2 Samuël 23:8-39
De lijst van de grote krijgshelden in Davids tijd, die de geschiedschrijver hier heeft opgenomen, is bedoeld:
1. Tot eer van David, die hen opgeleid heeft tot en geoefend heeft in de krijgskunst, en hun het voorbeeld heeft gegeven van moed en beleid. Het is de eer en roem, zowel als het voordeel, van een vorst, om omringd en gediend te zijn door zulke kloeke mannen als hier beschreven worden.
2. Ter ere van deze helden zelf, die medegewerkt hebben om David op de troon te brengen, er hem op bevestigd en beschermd hebben, en zijn veroveringen hebben uitgebreid. Zij, die in openbare betrekkingen hun leven aan gevaar blootstellen, zich te koste geven om de belangen van hun land te dienen, zijn dubbele eer waardig, moeten geëerd worden door hun eigen tijdgenoten en herdacht worden door het nageslacht.
3. Om hen, die later komen zullen, tot een edele wedstrijd op te wekken.
4. Om te tonen hoezeer de Godsdienst bijdraagt om de mensen met ware kloekmoedigheid te bezielen. Beide door zijn psalmen en door zijn offeranden voor de tempeldienst heeft David grotelijks de Godsvrucht bevorderd onder de groten en aanzienlijken van het rijk, 1 Kronieken 29:6, en toen zij vermaard werden om hun Godsvrucht, werden zij ook vermaard om hun dapperheid.
Deze helden worden hier in drie orden gerangschikt.
I. De eerste drie, die de grootste krijgsdaden hadden verricht, en er de grootste roem door hadden verworven: Adino, vers 8, Eleazar, vers 9, 10, en Samma, vers 11, 12. Ik herinner mij niet dat wij van deze of van hun daden iets gelezen hebben in geheel de geschiedenis van David behalve hier en in de parallelplaats 1 Kronieken 11. Veel grote en merkwaardige gebeurtenissen zijn onvermeld gebleven in de annalen, welke eerder betrekking hebben op de vlekken dan op de glans van Davids regering, inzonderheid na zijn zonde in de zaak van Uria, zodat wij kunnen denken dat zij schitterender is geweest, dan zij ons toescheen terwijl wij er de geschiedenis van lazen.
De heldendaden van dit dappere triumviraat zijn hier vermeld. Zij onderscheidden zich in de oorlogen van Israël tegen hun vijanden, inzonderheid tegen de Filistijnen.
1. Adino heeft achthonderd vijanden op eenmaal verslagen met zijn spies.
2. Eleazar hoonde de Filistijnen, zoals zij door Goliath Israël hadden gehoond, maar met meer succes en groter dapperheid, want toen de mannen Israëls weg waren gegaan is hij niet alleen stand blijven houden, maar hij stond op en sloeg onder de Filistijnen, over wie God een schrik deed komen, even groot als de kloekmoedigheid, waarmee deze held bezield was. Zijn hand was moede, maar zij kleefde aan zijn zwaard, zolang er nog enige kracht in hem was overgebleven hield hij zijn wapen vast en volgden zijn slagen elkaar op. Zo behoren wij in de dienst van God de gewilligheid en vastberadenheid van de geest op te houden, in weerwil van de zwakheid en vermoeidheid van het vlees, moede, nochtans vervolgende, Richteren 8:4, de hand moede, maar toch het zwaard blijvende vasthouden. Nu deze Eleazar de vijand had geslagen, zijn de mannen Israëls, die heen waren gegaan uit de krijg, vers 9, teruggekeerd om te plunderen, vers 10. Gewoonlijk zullen zij, die het veld verlaten als er iets gedaan moet worden, er zich heen spoeden als er iets te krijgen is.
3. Samma ontmoette een bende van de vijand, die aan het plunderen was, en versloeg haar, vers 11, 12. Doch merk op betreffende deze en de vorige heldendaad, dat hier gezegd wordt: de Here wrocht een groot heil. Hoe groot de kloekmoedigheid ook is van de werktuigen, de lof voor de verrichting moet aan God gegeven worden. Zo beroeme de sterkte zich dan niet in zijn sterkheid, of in zijn krijgskundige verrichtingen. maar die roemt, roeme in de Here.
