Filippenzen 1:27-30
De apostel besluit dit hoofdstuk met twee vermaningen.
I. Wekt hij hen op tot nauwgezetheid in den wandel, vers 27. Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus. Zij, die het Evangelie van Christus belijden, moeten wandelen overeenkomstig het Evangelie, zoals het daarbij betaamt en welgevallig is. Die wandel moet zijn zoals past aan hen, die de waarheden des Evangelies geloven, aan de wetten van het Evangelie zich onderwerpen, op de beloften van het Evangelie staat maken, en met daaraan beantwoordend geloof, heiligheid en troost. Hij moet in alle opzichten zijn als van mensen, die tot het koninkrijk Gods behoren en daar leden en onderdanen van zijn. Het is een sieraad voor onze belijdenis, wanneer onze wandel er een deel van uitmaakt. Opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uwe zaken moge horen. Hij had in vers 26 gesproken van zijn terugkeren tot hen, en had daarvan gesproken met enige verzekerdheid, ofschoon hij thans een gevangene was, maar hij wilde niet dat zij daarop zouden rekenen. Onze godsvrucht mag niet afhangen van onze dienaren. "Hetzij ik kom of niet, laat mij het goede van u horen, dat gij vast staat." Hetzij dienaren komen of niet, Christus is er altijd. Hij is dicht bij ons, nooit ver, en verhaast Zijn wederkomst.
De toekomst des Heeren is nabij, Jakobus 5:8. Laat mij van u horen dat gij staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies. Drie dingen begeerde hij van hen te horen, alle overeenkomstig het Evangelie.
1. Het betaamt hun, die het Evangelie belijden, om er voor te strijden, en met heilig geweld het koninkrijk der hemelen te nemen. Het geloof des Evangelies is het leerstuk des geloofs, of van den godsdienst des Evangelies. Het geloof des Evangelies is waard, dat er voor gestreden wordt. Indien de godsdienst iets waard is, dan is hij alles waard. Er is veel tegenstand, en het is nodig te strijden. Een mens, die slaapt, kan ter helle gaan, maar hij, die ten hemel gaan wil, moet rondom zich zien en waakzaam zijn.
2. De enigheid en de eensgezindheid der Christenen is overeenkomstig het Evangelie.
Gezamenlijk strijdende, niet met elkaar strijdende, allen tezamen moeten den gemeenschappelijken vijand tegenstaan. Een hart en een ziel is overeenkomstig het Evangelie, er is een Heere, een geloof, een doop. Er kan eenheid des harten en liefde onder de Christenen zijn, ongeacht verschil van oordeel en opvatting van vele dingen.
3. Standvastigheid is overeenkomstig het Evangelie. Staat in een geest, met een gemoed. Weest standvastig en onbeweeglijk bij allen tegenstand. Het is schande voor den godsdienst, indien zijn belijders nu zo en dan zo zijn, onvast in het gemoed, beweeglijk als water, dan zullen zij nooit uitblinken. Zij, die willen strijden voor het geloof des Evangelies, moeten er vast in staan.
II. Hij vermaant hen tot moed en volharding in het lijden. En dat gij in geen ding verschrikt wordt door degenen, die u tegenstaan, vers 28. De belijders van het Evangelie hebben altijd te doen met tegenstanders, voornamelijk gedurende de stichting van het Christendom. Onze grote zorg moet zijn ons dicht aan onze belijdenis te houden en daarin standvastig te zijn. Welken tegenstand wij ook ontmoeten, wij behoren er niet door verschrikt te worden, en te overwegen dat de toestand van de vervolgden altijd veel beter en begeerlijker is dan die der vervolgers, want vervolgen is een zeker teken van verloren zijn. Zij, die het Evangelie van Christus tegenstaan en zijn belijders onrecht aandoen, zijn voor verwoesting bestemd. Maar vervolgd worden is een teken van redding. Het is wel geen zeker teken, want vele huichelaars hebben ter wille van den godsdienst geleden, maar het is een goed teken, dat wij het ernstig menen met den godsdienst en bestemd zijn voor de zaligheid, wanneer wij bekwaam gemaakt worden om op de rechte wijze om Christus' wille te lijden.
Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, vers 29. Hier worden twee kostbare gaven opgenoemd, en beide met betrekking tot Christus.
1. In Hem te geloven. Het geloof is een gave Gods om Christus' wil, die voor ons niet alleen de zaligheid verwierf, welke het voorwerp des geloofs is, maar ook de genade des geloofs zelf, de bekwaamheid of geschiktheid om te geloven is van God.
2. Te lijden voor de zaak van Christus is evenzeer een onwaardeerbare gave, het is een grote eer en een groot voordeel, want wij kunnen daardoor zeer bevorderlijk zijn voor de verheerlijking Gods, die het doel van onze schepping is, en het geloof van anderen aanmoedigen en versterken. En er kan ook grote beloning voor verwacht worden. Zalig zijt gij als u de mensen vervolgen, want uw loon is groot in de hemelen, Mattheus 5:11, 12. Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen, 2 Timotheus 2:12. Indien wij smaad en verlies om Christus, wil lijden, moeten wij dat beschouwen als een grote gave, en het als zodanig waarderen, altijd tenminste indien wij ons onder het lijden gedragen zo geduldig en lijdzaam als de martelaars en belijders, vers 30. Dezelfden strijd hebbende, hoedanigen gij in mij gezien hebt en nu in mij hoort, dat is, indien gij lijdt op dezelfde wijze als gij gezien hebt en nu hoort dat ik doe. Het is niet alleen het lijden, maar ook de oorzaak, en niet alleen de oorzaak, maar ook de wijze waarop, dat den martelaar maakt. Iemand kan lijden voor een slechte zaak, en dan lijdt hij rechtvaardig. Ook. kan hij lijden voor een goede zaak, maar in verkeerde stemming, en dan verliest het lijden zijn waarde.