Mattheus 12:22-37
In deze verzen hebben wij:
I. Christus' heerlijke overwinning op Satan in de genaderijke genezing van enen, die door Goddelijke toelating onder zijne macht, en door hem bezeten was, vers 22. Merk hier op: Den treurigen toestand van dien man, hij was van den duivel bezeten. In Christus' tijd kwam dit meer voor dan gewoonlijk, opdat de macht van Christus des te meer verheerlijkt zou worden, en Zijne bedoeling duidelijker zou blijken in het tegenstaan en uitdrijven van Satan, en opdat het ook openlijk zou gezien worden, dat Hij gekomen is om de werken des duivels te verbreken. Die arme bezetene was blind en stom, een droeve toestand! Hij kon niet zien om zich zelven te helpen, en hij kon niet spreken om anderen om hulp te vragen. Ene ziel onder Satans macht, en door hem gevankelijk geleid, is blind voor de dingen Gods, en stom voor den troon der genade. Hij ziet niets, en Hij zegt niets dat van enig nut is. Satan verblindt het oog des geloofs, en sluit de lippen voor het gebed. Zijne genezing was zeer vreemd, en dit te meer omdat zij zo plotseling was: Hij genas hem. Het overwinnen en het uitdrijven van Satan is de genezing der zielen. De oorzaak weggenomen zijnde, hield het gevolg ook terstond op: Alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag. Christus' barmhartigheid staat lijnrecht tegenover Satans boosaardigheid, Zijne gunstbewijzen tegenover het kwaad door den duivel gesticht. Als Satans macht over de ziel gebroken is, dan worden de ogen geopend om Gods heerlijkheid te zien, en de lippen geopend om Zijn lof te vermelden.
II. De overtuiging, die dit teweegbracht bij het volk, al de scharen ontzetten zich. Christus had te voren reeds verscheidene wonderen van dien aard gewrocht, maar Zijne werken zijn er niet minder wondervol om, of niet minder verbazingwekkend, dat zij zo dikwijls herhaald werden, Het deed de vraag bij hen ontstaan: Is niet deze de Zoon van David? De beloofde Messias, die uit David's lenden zou voortkomen? Is deze het niet, die komen zou?" Wij kunnen dit beschouwen als ene vraag van onderzoek. Is niet deze de Zoon van David? vroegen zij? Maar zij wachtten niet op het antwoord, de indrukken, die zij ontvingen, waren wel sterk, maar voorbijgaand. Het was ene goede, gepaste vraag, die bij hen opkwam, maar zij bleven er niet bij staan. Bij zulke vragen moet men tot stil staan worden gebracht en dan zullen zij waarschijnlijk doordringen tot het hart. Wij kunnen haar ook beschouwen als ene bevestigende vraag: Is niet deze de Zoon van David? Ja voorzeker! Hij is het, Hij kan niemand anders zijn, wonderen als deze tonen klaarblijkelijk, dat het rijk van den Messias thans wordt opgericht". En het was het volk, het gemene volk, dat uit Christus' wonderen deze gevolgtrekking heeft afgeleid. De Atheïsten zullen zeggen: Dat was, omdat zij niet zo nauwkeurig waren in hun onderzoek, als de Farizeeën. Neen, het feit was blijkbaar, en behoefde zulk een scherp onderzoek niet, maar het was omdat zij minder bevooroordeeld waren en zich niet zo door wereldse belangen lieten leiden. Zo effen en gemakkelijk was de weg gemaakt tot deze grote waarheid, dat Christus de Messias, de Zaligmaker der wereld is, dat het gewone volk niet missen kon hem te vinden. Zelfs de dwazen, die op dezen weg wandelen, zullen niet dwalen. (Zie Jesaja 35:8.). Die weg werd gevonden door hen, die er naar zochten. Het is mede een voorbeeld van die neerbuigende goedheid der Goddelijke genade, waardoor de dingen, die voor de wijzen en verstandigen verborgen zijn, aan de kinderkens zijn geopenbaard. De wereld heeft God niet gekend door de wijsheid, en door het dwaze zijn de wijzen beschaamd geworden. III. Het Godslasterlijke vitten en bedillen der Farizeeën, vers 24. De Farizeeën waren mensen, die aanspraak maakten op meer kennis van, en ijver voor, de wet Gods te hebben, dan anderen, en toch waren zij bittere en onverzoenlijke vijanden van Christus en Zijne leer. Zij waren trots op de vermaardheid en achting, waarin zij stonden bij het volk, hierdoor werd hun hoogmoed gevoed, hun macht staande gehouden en hun beurs gevuld. Toen