Exodus 32:1-6
Terwijl Mozes op de berg was, en de wet van God ontving, had het volk tijd om na te denken over hetgeen hun reeds overgeleverd was, en zich voor te bereiden op hetgeen hun nog verder geopenbaard zou worden, en voor dat werk was een tijdsbestek van veertig dagen krap genoeg. Maar in plaats hiervan bevonden zich onder hen degenen, die reeds het plan beraamden, om de wetten, die zij hadden ontvangen, te verbreken. Op de negen en dertigste dag van de veertig is het complot van rebellie tegen de Heere tot uitvoering gekomen.
Hier is:
I. Een luidruchtig, onstuimig verzoek van het volk aan Aaron, die gedurende de afwezigheid van Mozes met het bestuur van het volk belast was, vers 1. Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan.
1. Zie hier de kwade uitwerking van Mozes afwezigheid, indien God hem niet had geroepen om weg te gaan en op de berg te blijven, dan zou hij niet geheel en al vrij van blaam geweest zijn. Zij, die het opzicht hebben over anderen, zoals magistraten, leraren of hoofden van huisgezinnen, moeten zich niet, zonder rechtmatige oorzaak, van hen verwijderen, opdat de Satan over hen geen voordeel krijge.
2. Zie de woede en het geweld van een volksmenigte, als zij onder de invloed komt van en verdorven wordt door degenen, die er op uit zijn haar te bedriegen. Waarschijnlijk waren het in het eerst slechts weinigen, die deze inval hadden, terwijl velen, die hier nooit aan gedacht zouden hebben, indien het hun niet ingeblazen was geworden, er toe gebracht werden om hen op hun verderfelijke weg te volgen, en nu was terstond de gehele menigte met die stroom meegevoerd, zodat de enkelen die het voorstel verafschuwden, er niet eens tegen durfden protesteren. "Ziet, een klein vuur hoe grote hoop hout het aansteekt!"
Wat was er nu met deze onbezonnen volksmenigte?
a. Zij waren het moe op het beloofde land te wachten. Zij dachten dat zij te lang bij de berg Sinaï opgehouden werden, hoewel zij daar zeer veilig en zeer gerieflijk gelegerd waren, goed gevoed en goed onderwezen werden, maar zij verlangden met ongeduld voorwaarts te gaan. Zij hadden een God die met hen bleef, en Zijn tegenwoordigheid onder hen openbaarde in de wolk- en vuurkolom, maar dat was hun niet genoeg, zij moeten een God hebben, die voor hun aangezicht gaat, zij willen zich heenspoeden naar het land, "vloeiende van melk en honing", en kunnen niet wachten om hun Godsdienst mee te nemen. Zij, die op Gods raad vooruit willen lopen, zijn gewoonlijk overhaast en onbezonnen met hun eigen raad. Wij moeten eerst wachten op Gods wet, eer wij Zijn beloften aangrijpen. Zij, die geloven haasten niet, haasten niet meer dan voor welslagen nodig is.
b. Zij waren het moe om op Mozes terugkomst te wachten. Toen hij de berg op ging, had hij hun niet gezegd, (want God had het hem niet gezegd) hoe lang hij weg zou blijven. Toen hij nu langer wegbleef dan zij dachten, hebben sommige slechte lieden, ik weet niet welke, vermoedens geopperd over dit langdurige wegblijven, hoewel zij toch in zijn afwezigheid volkomen goed verzorgd waren. Deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet wat deze geschied zij. Merk op:
a.a. Hoe minachtend zij spreken van zijn persoon, deze Mozes. Zo ondankbaar zijn zij aan Mozes, die zo'n tedere zorg voor hen heeft, en zo handelen zij in tegenwerking met God. Terwijl God er een welgevallen in heeft hen te eren, hebben zij er een welgevallen in hem te smaden, en dit nog wel bij Aaron, zijn broeder, en nu zijn onderkoning. De grootste verdiensten kunnen de mensen niet vrijwaren van de grootste smaadheden en beledigingen in deze ondankbare wereld.
