Exodus 32:30-35
Gerechtigheid geoefend hebbende over de voornaamste overtreders, handelt Mozes nu verder met het volk en met God.
I. Met het volk om hen tot berouw en bekering te brengen, vers 30. Sommigen waren gedood, maar opdat nu de overigen niet zouden denken dat zij, omdat zij van de doodstraf vrijgesteld waren, nu ook als schuldeloos beschouwd werden, zegt Mozes hier tegen de overlevenden: Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd. Het is de plicht van de leraren aan het volk hun zonden te tonen en de grootheid van hun zonden. "Gij hebt gezondigd, en daarom zijt gij verloren, als uw zonden niet worden vergeven, " zonder een Zaligmaker, voor eeuwig verloren. Het is een grote zonde, en daarom is er groot verdriet over nodig, want het brengt u in groot gevaar. Om hun de grootheid van hun zonde te doen gevoelen, wijst hij er hen op dat het een zeer moeilijke zaak zal zijn, om de twist, die God hierover met hen had, te doen ophouden.
1. Het kon niet gedaan worden, tenzij hijzelf opklimt tot de Heere voor dat doel, om de Heere even lang en even plechtig op te wachten, als hij gedaan heeft om de wet te ontvangen. Maar:
2. Zelfs op die wijze was het slechts, misschien, dat hij verzoening voor hen zou kunnen doen. De zaak stond uiterst hachelijk. Het moet ons overtuigen van het grote kwaad, dat er is in de zonde, dat hij, die het ondernam om verzoening te doen dit geheel geen gemakkelijke zaak vond, hij moet opklimmen tot de Heere met zijn eigen bloed om verzoening te doen. Het boze van de zonde blijkt in de prijs van de vergeving.
Maar het was toch een bemoediging voor het volk, (nadat hun gezegd was dat zij een grote zonde hadden gezondigd) te horen dat Mozes, die zoveel invloed had in de hemel en zo'n ware, oprechte liefde had voor hen, wilde opklimmen tot de Heere, om verzoening voor hen te doen. Met overtuiging van zonde moet vertroosting gepaard gaan, eerst moet men doorwonden, en dan genezen, toon het volk de grootheid van hun zonde, en geef hun dan kennis van de verzoening, en geef hun hoop op genade. Mozes wil opklimmen tot de Heere, hoewel het slechts misschien is, dat hij verzoening zal doen. Christus, de grote Middelaar, ging met grotere verzekerdheid, want Hij was in de schoot van de Vader en kende Zijn raad volkomen. Maar voor ons, arme smekelingen, is het nog bemoediging genoeg in ons gebed om bijzondere zegeningen, dat wij ze misschien zullen verkrijgen, al hebben wij er ook geen volstrekte of bepaalde belofte voor, Zefanja 2:3. "Misschien zult gij geborgen worden." In ons gebed voor anderen moeten wij ootmoedig, dringend en vurig zijn, al is het ook slechts met de gedachte: "of hun God te eniger tijd bekering gave," 2 Timotheus 2:25.
II. Hij doet voorbede bij God, om genade te verkrijgen, waarbij wij hebben op te merken:
1. Hoe aandoenlijk zijn gebed was. Zo keerde Mozes weer tot de Heere, niet om nadere instructies te ontvangen omtrent de tabernakel, er waren nu geen besprekingen meer over deze zaak. Aldus geven de zonden van de mensen en de dwaasheden werk aan hun vrienden en leraren, onaangenaam werk menigmaal, en grote onderbrekingen in het werk, waarin zij zich verlustigen. In zijn gebed geeft Mozes uitdrukking:
a. Aan zijn grote afschuw van de zonden van het volk, vers 31. Hij spreekt als iemand, die geheel overstelpt is van de afschuw er van: Och! dit volk heeft een grote zonde gezondigd. God had hem het eerst er van gesproken, vers 7, en nu spreekt hij er God van, bij wijze van een klacht. Hij noemt hen niet "Gods volk", hij wist dat zij onwaardig waren aldus genoemd te worden, maar "dit volk", dit verraderlijk, ondankbaar volk, zij hebben zich gouden goden gemaakt. Het is voorwaar een grote zonde om van goud onze god te maken, zoals diegenen doen, die het tot hun hoop maken en er hun hart op stellen. Hij onderneemt het niet om de zonde te verontschuldigen of te verkleinen, maar wat hij tot hen gezegd had om hen van de zonde te overtuigen, zegt hij tot God om haar te belijden: Zij hebben een grote zonde gezondigd. Hij kwam niet om verontschuldigingen te maken, maar om verzoening te doen, "Heere, vergeef de zonde, want zij is groot". Psalm 25:11.