zij nu het volk hoorden zeggen: Is niet deze de Zoon van David? waren zij ten uiterste vertoornd, meer dan over het wonder zelf. Dit maakte hen afgunstig op onzen Heere Jezus, dit deed hen vrezen, dat, naarmate Hij in achting bij het volk won, de hun natuurlijkerwijs moest afnemen. Daarom benijdden zij Hem, zoals Saul Zijn vader David benijd heeft om hetgeen de vrouwen van hem zongen, 1 Samuël 18:7, 8. Zij, wier geluk afhangt van den lof en de toejuiching der mensen, stellen zich voortdurend bloot aan kwellende onrust bij ieder woord, dat ten gunste van een ander wordt gesproken. De schaduw der ere volgde Christus, die voor haar vlood, en zij vlood de Farizeeën, die haar zo ijverig najaagden. Deze werpt de duivelen niet uit, zeiden zij, dan door Beëlzebub, den overste der duivelen, en dus is hij de Zone David's niet". Merk op:
1. De minachting, waarmee zij van Christus spreken: Deze, alsof Zijn dierbare naam, die als ene olie is, die uitgestort wordt, niet waardig is door hen op de lippen te worden, genomen. Het is een voorbeeld van hun' hoogmoed en verwaandheid en van hun duivelsen nijd, dat, hoe meer het volk Christus verheerlijkte, hoe meer zij er zich op toelegden Hem te honen en te vernederen. Het is laag om met minachting van vrome mensen te spreken, omdat zij arm zijn.
2. Hoe lasterlijk zij spraken van Zijne wonderen. Zij konden het feit niet ontkennen, het was zo klaarblijkelijk als de zon aan den hemel, dat op het woord van Christus duivelen uitgeworpen werden, en evenmin konden zij ontkennen, dat dit iets buitengewoons en bovennatuurlijks was. Aldus genoodzaakt zijnde om de premissen toe te geven, konden zij aan de gevolgtrekking, die er uit voortvloeide, dat deze dus de Zoon van David is, niet anders ontkomen dan door het denkbeeld op te werpen, dat Christus door Beëlzebub de duivelen uitwierp, dat er een verdrag, ene overeenkomst, was tussen Christus en den duivel, zodat de duivel niet uitgeworpen werd, maar zich vrijwillig terug trok met zijne toestemming en bedoeling, of wel, dat Christus, door ene overeenkomst met den overste der duivelen, de macht had om de mindere duivelen uit te werpen. Gene onderstelling kon blijkbaar meer vals en snood zijn dan deze, dat Hij, die de Waarheid is, in verbintenis zou zijn met den vader der leugens, om de wereld te bedriegen. Dit was de laatste toevlucht, of liever uitvlucht, van het hardnekkige ongeloof, dat besloten was om ook voor de duidelijkste bewijzen niet te zwichten. Merk op, dat er onder de duivelen een overste is, de aanvoerder in den afval van God en den opstand tegen Hem, maar deze overste is Beëlzebub, de vliegengod, of den god van den mesthoop. Hoe zijt gij gevallen, o Lucifer! van een engel des lichts, een heer van vliegen! Maar ook dit is de overste der duivelen, het hoofd van ene bende van helse geesten.
IV. Christus' antwoord op deze lage beschuldiging, vers 25-30. Jezus, kennende hun gedachten. Jezus Christus weet wat wij denken, weet wat in den mens is: Hij verstaat van verre onze gedachten. Het schijnt wel, dat de Farizeeën zich nog schaamden om het uit te spreken, zij hielden het nog in hun gedachten. Zij konden niet verwachten er het volk van te overtuigen, daarom hielden zij het voor zich, om er de overtuiging van hun eigen geweten het zwijgen mede op te leggen. Velen worden afgehouden van hun plicht door hetgeen zij zich schamen te erkennen, maar dat zij voor Jezus Christus niet kunnen verbergen. Het is echter mogelijk, dat de Farizeeën gefluisterd hadden wat zij bij zich zelven hadden gedacht, ten einde elkaar te helpen om zich te verharden. Maar het antwoord van Christus wordt gezegd een antwoord te zijn geweest op hun gedachten, omdat Hij wist wat in hun hart was, en uit welk beginsel zij het zeiden, en dat zij het niet in drift zeiden, maar dat het voortbrengsel was van ene ingewortelde boosheid. Christus' antwoord op deze beschuldiging is uitvoerig en krachtig, opdat alle mond gestopt worde door gezond verstand en rede, voor hij gestopt wordt door vuur en sulfer. Hier zijn drie argumenten, waarmee Hij het onredelijke dezer beschuldiging aantoont.
