2 Samuël 6:1-5
Wij hebben geen woord over de ark gehoord sedert zij na haar terugkomst uit de gevangenschap onder de Filistijnen te Kirjath-Jearim was ondergebracht, 1 Samuël 7:1,2, behalve die ene maal toen Saul haar liet halen, 1 Samuël 14:18. Hetgeen in vroeger dagen van zoveel gewicht was, is nu als een veronachtzaamd ding ter zijde geworpen, en dat wel gedurende vele jaren. En zo nu de ark gedurende zo lange tijd in een huis was, laat het dan niet vreemd gevonden worden, dat wij de kerk gedurende zo lange tijd in de woestijn vinden, Openbaring 12:14. Voortdurende zichtbaarheid is geen kenmerk van de ware kerk. God is genadig met de zielen van Zijn volk, als zij de uitwendige tekenen van Zijn tegenwoordigheid ontberen. Maar nu David op de troon is bevestigd, begint de eer van de ark te herleven en Israëls zorg er voor op te bloeien, waaraan de Godvruchtigen onder hen ongetwijfeld ook wel gedacht hebben, maar "zij hebben de gelegenheid niet gehad," Filipp. 4:10.
I. Hier wordt eervolle melding gemaakt van de ark. Er is in lange tijd niet van gesproken, maar, nu er van gesproken wordt, merk op hoe zij wordt beschreven, vers 2. Het is de ark Gods, bij welke de naam wordt aangeroepen, de naam des Heren der heirscharen, die daarop woont tussen de cherubim. Of, op welke de naam des Heren der heirscharen wordt aangeroepen, of, om welke de naam is uitgeroepen, de naam van de Here der heirscharen, dat is: God werd grotelijks verheerlijkt in de wonderen, die voor de ark geschiedden. Of, de ark van God, die genoemd is de naam, Leviticus 24:11, 16, de naam van de Here der heirscharen, die er op gezeten is. Laat ons hieruit leren:
1. Hoog van God te denken en te spreken. Hij is de naam boven iedere naam, de Here der heirscharen, die alle schepselen in hemel en op aarde onder Zijn gebied heeft, van allen hulde ontvangt, en wie het toch behaagt tussen de cherubim te wonen, boven het verzoendeksel zich genadig aan Zijn volk openbaart, met hen verzoend is in de Middelaar en bereid is om hun wel te doen.
2. Met eerbied te denken aan en te spreken van de heilige inzettingen, die voor ons zijn wat de ark geweest is voor Israël, de tekenen van Gods tegenwoordigheid, Mattheus 28:20, en de middelen van onze gemeenschapsoefening met Hem, Psalm 27:4. Het is de eer van de ark dat zij de ark Gods is, Hij ijvert er voor, is er verheerlijkt in, Zijn naam wordt er over aangeroepen. De Goddelijke instelling zet schoonheid en majesteit bij aan de heilige inzettingen die anders geen gedaante of heerlijkheid zouden hebben. Christus is onze ark, in en door Hem openbaart God Zijn gunst, en deelt Hij ons Zijn genade mede, en neemt Hij onze aanbidding aan en onze gebeden.
II. Hier wordt aan de ark bij haar verplaatsing een eervol geleide gegeven. Nu wordt er eindelijk eens naar gevraagd. David deed het voorstel, 1 Kronieken 13:1-3, en de hoofden van de vergadering stemden er mee in, vers 4. Al de uitgelezen mannen Israëls worden saamgeroepen, om aan de plechtigheid luister bij te zetten en hun vreugde te kennen te geven wegens haar opvoering naar Jeruzalem. De hoge adel en de mindere adel, oudsten en ambtlieden, kwamen ten getale van dertig duizend, vers 1 , behalve nog het gewone volk, want sommigen denken dat het geschiedde bij gelegenheid van een van de drie grote jaarlijkse feesten. Dit moet een indrukwekkende optocht geweest zijn wel geschikt om de jongelieden onder het volk, die misschien nauwelijks van het bestaan van de ark gehoord hadden, een grote eerbied er voor in te boezemen, want het moest wel een onwaardeerbare schat zijn, die de koning zelf en al de groten des lands begeleidden en tot erewacht strekten.