b. Zijn grote begeerte naar het welzijn van het volk, vers 32. Nu dan de zonde is niet te groot om door oneindige genade vergeven te worden, en daarom: indien Gij hun zonde vergeven zult. Welnu, Mozes, wat dan? Het is een korte, afgebroken uitdrukking: "Indien Gij dit zult, begeer ik niets meer, indien Gij het zult, zult Gij geloofd en geprezen worden, ik zal voldaan en gelukkig zijn, en dus overvloedig beloond voor mijn tusschenbeide treden." Het is een uitdrukking zoals die van de wijngaardenier, Lukas 13:9 : "indien hij vrucht zal voortbrengen, " of "indien Gij vergeven zult," is zoveel als: "Ach! dat Gij wildet vergeven!" zoals in Lukas 19:42. "Och of gij ook bekende"! gelijk is aan: "Hadt gij toch maar bekend." Doch zo niet, indien het raadsbesluit is uitgegaan, en er geen verhelpen aan is, als zij aan het verderf moeten worden overgegeven, indien de straf, die reeds aan velen voltrokken is, niet volstaat, 2 Corinthiërs 2:6 maar allen uitgedelgd moeten worden, zo bid ik U, delg mij nu uit Uw boek, dat Gij geschreven hebt, dat is: "Indien zij afgesneden worden, zo laat mij met hen afgesneden worden en evenmin als zij in Kanaän komen. Indien geheel Israël moet omkomen, zo wil ik gaarne met hen omkomen, laat dan het land van de belofte mij niet toevallen door overleving." Deze uitdrukking kan opgehelderd worden door Ezechiël 13:9, waar dit gedreigd wordt tegen de valse profeten: Zij zullen in het geschrift van het huis Israëls niet geschreven worden, en in het land Israëls niet komen. God had aan Mozes gezegd dat Hij hem, zo hij in deze zaak niet tussenbeide wilde treden, tot een groot volk zou maken, vers 10. "Neen," zegt Mozes, "het is zó ver van mij af, dat ik mijn naam en mijn geslacht opgebouwd zou willen zien op de ruïne van Israël, dat ik veeleer verkies met hen onder te gaan. Kan ik hun verderf niet voorkomen, laat het mij dan tenminste niet zien, Numeri 11-15, laat mij niet geschreven zijn ten leven, Jesaja 4:3, noch met hen, die getekend zijn ter bewaring, laat mij ten grave nederdalen." Aldus drukt hij zijn tedere liefde uit voor zijn volk, en is een type van de goede Herder, die "Zijn leven stelt voor de schapen," Johannes 10:11, die om de overtreding van Zijn volk afgesneden werd uit het land van de levenden, Jesaja 53:8, uitgeroeid werd maar niet voor Hemzelf, Daniël 9:26. Hij is ook een voorbeeld van belangstelling voor openbare aangelegenheden, ijver voor het algemeen welzijn, inzonderheid voor hen, die openbare ambten bekleden. Alle bijzondere belangen moeten achterstaan bij het welzijn van het algemeen. Het is niet van groot belang wat er van ons in de wereld wordt en van ons gezin, als het de kerk Gods maar wel gaat, en er vrede zij in Israël. Aldus dringt Mozes bij God aan om vergeving, worstelt hij met God, niet zeggende: "Zo Gij niet wilt vergeven, zijt Gij òf onrechtvaardig òf onvriendelijk", neen dat is verre van hem, maar: "Indien niet, zo laat mij sterven met de Israelieten, en dat de wil van de Heere geschiede."