1. Het zou zeer vreemd en hoogst onwaarschijnlijk zijn, dat Satan door zulk een verdrag uitgeworpen zou kunnen worden, omdat Satans koninkrijk dan tegen zich zelf verdeeld zou zijn, hetgeen, zijne listigheid in aanmerking genomen, iets is, dat men zich niet kan voorstellen, vers 25, 26. Hier wordt dus op een bekenden regel gewezen, n.l. dat in elke maatschappij een algemeen verderf en ondergang het gevolg is van onderlingen twist en verdeeldheid: Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest, en ieder huisgezin evenzeer. Welk huis is zo vast, welke staat zo onwrikbaar, die niet door haat en tweedracht ten ondergang gebracht kan worden? Cicero Læl. 7. Verdeeldheid eindigt gewoonlijk in verwoesting, als wij in botsing komen, breken wij, als wij onenig zijn en er scheiding ontstaat, dan worden wij de gemakkelijke prooi van den gemenen vijand, en nog veel meer als wij elkaar bijten en vereten, van elkaar verteerd worden. Galaten 4:15. Kerken en natiën hebben daar de droeve ondervinding van opgedaan. De toepassing hiervan op het geval, waarvan nu sprake is, vers 26. Indien de Satan den Satan uitwerpt, indien de overste der duivelen in geschil is met de mindere duivelen, dan zal het gehele rijk weldra te gronde gaan, ja, indien Satan in een verdrag treedt met Christus, dan moet dit op zijn eigen verderf uitlopen, want het blijkbare doel van Christus' prediking en wonderen was het rijk van Satan omver te werpen, als een rijk der duisternis en der boosheid en vijandschap tegen God, en op de puinhopen van dat rijk een koninkrijk te stichten van licht, heiligheid en liefde. De werken des duivels als rebel tegen God, en tiran over de zielen der mensen, zijn door Christus verbroken, en daarom was het ongerijmd te denken, dat Beëlzebub zulk een plan en voornemen zou ondersteunen, indien hij met Christus overeenkwam, hoe zou dan zijn rijk kunnen bestaan? Hij zou zelf medewerken om het omver te werpen. De duivel heeft een koninkrijk, een algemeen belang, in tegenstand tegen God en Christus, dat hij, zoveel hij maar kan, in stand zal zien te houden, en nooit zal hij Christus' belangen bevorderen. Hij moet overwonnen en gebroken worden door Christus, en daarom kan hij zich niet buigen voor Christus en zich niet aan Hem onderwerpen. Wat samenstemming, of gemeenschap, kan er zijn tussen licht en duisternis, tussen Christus en Belial, tussen Christus en Beëlzebub? Christus zal het rijk des duivels omverwerpen, maar dat behoeft Hij niet te doen door zulke middeltjes, of kunstgrepen, als een geheim verdrag met Beëlzebub. Neen, die overwinning moet op edeler wijze behaald worden. Laat de overste der duivelen al zijne krijgsmacht bijeen trekken, laat hij gebruik maken van al zijne macht en al zijne list, toch zal Christus voor hem en zijne verenigde machten te sterk blijken, en zijn koninkrijk zal niet bestaan.
2. Het was volstrekt niet vreemd of onwaarschijnlijk, dat duivelen door den Geest Gods werden uitgeworpen, want: Hoe anders werpen uwe zonen ze uit? Er waren onder de Joden personen, die door aanroeping van den naam des allerhoogsten Gods, of den God van Abraham, Izaak en Jakob, somwijlen duivelen hebben uitgeworpen. Josephus spreekt van sommigen, die dat in zijn' tijd gedaan hebben, wij lezen ook van Joodse duivelbezweerders. Handelingen 19:13, en van sommigen, die in den naam van Christus duivelen hebben uitgeworpen, hoewel zij Hem niet volgden, Markus 9:38, of Hem niet trouw waren, Hoofdstuk 7:22. Deze hebben de Farizeeën niet veroordeeld, wat zij deden schreven zij toe aan den Geest Gods, en zij verhieven er zich en hun volk op. Het was dus bloot uit boosaardigheid en afgunst op Christus, dat zij wel erkenden, dat anderen door den Geest Gods duivelen uitwierpen, maar Hem beschuldigden, dat Hij het deed door een verdrag met Beëlzebub. Het is de gewone wijze van doen van boosaardige mensen, en inzonderheid van de boosaardige vervolgers van Christus en het Christendom, om in hen, die zij haten, te veroordelen, wat zij in hen, die zij genegen zijn, goedkeuren en toejuichen. Het oordeel van den nijd wordt gevormd, niet