b.b. Met hoeveel achterdocht zij spreken van zijn vertoeven: Wij weten niet wat deze geschied zij. Zij dachten dat hij of verteerd was door het vuur, of de hongerdood was gestorven uit gebrek aan voedsel, alsof die God, die hen voedde en onderhield die zo onwaardig waren, niet zou zorgen voor de bescherming en het onderhoud van Mozes, Zijn gunstgenoot. Sommigen van hen, die wel gaarne goed over Mozes wilden denken, opperden misschien het denkbeeld dat hij, gelijk Henoch, opgenomen was in de hemel, terwijl anderen, die niet kwaad genoeg van hem konden denken, de mening te kennen gaven dat hij meer op zich had genomen dan hij kon volbrengen, niet voort kon gaan met zijn onderneming, en tot zijn schoonvader was teruggekeerd om diens kudde te hoeden. Al deze vermoedens en meningen waren volkomen ongegrond en ongerijmd. Het was gemakkelijk te zeggen wat hem was geschied, wat er van hem geworden was. Hij was gezien, gaande in de wolk, en de wolk, waarin hij gegaan was, werd nog door geheel Israël op de top van de berg gezien, zij hadden alle reden om tot de gevolgtrekking te komen dat hij daar veilig was, indien het de Heere behaagd had hem te doden, zou Hij hem zulke gunsten niet betoond hebben. Zo hij lang verwijlde, het was omdat God hem zeer veel had te zeggen, voor hun welzijn, hij woonde op de berg als hun gezant, en hij zou voorzeker terugkeren, zodra hij de zaken had afgedaan, waarvoor hij er heengegaan was, en toch gebruiken zij dit voorwendsel voor hun goddeloos voorstel. Wij weten niet wat hem geschied zij. Zij, die besloten zijn kwaad te denken, al hebben zij ook alle reden om goed te denken, zullen gewoonlijk voorgeven dat zij niet weten wat te denken. Misvattingen of verkeerde uitleggingen van het toeven van onze Verlosser veroorzaken veel goddeloosheid. Onze Heere Jezus is opgegaan tot de berg van de heerlijkheid, waar Hij voor ons in de tegenwoordigheid van God verschijnt, maar het is buiten ons gezicht, dat de hemelen Hem moeten bevatten, Hem moeten verbergen, opdat wij zullen leven door het geloof. Daar is Hij lang geweest, daar is Hij nog, en nu zeggen de ongelovigen dat zij "niet weten wat Hem geschied zij", en zij vragen: "Waar is de belofte van Zijn toekomst?" 2 Petrus 3:4. alsof Hij, omdat Hij nog niet gekomen is, nooit komen zal. De boze dienstknecht verstout zich, moedigt zich aan in zijn goddeloosheid door de gedachte: "Mijn heer vertoeft te komen." Als wij het wachten moe worden, stelt ons dit bloot aan zeer veel verzoekingen. Daarmee begon Sauls verderf, hij wachtte op Samuël tot het laatste uur van de bestemde tijd, maar had toen het geduld niet om dit uur uit te blijven wachten, 1 Samuël 13:8 en verv, en zo hier Israël, als zij slechts een dag langer gewacht hadden, dan zouden zij gezien hebben wat aan Mozes geschied was. De Heere is een God van het gericht, er moet op Hem gewacht worden totdat Hij komt, gewacht worden, al is het ook dat Hij vertoeft, en dan zullen wij onze arbeid, onze moeite, niet verliezen, want Hij zal gewis komen, Hij zal niet achterblijven.
