Exodus 29:1-37
Hier is:
I. De wet betreffende de bevestiging van Aaron en zijn zonen in het priesterambt, hetgeen met zeer veel plechtigheid moet geschieden opdat zij zelf diep doordrongen zullen zijn van de grootheid van het werk, waartoe zij geroepen waren, en opdat ook het volk zou leren het ambt ten zeerste te eren, en niemand zou proberen er zich in te dringen. De plechtigheden, die daarbij waargenomen moeten worden, zijn volledig en nauwkeurig bepaald, omdat zo iets tevoren niet gedaan was, en omdat het een eeuwige inzetting moest wezen, dat de hogepriester aldus gewijd moest worden.
1. Het werk nu, dat gedaan moest worden was de wijding van de personen, door God verkoren om priesters te zijn, waarin zij zich geheel en al toewijdden aan de dienst van God en waarin God Zijn aanneming van hen te kennen gaf, en aan het volk bekend werd gemaakt, dat zij zelf die eer niet aannamen om priesters te zijn, maar dat zij "van God geroepen waren," Hebreeën 5:4, 5. Aldus werden zij onderscheiden van de gewone mensen, afgezonderd en onttrokken aan gewone diensten of werkzaamheden, teneinde alleen in de onmiddellijke dienst van God werkzaam te wezen. Allen, die in de dienst van God gebruikt worden, moeten Hem geheiligd zijn. Eerst moet de persoon door God worden aangenomen, en dan zal zijn werk Hem welbehaaglijk wezen. De Hebreeuwse uitdrukking voor wijden, is: de hand vullen, vers 9. Gij zult Aarons hand vullen, en de hand van zijn zonen en de ram van de inwijding is de ram van de vuloffers, vers 22, 26. Hun heiliging is hun volmaking, van Christus wordt gezegd dat Hij "in eeuwigheid volmaakt of geheiligd "is, Hebreeën 7:28. Die uitdrukking hier is waarschijnlijk daaraan ontleend, dat het offer van de wijding de priesters in hun hand gegeven werd, om het voor de Heere te bewegen, vers 24. Maar er wordt mee te kennen gegeven:
a. Dat leraren de handen vol hebben, zij hebben geen tijd om te beuzelen, omdat hun werk zo groot zo veelomvattend, zo gestadig is.
b. Dat hun de handen gevuld moeten worden. Noodzakelijkerwijs, zij moeten iets hebben om te offeren, en zij kunnen het in zichzelf niet vinden, het moet hun van boven gegeven worden. Zij kunnen het hart van het volk niet vervullen, tenzij God hun de handen vult, zij moeten dus tot Hem gaan, en uit Zijn volheid ontvangen.
2. God verordineerde Mozes om die wijding te verrichten. Hoewel de hogepriester voor de mensen gesteld werd, moest toch het volk hem niet wijden, Mozes, de dienstknecht van de Heere en hierin Zijn agent, moest dit doen. Volgens de bijzondere aanwijzing van God, moest hij nu het werk van de priester verrichten, daarom werd het deel van het offer van de priesters, hier tot het zijne verordineerd, vers 26.
3. De plaats, waar die wijding moest geschieden, was aan de deur van de tent der samenkomst, vers 4. Het heeft God behaagd in de tabernakel te wonen, het volk kwam in de voorhof, zodat de deur tussen de voorhof en de tabernakel de meest geschikte plaats was, om hen te wijden, die als middelaars moesten zijn tussen God en de mens, en dus tussen beide moesten staan, en-als het ware-op beide hun handen moesten leggen. Zij werden geheiligd aan de deur, want zij moeten deurwachters zijn.