naar zaken, maar naar personen, niet naar rede en verstand, maar naar vooroordeel. Maar zij waren wel ten enenmale ongeschikt om op den stoel van Mozes te zitten, die bij het spreken van recht wel het aangezicht aannamen, maar niets anders, in aanmerking namen. Daarom zullen die uwe rechters zijn. Die tegenspraak met u zelven zal op den laatsten groten dag in het gericht tegen u opstaan, en u veroordelen. In het laatste oordeel zal niet slechts iedere zonde maar iedere verzwarende omstandigheid er van in rekening gebracht worden, en sommigen van onze denkbeelden, die juist en goed waren, zullen dan tegen ons getuigen, om ons van partijdigheid te overtuigen. Dit uitwerpen van duivelen was een stellig teken van de nabijheid en verschijning van het koninkrijk Gods, vers 28. Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, gelijk Ik ontwijfelbaar doe-dan moet gij tot de gevolgtrekking komen, dat, hoe onwillig gij ook zijt om het te geloven, het koninkrijk van den Messias thans onder u wordt opgericht". Andere wonderen, door Christus gewrocht, bewezen Hem te zijn van God gezonden, maar dit bewees Hem te zijn van God gezonden, om het koninkrijk des duivels omver te werpen, en zijne werken te verbreken. Thans was blijkbaar de grote belofte vervuld, dat het zaad der vrouw den kop der slang zou vermorzelen, Genesis 3:15. Daarom is de heerlijke bedeling van het koninkrijk Gods, zo lang verwacht, thans aangevangen. De vernietiging van de macht des duivels wordt gewrocht door den Geest Gods, dien Geest, die de gehoorzaamheid des geloofs werkt, en het gezag te niet doet van dien geest, die werkt in de kinderen des ongeloofs en der ongehoorzaamheid. Het uitwerpen van duivelen is ene ontwijfelbare inleiding tot het koninkrijk van God. Als Satans gezag over ene ziel niet slechts in toom wordt gehouden door gewoonte en uitwendig bedwang, maar neergeworpen en vernietigd is door den Geest van God, die heiligt, dan is er geen twijfel aan of het koninkrijk Gods is tot de ziel gekomen, het koninkrijk der genade, de zalige voorproef van het koninkrijk der heerlijkheid.
3. De vergelijking van Christus' wonderen, inzonderheid het uitwerpen van duivelen, met Zijne leer, en het doel en de strekking van Zijn' heiligen Godsdienst, toonde aan, dat Hij, wel verre van in verbond te zijn met den duivel, juist in openlijken strijd en vijandschap met hem was, vers 29. Hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijne vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? En alsdan zal hij zijn huis beroven. De wereld, die in duisternis zat, en in het boze lag, was in Satans bezit en onder zijne macht, zoals een huis in het bezit en onder de macht van een sterk man is. Zo is ook iedere onwedergeborene ziel, daarin houdt Satan verblijf, en daarin heerst hij. Nu was het doel van het Evangelie het huis des duivels te beroven, dat hij, als een sterke, in de wereld hield: de mensen uit te voeren uit de duisternis in het licht, hen van de zonde tot heiligheid te keren, hen van deze wereld naar ene betere te doen gaan, hen uit de macht des Satans, onder de heerschappij van God te brengen, Handelingen 26:18. Ingevolge van dit plan heeft Hij den sterke gebonden, toen Hij door Zijn woord onreine geesten uitwierp, aldus heeft Hij aan Satan het zwaard ontwrongen, ten einde hem ook den scepter te ontrukken. De leer van Christus toont ons, hoe wij Zijne wonderen hebben te verstaan, en toen Hij ons toonde hoe gemakkelijk en afdoend Hij den duivel uit der mensen lichaam kon uitwerpen, heeft Hij al Zijne gelovigen aangemoedigd om te hopen, dat welke macht Satan zich ook zou zoeken toe te eigenen over de zielen der mensen, Christus die macht door Zijne genade zal verbreken, Hij zal hem beroven, want het blijkt, dat Hij hem kan binden. Toen ganse volken afgekeerd werden van den dienst der afgoden om den levenden God te dienen, toen sommigen van de ergste zondaren geheiligd en gerechtvaardigd zijn geworden, en tot de besten der heiligen werden gemaakt, toen heeft Christus het huis des duivels beroofd, en Hij zal het al meer en meer beroven.
