2. De heilige en gelovigen broeders in Christus, die te Kolosse zijn: a) genade zij u en vrede van God, onze Vader en de Heere Jezus Christus (
Romeinen 1:17.
Efeze 1:2. en "
1 Thessalonicenzen 1:1.
a) Galaten 1:3. 1 Petrus 1:2
Kolosse was een aanzienlijke en welvarende stad in het zuid-westelijk deel van Frygië, een landschap van Klein-Azië. in de vruchtbare landstreek aan de rivier Lykus, niet ver van Hiërapolis en Laodicea (Hoofdstuk 2:1; 4:13, 15 v.) gelegen. Toen Paulus op zijn derde zendingsreis het land van Galatië en Frygië na elkaar was doorgegaan, om daar de discipelen te versterken, doorreisde hij ook de "bovenste delen", zoals in Handelingen 19:1 staat, om van daar naar Efeze te gaan. Volgens de aanmerking bij Handelingen 18:23b "Ac 18:23" doelt dat op een trekken door de bovengenoemde steden, waarbij door de apostel nog geen gemeente werd gesticht, maar slechts enige kennis werd aangeknoopt en enkele personen tot het Christendom werden bekeerd. Aan deze, waaronder zich Epafras door ijver onderscheidde, een man, die te Kolosse geboren was, lukte het in verloop van tijd bepaalde gemeenten te vormen. Als Paulus schrijft aan gemeenten, door hemzelf gesticht, noemt hij deze ook (behalve in de brief aan de Filippensen, waar hij de gemeente niet met die naam noemt, maar aanspreekt: al de heilige in Christus Jezus, met de opzieners en diakenen. (Filippenzen 1:1 1 Corinthiërs 1:2. 2 Corinthiërs 1:1 Galaten 1:2 1 Thessalonicenzen. 1:1. 2 Thessalonicenzen 1:1 In Romeinen 1:7 bedient hij zich, omdat hij niet te doen heeft met een gemeente door hem gesticht, van de uitdrukking: "allen, die te Rome zijn, geliefden van God en geroepen heiligen! " en in Efeze 1:1, omdat de brief niet aan de Efeziërs voor henzelf alleen, maar als vertegenwoordigers van een reeks van meestal door anderen gestichte gemeenten gericht is, van de uitdrukking "de heilige, die te Efeze zijn en gelovigen in Christus Jezus. " Vinden wij nu hier een dergelijk adres: de heilige en gelovige broeders in Christus, die te Kolosse zijn" (in de beide predicaten is de nieuwe, godsdienstig-zedelijke toestand van de lezers zowel van de objectieve als van de subjectieve kant voorgesteld; zij zijn door het ontvangen van de Heilige Geest aan de macht van de wereld en haar geest ontrukt, en door de persoonlijke gemeenschap met Christus in het geloof tot een nieuwe levensrichting gebracht), zo geeft hij daardoor te kennen, dat hij niet de onmiddellijke stichter is van de gemeente te Kolosse; hij kent in Vers 7 uitdrukkelijk deze ereplaats aan Epafras toe. Over de laatste, die velen ten onrechte voor een en dezelfde houden als Epafroditus, die in Filippenzen 2:25, ; 4:18 genoemd is, weten wij uit Filemon 1:23 dat hij zich tijdens het schrijven van deze brief bij de apostel in diens gevangenschap bevond. In de laatste tijd heeft men veelal gedacht aan de gevangenschap te Cesarea. Tegen deze mening spreken intussen zulke beslissende gronden (vgl. bij Handelingen 24:23), dat wij die best kunnen ruilen voor de andere, volgens welke de gevangenschap te Rome (Handelingen 28:30 v.) bedoeld is. Zonder twijfel heeft hem de zorg voor de gemeente, die hem zo na aan het hart lag (Hoofdstuk 4:12 v.) en die in gevaar was om door dwaalleraars van het ware, vruchtdragende, Christelijke geloof afgetrokken en op zeer gevaarlijke wegen geleid te worden, waar de grondslagen van leer en leven op het spel stonden, tot de reis naar Rome bewogen, om bij Paulus aan te dringen, dat deze vermaningen en terechtwijzingen gaf. De apostel deed dat ook in deze brief, die voor ons ligt, die hij, omdat Epafras nog langer bij hem bleef, om hem in zijn gevangenschap te dienen (Filemon 1:23 vgl. met Colossenzen 4:10) aan Onesimus meegaf, opdat deze hem aan Tychicus te Efeze zou afgeven, welke laatste hem dan aan de gemeente zou bezorgen (zie bij Hoofdstuk 4:7). Wat voor een soort van dwaalleraars het geweest is, door wie de Kolossensen zo zwaar werden bedreigd, zullen wij later moeten nagaan, als wij na de inleiding van de brief het oog vestigen op de eigenlijke inhoud, die uit twee delen bestaat.
Hij noemt hen "heilige broeders", een woord, dat zoals bekend is een afzondering en onderscheiding van een persoon of zaak tot een godsdienstig einde en gebruik aanwijst. Twee dingen worden ons dan door deze kundigheid aangewezen, deels het onderscheid tussen hen en andere mensen, door God zelf gemaakt, deels het bewijs daarvan in hun toewijding van zichzelf aan God. Zij waren heilige, afgezonderde mensen, reeds van eeuwigheid door God zelf uit vrijmachtig verkiezende genade boven anderen uitgekozen, in de tijd door een hemelse en goddelijke roeping, die van boven was, krachtdadig uitgetrokken en dus afgezonderd en onderscheiden gemaakt van de wereld. Door de genade dus bevoorrecht, gedroegen zij zich zoals het de heiligen betaamt. Zij hadden zich met een onbepaalde zielskeuze aan de Heere en Zijn verdiensten gewijd. Zij waren innig verliefd geworden op alles wat de naam van heilig dragen mocht. Zij vonden bijzonder de nauwste vereniging met degenen, die zich heilig in hun gedrag aanstelden. Ja, de vruchten van hun gedrag waren blijkbaar in heiligheid en deugd. Welk gebrek hun toch aankleefde en hoeveel ongelijkvormigheid nog in hen was, als men op het volmaakte zag, echter waren zij ten aanzien van de grondkeuze van hun gemoed en de onophoudelijke poging van hun hart echt als heilige aan te merken en te benoemen.
II. Vers 3-14. Na het adres en de groet gaat de apostel eerst over tot een dankzegging aan God voor de betrekkelijk gunstige toestand van de gemeente, waarover hij bericht had ontvangen door Epafras, die ook het Christendom daar bekend had gemaakt en dit op de juiste manier had gedaan (Vers 3-7). Heeft nu deze hem meegedeeld, die liefde zij, de Kolossensen, die hem, de apostel, niet persoonlijk kenden (Hoofdstuk 2:1), in de geest voor hem voelen (Vers 8), dan toont hij dadelijk zijn wederliefde voor hen door de voorbede, die hij op de dankzegging laat volgen. Hij wijst reeds die punten aan, waarin hun Christendom in gevaar schijnt te zijn ten gevolge van de dwaalleraars, die hen lokken op verkeerde wegen, zowel wat de zedenleer als wat de geloofsleer aangaat. Als hij de inhoud van zijn voorbede nader verklaart, legt hij bijzondere nadruk op juiste kennis en voor God welgevallige wandel en laat hij zijn rede uitlopen op hetgeen Christus' persoon en werk meteen voor alle verkeerde menselijke speculatie beveiligt (Vers 9-14).