c. Zij waren het wachten moe op een Goddelijke inzetting van de Godsverering onder hen, want dat was het, waar zij nu op wachtten. Er was hun gezegd dat zij op deze berg God zouden dienen, en de pracht en plechtigheid van deze dienst zal hun voorzeker bijzonder behagen, maar omdat die niet zo spoedig ingesteld werd als zij wensten, wilden zij nu met hun eigen vernuft tekenen uitdenken van Gods tegenwoordigheid onder hen, en er in roemen, en een eredienst hebben van hun eigen vinding, zoals zij hem waarschijnlijk onder de Egyptenaren hadden gezien, want Stefanus zegt, dat zij, toen zij tot Aaron zeiden: "Maak ons goden, met hun harten weerkeerden naar Egypte," Handelingen 7:39, 40. Het was wel een vreemd, zonderling voorstel: Sta op maak ons goden. Als zij niet wisten wat er van Mozes was geworden, dachten dat hij verloren, omgekomen, was, dan was het betamelijk van hen geweest om een plechtige rouw gedurende enige dagen voor hem uit te roepen, maar zie, hoe spoedig zo'n grote weldoener vergeten is. Indien zij gezegd hadden: "Mozes is omgekomen, maak iemand tot regeerder over ons," er zou nog enig gezond verstand in hun voorstel zijn geweest, ofschoon zeer veel ondankbaarheid aan de nagedachtenis van Mozes, en minachting van Aaron en Hur, die in zijn afwezigheid tot rechters waren aangesteld. Maar te zeggen: "Mozes is omgekomen, maak ons een god, " was de grootst-mogelijke ongerijmdheid. Was Mozes hun god? Heeft hij ooit voorgegeven dit te zijn? Wat er nu ook van Mozes geworden moge zijn, was het niet blijkbaar dat God nog met hen was? Hadden zij ook maar een schijn van reden om in twijfel te trekken dat Hij hun leger leidde, die hen elke dag zo wel van spijs voorzag? Konden zij een andere god hebben, die hen zo goed verzorgde, als Hij hen verzorgd heeft, ja hen thans verzorgde? En toch: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan! Goden? Hoe velen willen zij er hebben? Is een niet genoeg? Maak ons goden, en welk goed zullen goden van hun makelij hun doen? Zij willen goden hebben om voor hun aangezicht te gaan, die niet verder gaan kunnen dan zij gedragen worden! Zo ellendig versuft, dom en bedwelmd zijn afgodendienaars, "zij razen naar de afgoden," Jeremia 50:38.
II. Hier is Aarons eis van hun sieraden, vers 2. Brengt mij uw gouden oorsierselen, vers 2. Wij vinden niet dat hij een woord sprak om hun voorstel af te keuren, hij heeft hun onbeschaamdheid niet bestraft, heeft niet met hen geredeneerd om hen van de zonde en dwaasheid er van te overtuigen, neen, hij scheen het voorstel goed te keuren, en toonde zich niet ongenegen om hun ter wille te zijn. Men zou willen hopen dat hij in het eerst slechts bedoelde te schertsen, en door hun een belachelijk beeld voor te stellen, het voorstel zelf bespottelijk te maken en er de dwaasheid van aan te tonen, maar indien dit zo is, dan bleek hieruit, dat met de zonde niet valt te schertsen, daar dit even gevaarlijke gevolgen heeft, als voor een vlieg om om de vlam van een kaars te zweven. Sommigen hebben de liefderijke veronderstelling gemaakt dat Aaron, toen hij hun zei hun oorsierselen af te rukken en ze hem te brengen, de bedoeling had het voorstel te doen vallen, gelovende dat hun begeerte er hen wel toe zou kunnen brengen om het goud uit de beurs te verkwisten om er een afgod van te maken, Jesaja 46:6 maar dat hun hoogmoed, hun ijdelheid, hen echter niet zou toelaten om zich van hun gouden oorsierselen te ontdoen. Maar het is niet veilig om te willen onderzoeken hoe ver de zondige lusten van de mensen hen op een zondige weg zullen voeren, en wat het hun kosten zal. Hier tenminste bleek het een zeer gevaarlijke proefneming.
III. Wij hebben hier het maken van het gouden kalf, vers 3,4.
1. Het volk bracht hun oorsierselen tot Aaron, wiens eis er van, inplaats van hen te ontmoedigen in hun voornemen, hen misschien veeleer heeft gesterkt in hun bijgelovigheid, en het denkbeeld bij hen opwekte dat het goud, uit hun oren genomen, zeer aangenaam, zeer welgevallig zou wezen, om er een zeer te waarderen god van te maken. Laat nu hun bereidwilligheid om afstand te doen van hun sieraden om er een god van te maken, ons beschamen wegens onze vrekkigheid voor de dienst van de ware God. Zijn zij niet teruggedeinsd voor de kosten van hun afgoderij? En zullen wij dan met tegenzin de kosten van onze eredienst dragen, zo'n goede zaak laten kwijnen door er het nodige aan te onthouden? 2. Aaron smolt hun oorsierselen, en na er een vorm voor bereid te hebben goot hij het gesmolten goud er in en bracht het toen tevoorschijn in de gestalte van een os, of een kalf terwijl hij er met een graveerstift de laatste hand aan legde. Sommigen denken dat Aaron dit beeld koos als teken van de Goddelijke tegenwoordigheid, omdat hij het hoofd en de hoornen van een os een geschikt zinnebeeld achtte van de Goddelijke macht, maar toch, daar het zo'n eenvoudig en geheel gewoon ding was, hoopte dat het volk niet zo dom zou wezen om het te gaan aanbidden. Maar het is waarschijnlijk dat zij van de Egyptenaren geleerd hadden, zich aldus de Godheid voor te stellen, want in Ezechiël 20:8 wordt gezegd: "niemand verliet de drekgoden van Egypte," en in Hoofdstuk 23:8 :"Zij verliet ook niet haar hoererijen, gebracht uit Egypte, " en in Psalm 106:20 :"Zij veranderden hun eer in de gedaante van een os, die gras eet, " en aldus maakten zij hun dwaasheid bekend als te zijn boven die van andere afgodendienaren, die het heir van de hemel aanbaden.