4. Hier wordt aangetoond, dat deze heilige oorlog, dien Christus met zoveel kracht tegen den duivel en zijn rijk voerde, gene onzijdigheid toelaat, vers 30. Wie met Mij niet is, die is tegen Mij. In de kleine geschillen, die er tussen de discipelen zelven kunnen ontstaan, wordt ons geleerd om die geschilpunten niet zo breed uit te meten, en liever vrede te zoeken, door hen, die niet tegen ons zijn, te beschouwen als voor ons te zijn, Lukas 9:50, maar in de grote twistzaak tussen Christus en den duivel, moet geen vrede gezocht worden, en mag aan de geschilpunten gene zo gunstige uitlegging gegeven worden. Wie niet van harte voor Christus is, zal geacht worden in werkelijkheid tegen Hem te zijn. Wie lauw en onverschillig is in de zaak, wordt als vijand beschouwd. Als de twistzaak is tussen God en Baäl, dan mag er geen weifelen zijn, geen hinken op twee gedachten, 1 Koningen 18:21. Er is gene schikking te treffen tussen Christus en Belial, want gelijk het koninkrijk van Christus in eeuwigen tegenstand is met, zo zal het ook eeuwig zegevierend zijn over, het koninkrijk van den duivel, en daarom mag men in deze zaak noch met Gilead aan gene zijde van de Jordaan blijven, noch met Aser aan de zeehaven zitten, Richteren 5:17. Wij moeten gans en al, getrouw en onwankelbaar aan Christus' zijde staan. Het is de rechte zijde, en zal ook in het einde de overwinnende zijde zijn, zie Exodus 32:26. De laatste zinsnede heeft dezelfde strekking: Wie met Mij niet vergadert, die verstrooit. Christus' boodschap in deze wereld was te vergaderen, Zijn oogst in te zamelen, hen te vergaderen, die de Vader Hem gegeven had, Johannes 11:52, Efeziërs 1:10. Christus verwacht en eist van hen, die met Hem zijn, dat zij met Hem zullen vergaderen, dat zij niet slechts zich zelven tot Hem zullen vergaderen, maar alles zullen doen wat zij kunnen, om anderen tot Hem te vergaderen, en aldus Zijne zaak te sterken en te bevorderen. Zij, die Christus' koninkrijk niet zoeken te bevorderen, zullen beschouwd en behandeld worden als verstoorders er van. Indien wij met Christus niet vergaderen, dan verstrooien wij, het is niet genoeg gene schade te veroorzaken, wij moeten goed doen. Aldus wordt de breuke tussen Christus en Satan verwijd, om aan te tonen, dat het verdrag, waarvan de Farizeeën fluisterden, niet bestond.
V. Wij hebben hier ene rede van Christus bij deze gelegenheid over zonden der tong. Daarom zeg Ik u. Hij schijnt zich van de Farizeeën tot het volk te wenden, van het twisten tot het onderwijzen. Door de zonde der Farizeeën waarschuwt Hij het volk betreffende drieërlei zonden der tong, want anderer kwaad is ene waarschuwing voor ons.
1. Lasterlijke woorden tegen den Heiligen Geest zijn de ergste soort van zonden der tong, en zij zijn onvergeeflijk, vers 31, 32. Hier is ene genaderijke verzekering van vergeving van alle zonden, op Evangelievoorwaarden. Dit zegt ons Christus, en het is een troostrijk zeggen, dat de grootte der zonde geen hinderpaal zal zijn om door God aangenomen te worden, indien wij waarlijk berouw hebben en het Evangelie geloven. Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden. Al waren uwe zonden als scharlaken en karmozijn, Jesaja 1:18, al waren zij ook nog zo snood in haren aard, of verzwaard door de omstandigheden, en ook nog zo dikwijls herhaald, al zouden zij ook tot den hemel reiken, toch is er bij den Heere vergeving, die boven de hemelen reikt. Zelfs tot Godslastering, ene zonde, die onmiddellijk Gods naam en eer raakt, zal de genade worden uitgestrekt. Aan Paulus, die een Godslasteraar was, is barmhartigheid geschied, 1 Timotheus 1:13. Wèl mogen wij zeggen: Wie is een God gelijk Gij, die de ongerechtigheid vergeeft? Micha 7:18. Zelfs woorden, gesproken tegen den Zoon des mensen, zullen vergeven worden, zoals de woorden hun vergeven werden, die Hem smaadden bij Zijn' dood, want velen hunner hebben zich bekeerd en genade verkregen. Christus heeft hierin aan alle mensenkinderen het voorbeeld gegeven van bereidvaardigheid om woorden te vergeven, die tegen hen gesproken zijn. Ik ben als een dove, ik hoor niet. Merk op: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden, den mensen, niet den duivelen, dit is liefde voor geheel de wereld der mensheid boven de wereld der gevallen engelen, dat alle zonde hun vergeven kan worden. Hier is echter ene uitzondering voor de lastering tegen den Heiligen Geest, welke hier verklaard wordt de enige onvergeeflijke zonde te zijn. Zie