II. De volgende drie waren onderscheiden van, en geëerd boven de dertig, maar tot de drie eersten kwamen zij niet, vers 23. Alle grote mannen zijn niet van dezelfde statuur. Menige heldere, weldadige ster schittert aan de hemel, die toch niet van de eerste grootte is, en er is menig goed schip, dat geen schip van de eerste klasse is. Van dit tweede triumviraat worden slechts twee genoemd, Abisai en Benaja, die wij in de geschiedenis van David meermalen hebben aangetroffen, en die niet minder nuttig waren in de dienst, hoewel zij minder in waardigheid waren dan de eerste drie. Hier is:
1. Een kloeke daad door deze drie in vereniging met elkaar verricht. Zij hebben David vergezeld toen hij in moeilijkheid was en zich verborgen hield in de spelonk van Adullam, vers 13, zij hebben met hem geleden, en daarom zijn zij later door hem verhoogd. Toen David en de dappere mannen, die hem vergezelden en die zo krachtig tegen de Filistijnen waren opgetreden, door de ongerechtigheid van de tijden van Sauls regering genoodzaakt waren om zich in spelonken en vestingen te beschutten tegen zijn woede, was het niet te verwonderen dat de Filistijnen zich in het dal van Refaïm legerden, en in Bethlehem zelf een bezetting legden, vers 13, 14. Als de leidslieden van de kerk zo misleid zijn, dat zij sommigen van haar beste vrienden en kampioenen vervolgen, dan zal dit ongetwijfeld de algemene vijand zeer voordelig wezen. Indien David zijn vrijheid van beweging had gehad, dan zou Bethlehem nu niet in de handen van de Filistijnen zijn.
Maar dit zo zijnde, wordt ons hier meegedeeld:
A. Dat David vurig verlangde naar water uit Bethlehems bornput. Sommigen houden dit verlangen voor een begeerte naar het openbare welzijn, en dat zijn bedoeling was: "0 konden wij toch die Filistijnse bezetting uit Bethlehem verjagen, om aldus deze mijn geliefde stad weer tot de onze te maken", de bornput genomen zijnde voor de stad, zoals met de rivier dikwijls het land wordt aangeduid, waar zij doorheen stroomt. Maar indien hij het aldus heeft bedoeld, hebben de hem omringenden het toch zo niet begrepen, en daarom schijnt het veeleer een ogenblik van zwakheid bij hem geweest te zijn. Het was oogsttijd, het weer was warm, hij had dorst, goed drinkwater was misschien schaars, en daarom begeert hij vurig: "Kon ik slechts een enkele teug hebben van het water uit Bethlehems bornput!" Met het water uit die bron had hij zich dikwijls verkwikt, toen hij een jongeling was, en nu kan hem geen ander dan dit water bevredigen, hoewel het schier onmogelijk is om er aan te komen. Ander water zou zijn dorst even goed kunnen lessen, maar hij achtte dit water nu boven alle andere water begeerlijk. Hij gaf toe aan een lust, zonder dat hij er eigenlijk reden voor kon geven. Het is dwaas om zodanige lust te hebben, en nog dwazer is het om hem te willen bevredigen. Wij behoren onze lusten te onderdrukken, als zij zo bovenmate uitgaan naar dingen, die werkelijk aangenamer zijn dan andere dingen. Laat u niet bevredigen door smakelijke spijzen, maar nog veel meer als zij uitgaan naar dingen, die slechts een opkomende gril betreffen. B. Hoe kloekmoedig deze drie helden, Abisai Benaja en een opgenoemde, door het leger van de Filistijnen heenbreken, het gevaar in de mond liepen, en, zonder Davids voorkennis, water uit Bethlehems bornput hebben gehaald. Toen hij er naar verlangde, was het verre van hem om te begeren dat iemand van zijn mannen zijn leven zou wagen om het te halen, maar deze drie hebben het gedaan, vers 16, om te tonen:
a. Hoe hoog zij hun vorst waardeerden, en met welk een genoegen zij zich aan het grootste gevaar blootstelden en de grootste moeilijkheden verdroegen in zijn dienst. David was wel tot koning gezalfd, maar hij was toen nog een balling, een arme vorst, die zich door geen uitwendige voordelen aan de genegenheid en achting van zijn volgelingen kon aanbevelen, en hij was toen ook niet instaat hen te bevorderen of te belonen, maar deze drie waren aldus ijverig om hem voldoening te geven, omdat zij vast geloofden dat de tijd van de beloning komen zou. Laat ons bereid zijn om alles te wagen voor de zaak van Christus, zelfs als het een lijdende zaak is, ons er van verzekerd houdende dat zij zal overmogen, en dat wij er in het einde niets bij zullen verliezen. Waren zij zo ijverig om op de minste wenk van hun vorst hun leven te wagen en was het hun eerzucht hem te behagen? En zullen wij ons de Here Jezus niet aanbevelen door een gereed volbrengen van Zijn wil, die ons te kennen wordt gegeven door Zijn woord, Zijn Geest, de leidingen van Zijn voorzienigheid?
