2 Samuël 8:1-8
God had aan David rust gegeven van al zijn vijanden, die hem tegenstonden, en daar hij van die rust een goed gebruik heeft gemaakt wordt hem nu de opdracht gegeven om krijg tegen hen te voeren, aanvallenderwijs op te treden, ten einde Israëls twist te wreken en hun rechten te verkrijgen, want totnutoe waren zij nog niet in het volle bezit van het land, waar zij door Gods belofte recht op hadden.
I. De Filistijnen bracht hij geheel en al tenonder, vers 1. Zij hadden hem aangevallen, toen zij hem zwak waanden, Hoofdstuk 5:17, en toen moesten zij het onderspit delven, maar toen hij zich sterk wist, viel hij hen aan en maakte zich meester van hun land. Zij hadden Israël lang gekweld en verdrukt, Saul kon geen veld op hen winnen, maar David voltooide Israëls verlossing, die Simson lang tevoren begonnen had, Richteren 13:5. Meteg-Amma was Gath, de voornaamste en koninklijke stad van de Filistijnen, en de steden die er toe behoorden, onder welke een blijvend garnizoen door de Filistijnen werd gehouden op de heuvel van Amma, 2 Samuël 2:24, dat Meteg was, een teugel-dat is de betekenis van het woord-of bedwang op het volk van Israël, deze teugel nu nam David uit hun handen, en gebruikte hem als een bedwang op hen. Zo worden, als de sterk gewapende ontwapend is, de wapenen, waarop hij vertrouwde, hem ontnomen en tegen hem gebruikt, Lukas 11:22. En na de langdurige en herhaalde worstelingen, die de heiligen met de machten van de duisternis hebben gehad, zoals Israël met de Filistijnen, zal de Zone Davids hen allen onder Zijn voeten vertreden, en zullen de heiligen meer dan overwinnaars doen zijn.
II. Hij sloeg de Moabieten en maakte hen schatplichtig aan Israël, vers 2. Hij verdeelde het land in drie delen, van welke hij twee verwoestte, de sterkten nederwerpende, en de inwoners over de kling jagende, het derde deel spaarde hij om de grond te bewerken en dienstknechten te zijn voor Israël. Dr. Lightfoot zegt: hij legde hen op de grond en mat hen met een snoer wie gedood zou worden en wie in het leven zou blijven, en dit wordt genoemd: "het afmeten van het dal Sukkoth," Psalm 60:8. De Joden zeggen, dat hij zo streng was voor de Moabieten, omdat zij zijn ouders en broeders gedood hadden, die hij gedurende zijn ballingschap onder de bescherming van de koning van de Moabieten had gesteld, 1 Samuël 22:3, 4. Hij deed het in gerechtigheid, omdat zij gevaarlijke vijanden zijn geweest van Gods Israël, en in staatkundige wijsheid, omdat zij, zo hun macht onverbroken bleef, het ook nog verder zouden zijn. Doch merk op: hoewel het nodig was dat twee derde gedood zou worden, was toch het snoer om in het leven te laten, wel slechts een snoer, maar het was een vol snoer. Geef daar genoegzame lengte aan, laat het snoer van de barmhartigheid zover mogelijk kunnen reiken, "in favorem vitae-om ten gunste van het leven" te zijn. Acten van straffeloosheid moeten zo uitgelegd worden, dat de gunst er door wordt verruimd, zovelen als maar mogelijk is er door worden bereikt. Nu kwam Bileams profetie in vervuiling: "er zal een scepter uit Israël opkomen, die zal de landpalen van de Moabieten verslaan," tot het uiterste waarvan het noodlottige snoer zich uitstrekte Numeri 24:17. De Moabieten zijn aan Israël schatplichtig gebleven tot na de dood van Achab, 2 Kronieken 3:4, 5. Toen kwamen zij in opstand, en zijn daarna nimmer meer tenonder gebracht.
III. Hij sloeg de Syriërs, of Aramieten, er waren twee onderscheiden koninkrijken van hen, zoals wij van hen gesproken zien in het opschrift van de 60sten psalm, "Aram naharaim, Syrië van de rivieren," welks hoofdstad Damascus was, (vermaard om zijn rivieren, 2 Koningen 5:1, en Aram zoba, dat er aan grensde, maar zich uitstrekte tot aan de Eufraat. Deze waren de twee noordelijke kronen.
1. David begon met de Syriërs van Zoba vers 3, 4. Toen hij zijn grens aan de Eufraat ging vaststellen, (want zover strekte het land zich uit, dat door de Goddelijke schenking aan Abraham en zijn zaad was toegewezen, Genesis 15:18, heeft de koning van Zoba hem tegengestaan, daar hij in het bezit was van de landen die aan Israël toekwamen, maar David versloeg zijn krijgsmacht, en nam zijn wagenen en ruiters. Het getal van de ruiters wordt hier opgegeven als zeven honderd, maar in 1 Kronieken 18:4 als zeven duizend. Indien zij hun ruiters indeelden bij tien in een compagnie, zoals waarschijnlijk is, dan waren de kapiteins en compagnieën zevenhonderd in aantal, maar de ruiters zevenduizend. David ontzenuwde de paarden, dat is sneed hun hielpezen door en maakte ze aldus kreupel en onbruikbaar, tenminste voor de krijg, daar God hun verboden had "de paarden te vermenigvuldigen," Deuteronomium 17:16. Uit de duizend wagenen behield David slechts honderd voor zijn eigen gebruik, want hij stelde zijn kracht niet in wagenen of paarden, maar in de levende God, Psalm 20:8, en schreef uit zijn eigen opmerking, dat "het paard feilt ter overwinning," Psalm 33:17.
2. De Syriërs van Damascus, de koning van Zoba te hulp komende, zijn met hem gevallen. Twee en twintig duizend werden op het slagveld gedood, vers 5, zodat David zich gemakkelijk meester kon maken van het land, en er garnizoenen in kon leggen, vers 6. De vijanden van Gods kerk, die denken zich door hun verbintenissen te beveiligen, blijken in het einde zich door elkaar te verderven. "Vergezelt u tezamen, gij volken, doch wordt verbroken," Jesaja 8:9.
In al die oorlogen:
a. Was David beschermd. De Here behoedde David overal waar hij heen toog. Hij schijnt persoonlijk mee ten krijg uitgetrokken te zijn, en in de zaak voor God en Israël zijn leven in de waagschaal te hebben gesteld op de hoogten des velds maar God bedekte zijn hoofd ten dage des strijds, waarvan hij in zijn psalmen dikwijls spreekt tot eer van God.
b. Hij werd verrijkt. Hij nam de gouden schilden, die de dienaren van Hadadezer in hun bewaring hadden, vers 7, en veel koper uit de onderscheiden steden van Syrië, vers 8, waarop hij recht had, niet alleen "jure belli-naar het onbetwistbaar recht van het langste zwaard" (neem het en houd het) maar door opdracht van de hemel, en het aloude recht door de schenking van deze landen aan het zaad van Abraham.