hier: Wat deze zonde is: het is spreken tegen den Heiligen Geest. Zie, hoe boosaardig de zonde der tong is, als de enige onvergeeflijke zonde ene zonde der tong is. Maar Jezus kende hun gedachten, vers 25. Het is niet alle spreken tegen den Persoon, of het Wezen, des Heiligen Geestes, of tegen enigen Zijner meer bijzondere werkingen, of het blote weerstaan van Zijne inwendige werking in den zondaar zelven, dat hier bedoeld wordt, want, wie zou dan zalig worden? Het Evangelie is ene acte van straffeloosheid, waarvan niemand uitgezonderd is dan alleen diegenen, die den Heiligen Geest lasteren, en dus in den engsten, meest beperkten zin, opgevat moet worden. Alle onboetvaardige zondaren worden door de voorwaarden van deze acte van straffeloosheid, n.l. geloof en bekering, hiervan krachtdadig en voor goed buitengesloten, en daarom moeten de andere uitzonderingen niet te ver uitgestrekt worden, en deze Godslastering wordt uitgezonderd, niet om enigerlei tekortkoming van genade in God, of verdienste van Christus, maar omdat zij den zondaar onvermijdelijk in ongeloof en onboetvaardigheid laat blijven. Wij hebben reden te denken, dat niemand schuldig is aan deze zonde, die gelooft, dat Christus de Zoon van God is, en oprechtelijk begeert deel te hebben in Zijne verdienste en genade, en zij, die vrezen deze zonde begaan te hebben, geven hiermede een goed teken, dat zij haar niet begaan hebben. De geleerden merken terecht op, dat Christus niet spreekt van hetgeen toen gezegd of gedaan werd, maar van wat gezegd en gedaan zal worden, Markus 3:28, Lukas 12:10, Die gelasterd zal hebben. Wat hen betreft, die Christus gelasterd hebben, toen Hij op aarde was, en Hem een wijnzuiper, een bedrieger, een Godslasteraar, en wat dies meer zij, genoemd hebben, er was voor hen nog een schijn van verontschuldiging vanwege het geringe, het onaanzienlijke van Zijn uiterlijk voorkomen, en de vooroordelen des volks tegen Hem, en het bewijs Zijner Goddelijke zending was niet volledig gegeven dan na Zijne opstanding, en daarom zal hun, als zij berouw hebben en zich bekeren, vergeving worden geschonken. En het is te hopen, dat zij bij de uitstorting des Geestes, tot overtuiging zullen komen, gelijk dit dan ook geschied is met velen, die Zijne verraders en moordenaars zijn geweest. Maar indien zij, nadat de Heilige Geest is gegeven met Zijne gaven van innerlijke openbaring, het spreken van vreemde talen, en dergelijke bedelingen des Geestes onder de apostelen, toch nog voortgaan met den Geest te lasteren, alsof Hij een boze geest was, dan is er gene hoop, dat zij ooit tot het geloof in Christus zullen gebracht worden. Want ten eerste: Deze gaven des Heiligen Geestes in de apostelen waren het laatste bewijs, dat God gebruiken wilde ter bevestiging van het Evangelie, en werd voor het laatste bewaard, nadat de andere waren voorafgegaan. Ten tweede: Dit was het krachtigste bewijs en meer geschikt tot overtuigen dan de wonderen zelf. Ten derde: Daarom kunnen zij, die deze bedeling des Geestes lasteren, onmogelijk er toe gebracht worden om in Christus te geloven. Wat zou hen tot overtuiging kunnen brengen, die ze zullen toeschrijven aan ene samenspanning met Satan, gelijk de Farizeeën de wonderen daaraan hebben toegeschreven? Dit is zodanig ene sterkte des ongeloofs, dat een mens er nooit uit verdreven kan worden, en daarom is het onvergeeflijk, omdat berouw en bekering er voor de ogen des zondaars door verborgen worden. Hoedanig het vonnis is, dat er over geveld wordt: Het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. Gelijk er in den toenmaligen staat der Joodse kerk geen zoenoffer was voor de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, zo zal er onder de bedeling der Evangeliegenade, welke in de Schrift dikwijls de toekomende eeuw wordt genoemd, gene genade of vergeving zijn voor hen, die het bloed des Testaments onrein achten en den Geest der genade smaadheid aandoen. Er is gene genezing voor ene zonde, die zo regelrecht tegen het geneesmiddel ingaat. In onze oude wetten gold de regel: Geen heiligdom (als toevluchtsoord) voor heiligschennis. Of wel: Het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, dat is: noch heden, in zijne eigene consciëntie, noch in de toekomende, dat is: in den groten dag, wanneer de vergeving afgekondigd zal worden. Of wel: dit is ene zonde, die den zondaar blootstelt aan tijdelijke en eeuwige straf, zowel aan den toorn van heden als aan den toekomenden toorn.