b. Hoe weinig zij de Filistijnen vreesden. Zij waren blij met een gelegenheid om hen te tarten. Of zij heimelijk door het leger zijn gebroken met zoveel voorzichtigheid en beleid dat de Filistijnen hen niet ontdekten, of openlijk, terwijl hun blik en houding zoveel schrik en ontzag inboezemden, dat de Filistijnen hen niet durfden tegentreden, is niet zeker, maar het schijnt wel dat zij zich met het zwaard in de vuist een weg gebaand hebben. Maar zie:
C. Met hoeveel zelfverloochening David, toen hij dit van verre gehaalde en duurgekochte water verkregen had, het heeft uitgegoten voor de Here, vers 16..
a. Aldus wilde hij tonen hoe dierbaar hem het leven van zijn krijgslieden was, en hoe verre het van hem was om hun bloed te willen verspillen, Psalm 72:14. Kostelijk in Gods oog is de dood van Zijn gunstgenoten.
b. Aldus wilde hij zijn leedwezen er over betuigen, dat hij het dwaze woord heeft gesproken, hetwelk aan deze mannen aanleiding heeft gegeven om hun leven in de waagschaai te stellen. Grote mannen moeten voorzichtig zijn in hun spreken, opdat van hetgeen zij zeggen geen slecht gebruik worde gemaakt door degenen, die hen omringen.
c. Aldus wilde hij een dergelijke roekeloosheid voor het vervolg voorkomen.
d. Aldus wilde hij die dwaze zin in hemzelf tegengaan en er zichzelf voor straffen die wens gekoesterd te hebben, en tonen dat hij sobere gedachten had, die zijn roekeloze gedachten in toom konden houden, en dat hij zich wist te verloochenen in hetgeen waar zijn hart het meest op gesteld was. Zodanige zelfverloochening betaamt hun die wijs, groot en Godvruchtig zijn.
e. Aldus wilde hij Gode eer en heerlijkheid geven. het water, tot zo dure prijs verkregen, achtte hij te goed, te kostbaar om door hem gedronken te worden, en alleen geschikt om als een drankoffer voor de Here te worden uitgegoten. Het was het bloed van deze mannen, het kwam aan God toe, want het bloed was altijd het Zijne.
f. Bisschop Patrick spreekt van sommigen, die denken dat David hiermede toonde dat het geen materieel water was, waarnaar hij verlangde, maar de Messias, die het water des levens had, die, naar hij wist, te Bethlehem geboren zou worden, dat de Filistijnen dus niet zullen kunnen vernietigen.
Eindelijk. Heeft David dit water als iets zeer kostelijks beschouwd, dat met gevaar van het bloed dier mannen verkregen was, en zullen wij dan niet nog veel meer de weldaden op prijs stellen, om welke te verkrijgen onze gezegende Heiland Zijn bloed heeft gestort? Laat ons het bloed des testaments niet onderschatten, zoals zij doen, die de zegeningen van het verbond onderschatten.
