2 Samuël 10:1-5
I. Hier is: De grote achting, die David bewees aan zijn nabuur, de koning van de Ammonieten, vers 1, 2.
1. De beweegreden er toe was de een of andere vriendelijkheid, die hij vroeger van Nahas, de overleden koning, ontvangen had. Hij heeft weldadigheid aan mij gedaan, zegt David, vers 2, en daarom (onlangs genoegen hebbende gesmaakt in weldadigheid te doen aan Mefiboseth om zijn vaders wil) besluit hij weldadigheid te doen aan zijn zoon en een vriendelijke verstandhouding met hem te hebben. Zo moet het genoegen van de ene vriendelijke en edelmoedige daad ons opwekken tot een andere. Nahas is een vijand geweest van Israël, een wreed vijand, 1 Samuël 11:2, en toch had hij weldadigheid gedaan aan David, misschien wel alleen om Saul tegen te staan, die onvriendelijk voor hem was. Evenwel, als David vriendelijkheid ontvangen heeft, wil hij geen angstvallig onderzoek instellen naar de beweegreden er van, maar besluit hij haar dankbaar te vergelden. Als een Farizeër aalmoezen geeft uit hoogmoed, zal God er hem niet voor belonen, maar die de aalmoezen ontvangen hebben, moeten er hem dank voor zeggen, God kent het hart, maar wij kennen het niet.
2. De achting, door hem betoond, bestond in het zenden van een gezantschap van rouwbeklag over de dood zijns vaders, zoals dit de gewoonte is onder vorsten, die in verbond zijn met elkaar. David zond heen om hem te troosten. Voor kinderen, wier ouders gestorven zijn, is het een troost, te bevinden dat de vrienden hunner ouders hun vrienden zijn, en voornemens zijn de vriendschap met hen aan te houden. Het is voor rouwdragenden een troost, te bevinden dat er zijn, die met hen treuren, hun verlies beseffen en er met hen in delen. Het is een troost voor hen, die de nagedachtenis eren van hun gestorven bloedverwanten, te bevinden dat ook anderen haar eren, en waardering hadden voor hen, die zij hebben gewaardeerd.
II. De grote belediging, die Hanun, de koning van de Ammonieten, David heeft aangedaan in zijn gezanten.
1. Hij luisterde naar de kwaadaardige inblazingen van zijn vorsten, die te kennen gaven dat Davids gezanten, onder voorwendsel van rouwbeklag te komen doen, in werkelijkheid spionnen waren, vers 3. Leugenachtige mensen zijn spoedig bereid om te denken dat anderen even leugenachtig zijn als zij, en zij, die kwaadwillig zijn voor hun naburen, zijn vast besloten om niet te geloven dat hun naburen hun welgezind zijn. Zij zouden niet aldus gedacht hebben dat David veinsde, indien zij zich niet bewust waren dat zij geveinsd zouden hebben, indien dit met hun belang had gestrookt. Ongegronde achterdocht te koesteren is een blijk van een slecht karakter. Bisschop Patrick merkt hierbij aan dat niets zo goed bedoeld kan zijn, of er kan een slechte uitlegging aan worden gegeven, en dit zal gewoonlijk gedaan worden door hen, die niemand liefhebben dan zichzelf. Mensen van de grootste achtbaarheid en deugd moeten het niet vreemd vinden, indien zij aldus verkeerd worden voorgesteld. De liefde denkt geen kwaad.
2. Aan die lage inblazing gehoor gevende, heeft hij Davids gezanten op laaghartige wijze mishandeld, als een man van een lage, slechte gezindheid, die meer geschikt was om een hondenhok te regeren dan om een kroon te dragen. Indien hij redenen had om te vermoeden dat Davids boden met slechte bedoelingen zijn gekomen, dan zou hij voorzichtig genoeg gedaan hebben, zo hij terughoudend met hen geweest was, en hen zo spoedig hij kon had weggezonden, maar het is duidelijk dat hij slechts naar een gelegenheid zocht om hun de uiterste smaadheid aan te doen, uit haat tegen hun koning en hun land. Zij waren zelf achtbare mannen, en nog temeer als de vertegenwoordigers van de vorst, die hen gezonden had, zij en hun eer waren onder de bijzondere bescherming van het volkenrecht, zij stelden vertrouwen in de Ammonieten, en kwamen ongewapend tot hen, en toch behandelde Hanun hen als schelmen en landlopers, ja erger, hij schoor hun baard half af, en sneed hun klederen half af, om hen prijs te geven aan de smaad en de spotternij van zijn knechten, die hen zullen beschimpen.
III. Davids tedere bekommernis over zijn dienstknechten, die aldus mishandeld waren. Hij zond hun tegemoet, en liet hun weten hoeveel belang hij stelde in hun twist, en dat hij die spoedig zou wreken, en beval hun te Jericho te blijven, een stille plaats, waar zij niet in de gelegenheid zouden zijn om in gezelschap te komen, totdat de helft van hun baard, die afgeschoren was, zo gegroeid was, dat de andere helft er voegzaam gelijk mee geknipt kon worden, vers 5. De joden droegen lange baarden, achtten het een eer om een bejaard, ernstig voorkomen te hebben, en daarom betaamde het niet dat mannen van hun rang aan het hof zouden verschijnen, terwijl zij er zo geheel anders uitzagen dan hun naburen. Waarschijnlijk hadden zij wel andere klederen bij zich om aan te doen inplaats van die, waarvan de helft afgesneden was, maar het verlies van hun baard kon niet zo spoedig hersteld worden, mettertijd zal die echter wel aangroeien en dan zal alles wel wezen. Laat ons hieruit leren om onrechtvaardige smaad niet al te zeer ter harte te nemen, na een wijle houdt hij vanzelf op, en wordt dan in schande verkeerd voor hen, die er de werkers van waren, terwijl de verkorte eer binnen weinig tijds weer toeneemt en hersteld wordt. God zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, daarom: verbeid Hem, Psalm 37:6, 7.
Sommigen waren van oordeel dat David, in de belediging hem door de koning van Ammon aangedaan, zijn loon gehad heeft voor zijn aanzoek om vriendschap met die heidense koning, die hij toch wist een onverzoenlijk vijand van Israël te zijn, en nu kon gedenken hoe hij, toen hij het rechteroog van de mannen van Jabes in Gilead wilde uitsteken, er mee bedoeld heeft "deze schande op geheel Israël te leggen," 1 Samuël 11:2. Welke betere behandeling kon hij verwachten van zo'n boosaardig geslacht en volk? Waarom moet hij naar de vriendschap dingen van een volk, waarmee Israël zo weinig te doen moet hebben, dat "geen Ammoniet in de vergadering des Heren mocht komen, tot zelfs in hun tiende geslacht?" Deuteronomium 23:3.