2. Christus spreekt hier van nog andere boze woorden, als vruchten van bederf, dat in het hart heerst, vers 33-35. In vers 25 was gezegd, dat Jezus hun gedachten kende, en hier sprak Hij met het oog op die gedachten, aantonende, dat het niet vreemd was, dat zij zo slechte woorden spraken, daar hun hart zo vol was van vijandschap en boosheid, hoewel zij dit zo dikwijls poogden te bemantelen door zich als rechtvaardigen voor te doen. Onze Heere Jezus wijst dus op de bron en heelt haar, laat het hart geheiligd zijn, en dan zal dit blijken in onze woorden. Het hart is de wortel, de taal is de vrucht, vers 33, indien de aard van den boom goed is, dan zal hij dienovereenkomstig vrucht voortbrengen. Waar genade het heersend beginsel is in het hart, zal de taal de taal van Kanaän zijn, terwijl, van den anderen kant, elke lust, die in het hart heerst, zich ook naar buiten zal openbaren. Zieke longen veroorzaken een kwalijk riekenden adem. De spraak der mensen verraadt het land, vanwaar zij afkomstig zijn, en evenzo geeft zij te kennen van welken geest zij zijn. Of maakt den boom goed, en dan zal de vrucht goed zijn. Verkrijgt een rein hart, en dan zult gij reine lippen en een rein leven hebben, of anders zal de boom kwaad en dienovereenkomstig de vrucht zijn. Gij kunt een wilden boom goed maken, door er een twijg van een goeden boom in te enten, en dan zal de vrucht ook goed zijn. Indien de boom echter dezelfde blijft, plant hem waar gij wilt, en bewater hem zoveel gij wilt, de vrucht zal bedorven blijven. Tenzij het hart veranderd wordt, zal er gene verbetering van leven zijn. Deze Farizeeën schuwden wel hun boze gedachten omtrent Jezus Christus uit te spreken, maar Christus geeft hun te verstaan, hoe ijdel hun poging was, om dien wortel van bitterheid in hun hart te verbergen of te verhelen, waaruit al die gatie en alsem is voortgekomen, daar zij nooit gepoogd hadden dien wortel uit te roeien of te doden. Het behoort veel meer ons streven te zijn om in werkelijkheid goed te wezen, dan om er den uiterlijken schijn van te hebben. Het hart is de bron, de woorden zijn de stromen, vers 34, Uit den overvloed des harten spreekt de mond, gelijk de stromen de uitvloeiingen zijn van de bron. Een boos hart wordt gezegd zijne boosheid op te geven, zoals een bornput zijn water opgeeft, Jeremia 6:7. Ene beroerde fontein en verdorven springader, gelijk die, waarvan Salomo spreekt, Prediker 25:26 moet noodzakelijkerwijs modderige en onaangename stromen opgeven. Boze woorden zijn het natuurlijke, echte voortbrengsel van een boos hart. Niets dan het zout der genade, in de bron geworpen, kan die wateren gezond maken, het woord in aangenaamheid doen zijn, en kwade samensprekingen reinigen. Dit ontbrak hun. Zij waren boos, en hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? Zij waren adderengebroedsels, Johannes de Doper had hen zo genoemd, Hoofdstuk 3:7, en zij waren nog dezelfden, want, zal een Moorman zijne huid veranderen? Het volk beschouwde de Farizeeën als een geslacht van heiligen, maar Christus noemt hen een geslacht van adders, het zaad der slang, dat vijandschap had tegen Christus en Zijn Evangelie. Wat is nu van adderengebroedsel anders te wachten, dan dat het giftig en boosaardig is? Kan ene adder iets anders dan giftig zijn? Van slechte mensen kan men slechte dingen verwachten, gelijk het spreekwoord der ouden zegt: Van de goddelozen komt goddeloosheid voort, 1 Samuël 24:14. Zij, die zelf boos zijn, hebben noch het vermogen, noch den wil om goede dingen te spreken, zoals zij gesproken moeten worden. Christus wil Zijne discipelen doen weten wat soort van mensen het waren, onder wie zij hadden te leven, opdat zij zouden weten wat zij te verwachten hadden. Zij zijn als Ezechiël, die bij de schorpioenen woonde, Ezechiël 2:6, en dus moeten zij het niet vreemd vinden, als zij gestoken en gebeten worden. Het hart is de schat, de woorden zijn de dingen, die uit dien schat voortgebracht worden, vers 35, daarnaar kan het karakter der mensen getekend en beoordeeld worden. Het is het kenmerk van een goeden mens, dat hij een goeden schat in zijn hart heeft, en daaruit goede dingen voortbrengt naar de gelegenheid