III. Bij het verplaatsen van de ark is hier zeer groot vreugdebetoon, vers 5. David zelf en allen die bij hem waren en behagen vonden in muziek, maakten gebruik van de muziekinstrumenten, die zij bezaten om uitdrukking te geven aan hun vreugde. Het kon hen wel in een vervoering van blijdschap brengen de ark uit die geringe, onaanzienlijke plaats tevoorschijn te zien komen om naar de plaats gebracht te worden, die God voor de openbare eredienst had bestemd. Het is beter de ark in een huis te hebben, dan haar in het geheel niet te hebben, beter in een huis dan gevangen in Dagons tempel. Maar het is zeer begeerlijk om haar in een tent te hebben, die voor dat doel is opgericht, waar de mensen er meer open en vrije toegang toe kunnen hebben. Evenals de verborgen aanbidding beter is hoe meer verborgen zij is, zo is de openbare aanbidding beter hoe meer openbaar zij is, en wij hebben reden ons te verblijden, als elk bedwang of beletsel is weggenomen, en de ark Gods welkom wordt geheten in de stad Davids, en niet slechts beschermd en geduld wordt door de burgerlijke macht, maar gesteund en aangemoedigd, uit vreugde hierover speelden zij voor het aangezicht des Heren. Openbare vreugde moet altijd voor het aangezicht des Heren zijn met het oog op Hem en eindigende in Hem en moet niet ontaarden in hetgeen vleselijk en zinnelijk is. Dr. Lightfoot denkt dat David bij die gelegenheid de 68sten psalm heeft geschreven, omdat hij begint met het aloude gebed van Mozes bij het opvoeren van de ark. Laat God opstaan en Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en in vers 26 wordt daar nota genomen van de zangers en speellieden, die de optocht vergezelden, en in vers 28 van de vorsten van verschillende stammen. En misschien zijn de woorden in het laatste vers: o God! Gij zijt vreeslijk uit Uw heiligdommen er bij gelegenheid van de dood van Uzza aan toegevoegd.
IV. Hier is een vergissing, waaraan zij zich in deze zaak hebben schuldig gemaakt, namelijk dat zij de ark vervoerd hebben op een wagen, terwijl de priesters haar op hun schouders hadden moesten dragen, vers 3. Aan de Kohathieten, die met de ark belast waren, waren geen wagens toegewezen, omdat "de dienst van de heilige dingen op hen was, die zij op de schouderen droegen," Numeri 7:9. De ark was geen zo zware last, of zij konden haar onder elkaar wel op hun schouders tot aan de berg Zion gedragen hebben, zij behoefden haar niet, alsof het een gewoon ding was, op een wagen te zetten. Het was geen verontschuldiging voor hen, dat de Filistijnen dit gedaan hadden en er niet voor gestraft waren, zij wisten niet beter, en zij hadden ook geen priesters of Levieten die het op zich konden nemen om haar te dragen, beter haar te vervoeren op een wagen dan dat de priesters van Dagon haar zouden dragen. Filistijnen kunnen de ark straffeloos op een wagen vervoeren, maar als Israëlieten het doen doen zij het op hun gevaar. En de zaak werd er zeer weinig beter om, dat het een nieuwe wagen was, oud of nieuw, het was niet wat God bevolen had. Ik vraag mij af, hoe zo'n wijs en Godvruchtig man als David was, die zoveel omgang had met de wet van God, zich aan zodanige vergissing heeft kunnen schuldig maken. Wij willen in liefde hopen dat het was omdat hij zich zo bezighield met het wezen van de dienst, dat hij dit bijkomstige over het hoofd heeft gezien.