IV. Een kalf bij Horeb gemaakt hebbende "bogen zij zich voor een gegoten beeld," Psalm 106:19.
1. Aaron, die zag dat het volk verzot was op hun kalf, was bereid hen nog verder ter wille te zijn, en zo bouwde hij er een altaar voor, en riep een feest uit ter ere er van, een inwijdingsfeest. Toch noemt hij het een feest voor Jehovah, want hoe dom zij ook waren toch verbeeldden zij zich niet, dat dit beeld zelf een god was, noch bedoelden zij hun aanbidding bij het beeld te eindigen of te bepalen, zij maakten het slechts als een voorstelling van de ware God, die zij in en door dat beeld bedoelden te aanbidden, en toch heeft hun dit niet tot verontschuldiging gestrekt voor hun grove afgoderij, evenmin als het de papisten zal verontschuldigen, die voorgeven dat zij niet het beeld, maar door het beeld God aanbidden, en zich aldus tot zulke afgodendienaars en aanbidders van het gouden kalf maken, waarvan het feest als een feest voor Jehovah werd uitgeroepen zodat ook de onwetendste en onnadenkendste zich hieromtrent niet zou kunnen vergissen.
2. Het volk is ijverig genoeg om dit feest te vieren, vers 6. Zij stonden de volgende dag vroeg op, om te tonen welk een welgevallen zij hadden in deze plechtigheid en, naar de aloude ritus van de aanbidding en Godsverering, offerden zij brandoffer aan deze nieuwbakken godheid, en hielden een feestmaal van het offer. Aldus ten koste van hun oorsierselen hun god gemaakt hebbende, pogen zij nu ten koste van hun schapen en runderen deze god gunstig voor zich te stemmen. Hadden zij die offeranden onmiddellijk aan Jehovah gebracht, zonder de tussenkomst van een beeld, zij zouden-voorzoveel ik weet-aangenomen zijn, Hoofdstuk 20:24, maar met een door hen gemaakt beeld, als een symbool van Gods tegenwoordigheid, en zo de waarheid Gods veranderd hebbende in de leugen, waren deze offeranden een verfoeisel. Als van hun afgoderij in het Nieuwe Testament wordt gesproken, wordt het verhaal van hun feestmaal op het offer aangehaald, 1 Corinthiërs 10:7 :"Het volk zat neer om te eten en om te drinken" wat er nog over was van het offer, "en zij stonden op om te spelen, " de dwaas te spelen, de brooddronkene te spelen. Zoals de god is, zo is zijn verering. Zij zouden geen kalf tot hun god gemaakt hebben, indien zij niet eerst van hun buik een god gemaakt hadden, maar als de god belachelijk is, is het geen wonder dat de dienst scherts en vermakelijkheid is, "verijdeld geworden zijnde in hun overleggingen," werden zij ook ijdel in hun godsverering, zo groot was deze ijdelheid. Nu was het:
A. Vreemd, dat iemand van het volk en inzonderheid dat zo'n groot aantal van hen zo iets zouden doen. Hadden zij niet kort tevoren in deze zelfde plaats de stem gehoord van de Heere God van uit het midden van het vuur tot hen sprekende, en zeggende: Gij zult u geen gesneden beeld maken? Hadden zij de donderslagen niet gehoord, de bliksemen niet gezien, de aardbeving niet gevoeld, die de ontzagwekkende pracht en plechtigheid waren, waarmee deze wet was gegeven? Zijn zij er niet in het bijzonder voor gewaarschuwd om zich gouden goden te maken, Hoofdstuk 20:23. Ja meer, hadden zij zelf niet een plechtig verbond gemaakt met God, en Hem beloofd dat zij alles wat Hij tot hen gesproken had zullen doen en gehoorzamen Hoofdstuk 24:7. En dan toch, eer zij zich nog bewogen hadden van de plaats, waar dit verbond plechtig bevestigd was, eer de wolk weg was van de top van de berg Sinai, aldus een uitdrukkelijk gebod te overtreden in trotsering van de uitdrukkelijke bedreiging, dat deze ongerechtigheid bezocht zal worden aan hen en hun kinderen-wat zullen wij daarvan denken? Het is een duidelijk bewijs, dat de wet hen evenmin kon heiligen als rechtvaardigen, door haar is de kennis van de zonde, maar niet de genezing er van. Dit wordt te kennen gegeven door de nadruk, die gelegd wordt op de plaats, waar die zonde bedreven werd, Psalm 106:19, "Zij maakten een kalf bij Horeb," dezelfde plaats, waar de wet was gegeven. Anders was het met hen, die het Evangelie ontvingen, zij hebben zich onmiddellijk "bekeerd van de afgoden," 1 Thessalonicenzen 1:9.