zich voordoet. Genadegaven, vertroostingen, ervaringen, goede kennis, goede gelegenheden, goede besluiten of voornemens zijn de goede schat in het hart . Het woord van God, daarin verborgen, de wet van God, daarin geschreven, Goddelijke waarheden, die daarin wonen en heersen, zijn daar een schat, kostbaar en bruikbaar, veilig bewaard en veilig geborgen, als de voorraad van een goeden heer en bestierder des huizes, maar bij alle gelegenheden tot gebruik gereed. Een goede mens, aldus voorzien zijnde, zal, evenals Jozef uit zijne voorraadschuren, ze voortbrengen. Hij zal spreken en doen wat goed is, tot Gods eer, en tot stichting van anderen. Zie Prediker 10:11, 13, 14, 20, 21, 31, 32. Dat is goede dingen voortbrengen. Sommigen maken aanspraak op goede uitgaven te doen, die geen goeden schat hebben-dezen zullen spoedig bankroet gaan. Anderen beweren een goeden schat van binnen te hebben, maar geven er geen blijk of bewijs van. Zij hopen, dat zij dien schat in zich hebben, en danken God, dat zij, wàt ook hun woorden, en hoe ook hun daden mogen zijn, een goed hart hebben. Maar het geloof, zonder de werken, is dood. En sommigen hebben een goeden schat van wijsheid en kennis, maar zij zijn niet mededeelzaam, zij brengen er niet uit voort. Zij hebben een talent, maar weten er geen handel mede te doen. De volkomen Christen draagt hierin het beeld van God, dat hij goed is, en goed doet. Het is het ken merk van een bozen mens, dat hij een bozen schat in zijn hart heeft, en hij brengt er boze dingen uit voort. Bederf en boze lusten, heersende in het hart, zijn een boze schat, waaruit de zondaar slechte woorden en daden voortbrengt tot oneer van God en tot schade van den naaste. Zie Genesis 6:5, 12, Mattheus 15:18-20, Jakobus 1:15. Maar schatten van goddeloosheid, Prediker 10:2, zullen schatten van toorn zijn.
3. Christus spreekt hier van ijdele woorden, en toont aan, welk kwaad er in is gelegen, vers 36, 37, en veel meer nog was, in de boze woorden, door de Farizeeën gesproken. Het is van zeer groot belang voor ons om veel te denken aan den dag des oordeels, opdat dit een breidel zij voor onze tong. Laat ons bedenken: Hoe nauwkeurige rekenschap wij in dien dag van de zonden der tong zullen hebben te geven, daar voor ieder ijdel woord, dat de mensen spreken, rekenschap door hen gegeven zal moeten worden. Dit geeft te kennen, dat God acht geeft op ieder woord, dat wij zeggen, zelfs op die, waarop wij zelven geen acht slaan. Zie Psalm 139:
4. Geen woord op mijne tong, of Gij weet het, hoewel het zonder nadenken of bedoeling gesproken is, neemt God er toch kennis van. Alle ijdele, ongepaste taal mishaagt God, alles wat niet strekt tot enig goed, is ook niet nuttig of stichtelijk, het is het voortbrengsel van een ijdel, beuzelachtig hart. Deze ijdele woorden staan gelijk met het zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen, Efeze 5:4. Dat is de zonde, die zelden ontbreekt in de veelheid van woorden, in woorden die niet baten, Job 15:3. Weldra hebben wij rekenschap te geven van deze ijdele woorden, zij zullen tegen ons aangevoerd worden als een bewijs, dat wij onnutte dienstknechten zijn geweest, die ons voordeel niet hebben gedaan met de gaven van verstand en van sprake, die een deel uitmaken van de talenten, die ons werden toevertrouwd. Als wij geen berouw hebben van onze ijdele woorden, en onze rekening er van niet opgewogen wordt door het bloed van Christus, dan zijn wij verloren. Hoe streng het oordeel zal zijn, dat hierop volgt, vers 37. Uit uwe woorden zult gij geoordeeld worden, of veroordeeld worden, een algemene regel voor het oordeel der mensen, en hier toegepast op het oordeel van God. De strekking onzer woorden en gesprekken, zal, naar zij Godvruchtig of ongodvruchtig is, in den groten dag voor of tegen ons getuigen. Zij, die Godsdienstig schenen te zijn, maar hun tong niet in toom hielden, zullen bevinden, dat zij zich zelven met een ijdelen Godsdienst hebben bedrogen, Jakobus 1:26. Sommigen denken, dat Christus hier zinspeelt op het gezegde van Elifaz: Uw mond verdoemt u, en niet ik, of liever naar het woord van Salomo: Dood en leven zijn in het geweld der tong, Prediker 18:21.