4. Het geschiedde met velerlei plechtigheden. a. Zij moeten gewassen worden, vers 4 hetgeen betekende dat zij, die de vaten van de Heere dragen, rein moeten zijn, Jesaja 52:11. Zij, die de heiligmaking voleindigen, moeten zich reinigen van alle besmetting van het vlees en de geest, 2 Corinthiërs 7:1, Jesaja 1:16-18. Zij werden nu geheel en al gewassen, maar later, als zij ingingen om te dienen, dan moesten zij alleen hun handen en voeten wassen, Hoofdstuk 30:19, want die gewassen is heeft niet meer van node, Johannes 13:10.
b. Zij moesten met de heilige kleren bekleed worden, vers 5, 6, 8, 9, om aan te duiden dat het niet genoeg was, dat zij de besmetting van de zonde wegdeden, maar de genadegaven van de Geest moesten aandoen, "bekleed moesten zijn met gerechtigheid," Psalm 132:9. Zij moesten gegord zijn, als mannen bereid en bekrachtigd voor hun werk, en zij moesten bekleed en gekroond zijn, als mannen, die hun werk en ambt hun ware eer achten.
c. De hogepriester moest gezalfd worden met de heilige zalfolie vers 7, opdat de kerk vervuld moge worden van en zich moge verlustigen in de lieflijke reuk van zijn bediening, (want olie en reukwerk verblijdt het hart) en ten teken van de uitstorting van de Geest over hem, om hem voor zijn werk bekwaam te maken. Broederlijke liefde wordt vergeleken bij deze olie, waarmee Aaron gezalfd was, Psalm 133:2. De mindere priesters worden gezegd gezalfd te zijn Hoofdstuk 30:30, niet zoals de hogepriester, op hun hoofd, Leviticus 21:10, maar de olie was vermengd met het bloed, dat op hun kleren gesprengd werd.
d. Er moesten offers voor hen geofferd worden. Het verbond van het priesterschap moest, zoals alle andere verbonden, gemaakt worden met offerande.
a.a. Er moest een zondoffer voor hen geofferd worden, om verzoening over hen te doen, vers 10-14 De wet stelde hen tot priesters, die zwakheid hadden, en daarom moesten zij eerst offeren voor hun eigen zonde, eer zij verzoening konden doen voor het volk, Hebreeën 7:27, 28. Zij moesten hun handen op het hoofd van het offer leggen, vers 10, belijdende dat zij verdienden te sterven voor hun eigen zonde, en begerende dat het slachten van het dier hun schuld zou verzoenen, en in hun plaats als verzoening aangenomen zou worden. Er werd mee gedaan als met de andere zondoffers, met dat verschil echter, dat terwijl het vlees van de andere zondoffers door de priesters werd gegeten, Leviticus 10:18, als teken dat de priesters de zonde van het volk hadden weggenomen, dit vlees geheel en al verbrand moest worden buiten het leger, vers 14, om de onvolkomenheid aan te duiden van de bedeling van de wet, (zoals de geleerde bisschop Patrick opmerkt) want de zonden van de priesters zelf konden door deze offeranden niet weggenomen worden, zij moeten een betere hogepriester en een beter offer verwachten.
b.b. Er moet een brandoffer wezen, een ram, die geheel verbrand moest worden, tot eer van God, ten teken van hun algehele toewijding aan God en Zijn dienst, als levende offeranden, ontstoken met het vuur en opstijgende in de vlam van heilige liefde, vers 15-18 Het zondoffer moest eerst geofferd worden en daarna het brandoffer, want voordat de schuld weggenomen is, kan geen Gode welbehaaglijke dienst verricht worden, Jesaja 6:7.