2. De kloeke daden van twee hunner bij andere gelegenheden. Abisai heeft op eenmaal drie honderd mannen verslagen, vers 18, 19. Benaja heeft veel grote dingen gedaan.
a. Hij versloeg twee Moabieten, die mannen waren als leeuwen, vers 20, zo stoutmoedig en sterk, zo woest en woedend als leeuwen.
b. Hij sloeg een leeuw in een kuil, hetzij in zelfverdediging zoals Simson, of misschien uit vriendelijkheid voor het land, een leeuw, die kwaad had aangericht. Daar het in de sneeuwtijd was, was hij stijver en de leeuw woedender en hongeriger, en toch overmeesterde hij hem.
c. Hij sloeg een Egyptisch man, bij welke gelegenheid wordt niet gezegd. Hij-de Egyptenaar-was goed gewapend, maar Benaja viel hem aan met geen beter wapen dan een wandelstok, ontwrong hem handig zijn spies en doodde hem er mede, vers 21. Voor dit en andere dergelijke wapenfeiten heeft David hem bevorderd tot kapitein van de lijfwacht, of staande krijgsmacht, vers 23.
III. Minder dan het tweede drietal, maar toch van groot aanzien waren de een en dertig, die hier met name genoemd zijn, vers 24 en verv. Asahel is de eerste, hij werd verslagen door Abner in het begin van Davids regering, maar verloor zijn plaats niet op deze lijst. Elhanan is de volgende, hij was een broeder van Eleazar, een van de eerste drie, vers 9. De bijnamen, die hun hier worden gegeven, schijnen ontleend te zijn aan de plaatsen hunner geboorte of hunner woning, zoals dit ook met veel bijnamen onder ons oorspronkelijk het geval is geweest. Uit alle delen des lands werden de verstandigste en dapperste mannen gekozen om de koning te dienen. Verscheidenen van degenen, die hier genoemd zijn, vinden wij als oversten van de twaalf afdelingen door David aangesteld, een voor elke maand van het jaar, 1 Kronieken 27. Zij, die goed en heldhaftig gehandeld hadden, werden naar verdiensten bevorderd. Een hunner was de zoon van Achitofel, vers 34, de zoon vermaard in het leger, zoals de vader het geweest is in de raad. Maar Uria, de Hethiet die het laatst genoemd is, brengt de zonde van David weer in herinnering, en die zonde wordt er wel zeer door verzwaard, dat een man, die zich zo verdienstelijk heeft gemaakt jegens zijn koning en zijn land, op die wijze behandeld is geworden. Onder alle deze wordt Joab niet genoemd, hetzij:
1. Omdat hij zo groot was, dat het niet nodig was hem te noemen, de eerste van de eerste drie was de voornaamste onder de kapiteins, maar Joab was boven hen allen als generaal. Of: 2. Omdat hij niet verdiende genoemd te worden, want hoewel hij ontegenzeglijk een groot krijgsman was en genoeg Godsdienstzin had om zijn buit aan het huis Gods te wijden, 1 Kronieken 26:28, heeft hij toch evenveel van zijn eer verloren door twee van Davids vrienden te doden, als hij ooit eer behaald heeft door zijn vijanden te doden.
Ook Christus, de Zone Davids, heeft Zijn helden, die evenals de helden van David geïnspireerd zijn door Zijn voorbeeld, Zijn strijd strijden tegen de geestelijke vijanden van Zijn koninkrijk, en in Zijn kracht meer dan overwinnaars zijn. Christus' apostelen zijn Zijn onmiddellijke dienaren en volgelingen geweest, hebben veel voor Hem gedaan en geleden, en zijn er eindelijk toe gekomen om met Hem te heersen. Zij worden met ere vermeld in het Nieuwe Testament, zoals die in het Oude inzonderheid in Openbaring 21:14. Ja van al de krijgsknechten van Jezus Christus zijn de namen beter bewaard dan die zelfs van deze helden, want zij zijn geschreven in de hemel. Die eer hebben al Zijn heiligen.