Genesis 8:6-12
Wij hebben hier een bericht over de verkenners, die Noach uitzond om hem tijding van buiten te brengen, een raaf en een duif.
Merk hier op:
I. Dat God wel aan Noach zeer bijzonder de tijd had meegedeeld wanneer de vloed zou komen, tot op de eigen dag zelfs, Hoofdstuk 7:4, maar hem niet door een openbaring bijzonder bericht gaf van de tijd wanneer, en door welke middelen, de vloed zou verdwijnen.
1. Omdat de kennis van het eerste noodzakelijk was voor de toebereiding van de ark en om er zich in te vestigen, maar de kennis van het laatste kon alleen dienen om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, en het verbergen er van voor hem was een nodige oefening van zijn geloof en geduld. En:
2. Hij kon de vloed niet anders voorzien dan door openbaring, maar het afnemen er van kon hij door gewone middelen ontdekken, en daarom heeft het Gode behaagd hem aan het gebruik dier middelen over te laten.
II. Dat Noach, hoewel hij door geloof zijn bevrijding verwachtte, en haar geduldig heeft verbeid, er toch naar gezocht heeft, als iemand, aan wie de gevangenschap lang viel. Begeerten naar verlossing uit benauwdheid, het ernstige verwachten er van, en een onderzoek naar het naderen er van, kunnen zeer wel samengaan met geloof en lijdzaamheid. Die gelooff zal niet haasten om God vooruit te lopen, maar wèl zal hij haasten om uit te gaan om Hem te ontmoeten, Jesaja 28:16.
1. Noach zond een raaf uit door het venster van de ark, die uitging, heen en weer ging uitging en wederkeerde-staat er in het Hebreeuws, dat is: rondvloog, azende op de drijvende lijken, maar naar de ark weerkeerde om te rusten, waarschijnlijk niet in de ark, maar er op. Dit gaf weinig voldoening aan Noach, daarom:
2. Zond hij een duif uit, die de eerste maai zonder goede tijding terugkeerde, nat en vuil waarschijnlijk, maar de tweede maal bracht zij een olijfblad in haar bek, die bleek pas afgeplukt te zijn, een duidelijk teken dat thans de bomen, de vruchtbomen, boven het water begonnen uit te komen.
Merk hier op:
a. Dat Noach de duif voor de tweede maal uitzond zeven dagen na de eerste maal, en ook de derde maal was het na zeven dagen, en waarschijnlijk was het zeven dagen na het uitzenden van de raaf, dat zij voor de eerste maal werd uitgezonden, hetgeen aanduidt, dat het op de sabbatdag geschiedde, die Noach Godsdienstig in de ark waargenomen scheen te hebben. De sabbat in een plechtige bijeenkomst van zijn kleine gemeente gevierd hebbende, verwachtte hij zegeningen van de hemel, en deed er onderzoek naar. Zijn gebed opgezonden hebbende, hield hij wacht, Psalm 5:4.
b. De duif is een zinnebeeld van een Godvruchtige, die, geen rust vindende voor de holte zijns voets, geen wezenlijke vrede of voldoening in deze wereld, deze overstroomde, verontreinigde wereld, tot Christus weerkeert als tot zijn Ark, zijn Noach. Het vleselijk-gezinde hart is als de raaf, het vergenoegt zich met de wereld, voedt zich met het aas, dat het er vindt, maar gij, o mijne ziel! keer weer tot uw rust, uw Noach, zoals er in het Hebreeuws staat in Psalm 116:7. Och dat mij iemand vleugelen als van een duif gave, om tot Hem henen te vliegen! Psalm 55:7. En gelijk Noach zijn hand uitstak, en de duif nam, en ze tot zich in de ark bracht, zo zal Christus genadig bewaren, helpen en verwelkomen hen, die tot Hem vlieden om rust te vinden.
c. De olijftak, het embleem van vrede, werd niet gebracht door de raaf, een roofvogel, noch door een zwierige, trotse pauw, maar door een zachtaardige, geduldige, nederige duif. Het is een zachte gemoedsgesteldheid, die een voorsmaak van rust en blijdschap in de ziel brengt.
d. Sommigen maken deze dingen tot een allegorie. De wet werd eerst uitgezonden, zoals de raaf, maar zij bracht geen tijding van het afnemen van de wateren van Gods toorn, die de wereld van het mensdom hadden overstelpt, daarom heeft God in de volheid des tijds Zijn evangelie uitgezonden, als de duif, in welker gedaante de Heilige Geest is neergekomen, en dit brengt ons de olijftak, de betere hoop.