B. Het was inzonderheid vreemd, dat Aaron zozeer de hand heeft gehad in deze zonde dat hij het kalf gemaakt heeft, en het feest heeft uitgeroepen. Is dat Aaron, de geheiligde des Heeren, de broeder van Mozes, Zijn profeet, Aaron, die zo wel kon spreken, Hoofdstuk 4:14, en toch geen enkel woord spreekt tegen deze afgoderij? Is dit de man, die niet slechts de plagen van Egypte had gezien, maar gebruikt was om ze op te roepen, alsmede het oordeel, volvoerd aan de goden van de Egyptenaren? Hoe! en dan toch zelf die verlaten afgedankte afgoderij van Egypte navolgen. Hoe konden zij zeggen: Dit zijn uw goden Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben, als zij aldus de afgoderij van Egypte meebrachten? Is dit Aaron, die met Mozes op de berg is geweest, Hoofdstuk 19:24, 24:9, en wist dat zelfs daar generlei gelijkenis was gezien, waarnaar een beeld geformeerd kon worden? Is dit Aaron, aan wie gedurende de afwezigheid van Mozes de zorg over het volk was toevertrouwd? Is hij behulpzaam bij deze rebellie tegen de Heere? Hoe was het mogelijk, dat hij ooit zo'n zondige daad kon doen? Hij moet er of op vreemde wijze als door overvallen zijn, het gedaan hebben toen hij half in slaap was, of er toe gebracht zijn door schrik en angst voor de in woede ontstoken, muitzieke volksmenigte. Volgens een overlevering van de Joden heeft zijn ambtgenoot Hur er zich tegen verzet, en werd toen door het volk gestenigd, (waarom wij later nooit meer van hem lezen) en heeft dit Aaron verschrikt en hem tot toegeven bewogen. En God heeft hem aan zichzelf overgelaten,
a. Om ons te leren wat de besten der mensen, aldus aan zichzelf overgelaten, zijn, opdat wij aflaten van de mens en opdat hij, die meent te staan, toezie dat hij niet valle.
b. Aaron was toen door Goddelijke aanwijzing bestemd voor het hoge ambt van het priesterschap, hoewel hij het niet wist heeft Mozes op de berg het wèl geweten, opdat hij zich nu niet bovenmate zou verheffen door de eer, die hem werd aangedaan, was aan een engel des satans toegelaten hem te overwinnen, opdat de herinnering hieraan hem zijn leven lang nederig zou houden. Hij, die zich eens zover onteerde dat hij een altaar bouwde voor een gouden kalf, moet erkennen dat hij ten enenmale de eer onwaardig is om aan het altaar Gods te dienen, en die eer dus zuiver en alleen aan Gods vrije genade te danken heeft. Alzo werd aan alle hoogmoed en aan alle roemen voor altijd het zwijgen opgelegd, en is uit een slechte zaak iets goeds voortgekomen. Ook werd hierdoor aangetoond, dat de wet tot hogepriesters gesteld heeft mensen, die zwakheid hebben, en voor hun eigen zonden moesten offeren.