het hart geopend is, zal dit blijken door een naarstig horen van, en acht nemen op, het woord van God, zowel om Christus' wil, wiens woord het is, als om ons zelfs wil, die er zo groot belang bij hebben.
b. Zij heeft zich overgegeven aan den Heere Jezus Christus, en Zijn' heiligen Godsdienst beleden. Zij werd gedoopt, en door die plechtige handeling aangenomen als lid van de gemeente van Christus. Met haar werd ook haar huis, dat is: haar huisgezin, gedoopt, als er kleine kinderen waren, dan werden dezen gedoopt in haar recht, want indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig. En die volwassen waren, werden door haar invloed en gezag met haar gedoopt. Zij en haar huis werden gedoopt, volgens den zelfde regel, waarnaar Abraham en zijn huis besneden werden. c. Zij was zeer vriendelijk jegens de leraren, en zeer begerig om nog verder door hen onderwezen te worden in de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan. Zij bad ons, zeggende: " Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Heere getrouw ben: indien gij mij voor ene oprechte Christin houdt, betoont mij dan uw vertrouwen, komt in mijn huis, en blijft er." Zij verlangde naar ene gelegenheid om hun hare dankbaarheid te betuigen, die het middel waren geweest der Goddelijke genade in de gezegende verandering, welke in haar gewrocht was. Toen haar hart open was voor Christus, was om Zijnentwil haar huis open voor Zijne dienstknechten, en zij waren welkom aan het beste, dat zij had, dat zij niet te goed achtte voor hen, door wie zij zo overvloedige geestelijke dingen had ontvangen. Ja, zij zijn haar niet slechts welkom, maar zij dringt zeer sterk bij hen aan, zij dwong ons, hetgeen te kennen geeft, dat Paulus zeer ongaarne ging, omdat hij vreesde het gezin der nieuwbekeerden tot last te zijn, en er zich op wilde toeleggen het Evangelie van Christus kosteloos te stellen, 1 Corinthiërs 9:18, Handelingen 20:34, opdat zij, die buiten waren, gene aanleiding zouden hebben de predikers van het Evangelie te smaden als listige mannen, die slechts hun eigen voordeel of gewin op het oog hadden, en opdat zij, die binnen waren, gene aanleiding zouden hebben om te klagen over de duurte van hun' Godsdienst. Maar Lydia wilde zich niet laten afwijzen, zij wil niet geloven, dat zij haar voor ene oprechte Christin houden, tenzij zij haar hierin ter wille zijn, zoals Abraham de engelen nodigde, Genesis 18:3 Heb ik nu genade gevonden in uwe ogen, zo ga toch niet van uwen knecht voorbij. Zij verlangde ook naar de gelegenheid om nog verder onderricht te ontvangen. Indien zij hen slechts voor ene wijle in haar huis, haar gezin kon hebben, dan zou zij hen dagelijks kunnen horen, Spreuken 8:34, en niet slechts op de sabbatdagen in de bijeenkomst. In haar eigen huis kon zij hen niet slechts horen, maar hun ook vragen doen, en dan zouden zij ook dagelijks met haar bidden en haar huisgezin zegenen. Zij, die iets van Christus weten, kunnen niet anders dan verlangen om meer van Hem te weten, en gelegenheden zoeken om hun kennis van Zijn Evangelie te vermeerderen.