2. Merk op, hoe overtuigend zijn gebed was.
a. God wilde hem niet aan zijn woord houden, neen, Hij wil niemand uitdelgen uit Zijn boek dan hen, die door hun ongehoorzaamheid de eer verbeurd hebben om er in opgeschreven te zijn, vers 33, de ziel, die zondigt, zal sterven, en niet de onschuldigen voor de schuldigen. Ook dit was een aanduiding van genade jegens het volk, dat zij niet allen tezamen verdelgd zouden worden, maar alleen diegenen die de hand hebben gehad in de zonde. Aldus won Mozes langzamerhand veld. God wilde hem niet terstond de volle verzekering geven dat Hij met hen verzoend was, opdat zij, indien de troost van de vergeving al te gemakkelijk verkregen werd, zich niet zouden verstouten om nogmaals iets dergelijks te doen, en zij zich niet genoeg bewust zouden zijn van het kwaad van de zonde. De vertroostingen worden teruggehouden, opdat de overtuiging van zonde des te dieper tot hen zou doordringen. En God wilde hierdoor ook het geloof en de ijver oefenen van Mozes, hun grote voorbidder. En voorts: op Mozes bede belooft God voort te gaan met Zijn vriendelijk voornemen om hun het land Kanaän te geven, het land, waarvan Hij hun gesproken had, vers 34. Daarom zendt Hij Mozes naar hen terug om hen er heen te leiden, hoewel zij hem niet waardig waren, en Hij belooft dat Zijn engel voor hun aangezicht zal gaan, een geschapen engel, die gebruikt werd in de gewone dienst van het rijk van de voorzienigheid, wat te kennen gaf, dat zij niet moeten verwachten, dat er in het vervolg iets buiten de weg van de gewone voorzienigheid voor hen gedaan zal worden, niets buitengewoons. Mozes heeft later een belofte gekregen van Gods bijzondere tegenwoordigheid met hen, Hoofdstuk 33:14, 17, maar voor het ogenblik was dit alles, waarvoor hij heeft overwonnen.
b. Toch dreigt Hij deze zonde tegen hen te zullen gedenken, als Hij later reden zal hebben om hen voor andere zonden te straffen: ten dage van Mijn bezoeking, zal Ik aan hen hun zonde bezoeken, deze zonde met de overigen. De volgende maal, dat Ik de roede ter hand zal nemen, zullen zij ook nog voor deze zonde een striem ontvangen. Er is een gezegde onder de Joden, dat hierop gegrond is namelijk dat van nu voortaan geen oordeel over Israël gekomen is, of er was nog een ons van het tot stof vergruisde gouden kalf in. Ik zie in de Schrift geen grond voor de mening van sommigen, dat God hen niet met zo'n menigte van offeranden en andere ceremoniëele inzettingen belast zou hebben, indien zij Hem niet getergd hadden door hun aanbidding van het gouden kalf. Integendeel, Stefanus zegt dat "God, toen zij een kalf maakten, zich keerde en hen overgaf, dat zij het heir des hemels dienden," Handelingen 7:41, 42, zodat de vreemde neiging van dat volk tot afgoderij een rechtvaardig oordeel over hen was wegens hun maken en aanbidden van het gouden kalf, een oordeel, waarvan zij, vóór de Babylonische gevangenschap, nooit geheel vrij waren. Zie Romeinen 1:23-25 Velen, die niet terstond tijdens hun zonden afgesneden worden, worden bewaard voor een latere dag van afrekening, de wraak is langzaam maar zeker. Voor het ogenblik plaagde de Heere dit volk, vers 35, waarschijnlijk door een pestilentie of een andere aanstekelijke ziekte, die een boodschapster was van Gods toorn en een voorproef van erger. Aaron maakte het kalf, en toch wordt gezegd dat het volk het gemaakt heeft, omdat zij het aanbaden. "Deos qui rogat, ille facit-Hij, die om goden vraagt, maakt ze." Aaron werd niet geplaagd, maar het volk, want hij heeft gezondigd door zwakheid, zij hebben trots, met opgeheven hand, gezondigd, en dat maakt een zeer groot verschil, niet altijd merkbaar voor ons, maar duidelijk voor God, wiens oordeel daarom, daarvan zijn wij zeker, naar waarheid is. Aldus heeft Mozes overwonnen om een uitstel te verkrijgen en een verzachting van de straf, maar hij kon de toorn van God niet geheel afwenden, hetgeen (naar sommigen denken) de onmacht aantoont van de wet van Mozes om de mensen met God te verzoenen, en onze vrede met Hem te volmaken. Dat te doen was weggelegd voor Christus in wie alleen God de zonde zo vergeeft, dat Hij haar niet meer gedenkt.