c.c. Er moest een hefoffer gebracht worden. Het wordt de ram der inwijding genoemd, of van het vuloffer, omdat daarin meer dan in de twee andere gelegen was voor deze bijzondere gelegenheid. In het brandoffer had God de eer van hun priesterschap, in dit offer hadden zij de vertroosting er van, en als teken van een wederzijds verbond tussen God en hen. Ten eerste. Het bloed van het offer was verdeeld tussen God en hen, vers 20, 21, een deel van het bloed werd rondom het altaar gesprengd, en een ander deel er van werd op hen gesprengd, op hun lichaam, vers 20, en op hun kleren, vers 21. Aldus werd het voordeel van de verzoening, gedaan door het offer, op hen toegepast en aan hen verzekerd en geheel hun persoon, van het hoofd tot de voeten, tot de dienst van God geheiligd. Het bloed werd op de uiterste lichaamsdelen gedaan om aan te duiden dat het gehele lichaam, als het ware, ingesloten was en ingenomen werd voor God, het oorlapje en de grote teen niet uitgezonderd. Wij achten, dat het bloed en de olie, op de kleren gesprengd, ze bevlekte, maar de heilige olie en het bloed van het offer, op hun kleren gesprengd, moeten er juist als de schoonst mogelijke versiering van beschouwd worden, want zij betekenden het bloed van Christus en de genadegaven van de Geest, die de schoonheid van de heiligheid uitmaken en voltooien en ons Gode aanbevelen, wij lezen van kleren wit gemaakt in het bloed van het Lam.
Ten tweede. Het vlees van het offer met het daaraan verbonden spijsoffer, werd eveneens verdeeld tussen God en hen, opdat (het zij met eerbied gezegd) God en zij tezamen als aan een feestmaal aanzitten ten teken van vriendschap en gemeenschap met elkaar.
1. Een gedeelte er van moest eerst voor de Heere bewogen en dan op het altaar verbrand worden, een deel van het vlees, vers 22, en een deel van het brood, want brood en vlees moeten samengaan, vers 23, die werden eerst in de handen van Aaron gelegd om heen en weer bewogen te worden, ten teken dat zij Gode geofferd zijn, (die, hoewel ongezien, ons toch van alle zijden omgeeft) en dan werden zij op het altaar verbrand vers 24, 25, want het altaar moest Gods deel van het offer verteren. Aldus heeft God Aaron en zijn zonen toegestaan om Zijn dienaren te zijn, te dienen aan Zijn tafel, daar Hij de spijs van Zijn altaar uit hun handen aannam. Hier komt, in een tussenzin als het ware, de wet betreffende het deel van de priesters van de hefoffers later, de borst en schouder, die nu gedeeld waren, Mozes had de borst en de schouder werd, als Gods deel, op het altaar verbrand, vers 26-28
2. Het andere deel, beide van het vlees van de ram en van het brood, moesten Aaron en zijn zonen eten aan de deur van de tabernakel, vers 31-33, om te kennen te geven dat Hij hen niet alleen dienstknechten noemt, maar vrienden, Johannes 15:15. Hij hield avondmaal met hen, en zij met Hem. Hun eten van de dingen waarmee de verzoening gedaan was, betekende hun verkregen hebben van de verzoening, zoals de uitdrukking luidt, Romeinen 5:11, hun dankbaar aannemen van het voorrecht, de weldaad er van, en hun vreugdevolle gemeenschap met God, hetgeen de ware betekenis en bedoeling was van een offermaaltijd. Als er iets van was overgebleven, dan moest dit verbrand worden, opdat het niet zou bederven en om aan te duiden, dat het een buitengewoon hefoffer was.
Eindelijk. De tijd, die in deze wijding moest doorgebracht worden: zeven dagen zult gij hun handen vullen, vers 35. Hoewel al de plechtigheden op de eerste dag verricht werden moesten zij toch hun wijding als niet voltooid beschouwen voor het einde van de zevende dag, hetgeen plechtigheid toevoegde aan hun toelating en een afstand stelde tussen deze en hun vorige staat, en hen verplichtte om als met een pauze in te gaan tot hun werk, waardoor zij tijd hadden om over het gewicht en de ernst er van na te denken. Dit moest ook in latere tijden aldus waargenomen worden vers 30. Hij, die Aaron in het hogepriesterschap moest opvolgen, moet zeven dagen de heilige kleren aandoen, ten teken van een wel overwogen en trapsgewijs ingaan tot zijn ambt, en opdat er een sabbat over hem zou gaan in zijn wijding. Bij deze eerste wijding moest op elke dag van de zeven een stier geofferd worden tot zondoffer, vers 36, hetgeen hun te kennen moest geven: a. Dat het van het hoogste belang voor hen was, vergeving van zonden te ontvangen, en dat zij, hoewel verzoening gedaan was en zij er de vertroosting van hadden, toch het boetvaardig besef van zonde moesten behouden, en er dikwijls belijdenis van moesten doen.
b. Dat die offers, welke aldus dag aan dag gebracht werden om verzoening te doen, toch degenen, die daar toegaan, nimmermeer konden heiligen, immers zouden zij dan opgehouden hebben te offeren, zoals de apostel zegt in Hebreeën 10:1, 2. Daarom moeten zij "een betere hoop verwachten."
Deze wijding nu van de priesters was een schaduw van toekomende goederen.
Ten eerste. Onze Heere Jezus is de grote Hogepriester van onze belijdenis, van God geroepen om dit te zijn, tot in eeuwigheid geheiligd, gezalfd met de Geest boven Zijn medegenoten, weshalve Hij de Messias, de Christus genaamd wordt, bekleed met de heilige kleren, ja met schoonheid en heerlijkheid, geheiligd door Zijn eigen bloed, niet met dat van stieren of bokken, Hebreeën 9-12, geheiligd door lijden Hebreeën 2:10. Zo was dit dan in Hem een eeuwige inzetting, vers 9.
Ten tweede. Alle gelovigen zijn in geestelijke zin priesters, om geestelijke offeranden op te offeren, 1 Petrus 2:5, gewassen in het bloed van Christus, en aldus Gode gemaakt tot priesters, Openbaring 1:5, 6. Ook zijn zij bekleed met de schoonheid van de heiligheid en hebben de zalving ontvangen, 1 Johannes 2:27. Hun handen zijn gevuld met werk, dat zij voortdurend hebben te doen, en het is door Christus, het grote offer, dat zij tot deze dienst gewijd zijn. Zijn bloed, gesprengd op het geweten, reinigt het van dode werken, opdat zij, als priesters, de levende God dienen. De Geest van God is (zoals Ainsworth opmerkt) de vinger Gods genoemd, Lukas 11:20, vergeleken met Mattheus 12:28 en door Hem wordt de verdienste van Christus krachtdadig toegepast op onze zielen, zoals Mozes hier met zijn vinger het bloed op Aaron meest doen. Er wordt ook te kennen gegeven dat Evangeliedienaren plechtig afgezonderd moeten worden tot hun dienstwerk, met grote ernst en na rijp beraad, als degenen die gebruikt worden in een groot werk, en op een post van grote verantwoordelijkheid worden gesteld.
II. De wijding van het altaar scheen samen te vallen met die van de priesters, en de zondoffers die gedurende zeven dagen, dagelijks geofferd werden, golden het altaar zowel als de priesters vers 36, 37. Er werd verzoening gedaan voor het altaar. Hoewel het altaar niet kon zondigen en, nog niet gebruikt zijnde, ook niet verontreinigd was door de zonden van het volk, kan er toch, sedert de val, Gode geen heiliging geschieden, of er moet eerst verzoening gedaan worden voor zonde, die ons zowel onwaardig als ongeschikt maakt om voor God gebruikt te worden. Het altaar werd ook geheiligd, niet slechts afgezonderd tot heilig gebruik, maar zó heilig gemaakt, dat het de gaven heiligde, die er op geofferd werden, Mattheus 23:19. Christus is ons altaar, Hij heeft zich om onzentwil geheiligd, opdat wij en onze verrichtingen geheiligd en Gode welbehaaglijk zullen zijn, Johannes 17:19.