2 Samuël 12:1-14
Het schijnt lang geweest te zijn nadat David zich schuldig had gemaakt aan overspel met Bathseba eer hij tot berouw er over gebracht werd. Want toen Nathan tot hem gezonden werd, was het kind reeds geboren, vers 14. zodat het ongeveer negen maanden was, dat David onder de schuld lag van die zonde, zonder dat hij-voorzoveel blijkt tenminste-er berouw van gehad heeft. Wat zullen wij denken van Davids toestand gedurende al die tijd? Kunnen wij ons voorstellen dat zijn hart er hem nimmer om sloeg? Of dat hij in het geheim nooit voor God getreurd heeft? Ik zou gaarne willen hopen dat hij het wel deed, en dat Nathan terstond na de geboorte van het kind tot hem gezonden werd, toen de zaak hierdoor openlijk bekend en besproken werd teneinde hem een openbare bekentenis er van te ontlokken tot eer van God, ter waarschuwing van anderen, en opdat hij door Nathan kwijtschelding zou erlangen met enige beperkingen. Maar wij kunnen wel onderstellen dat gedurende deze negen maanden, zijn vertroostingen de oefeningen van zijn genadegaven gestoord werden, evenals zijn gemeenschap met God. Gedurende al die tijd heeft hij voorzeker geen psalmen geschreven, zijn harp was ontstemd en zijn ziel als een boom in de winter, die alleen in de wortel leven heeft, daarom bidt hij, nadat Nathan bij hem geweest is: Geef mij weer de vreugde Uws heirs, en Here, open mijn lippen, Psalm 51:14, 17. Laat ons letten op:
I. De bode, die God tot hem zond. In de laatste woorden van het vorige hoofdstuk werd ons gezegd, dat de zaak, die David gedaan had, kwaad was in de ogen des Heren, waarop, naar men zou denken, had moeten volgen dat de Here vijanden zond in zijn land, verschrikkingen, die zich van hem meester maakten, de boden des doods om hem te grijpen. Neen, Hij zendt een profeet tot hem, Nathan, zijn trouwe vriend en vertrouweling, om hem te onderrichten en raad te geven, vers 1. David heeft niet om Nathan gezonden (ofschoon hij zijn geestelijke raadsman nooit zo nodig had als nu) maar God zond Nathan tot David. God kan wel toelaten dat Zijn volk in zonde valt, maar Hij zal niet toelaten dat zij er stil in blijven liggen. Hij ging afkerig heen in de weg zijns harten en zo hij aan zichzelf ware overgelaten, zou hij eindeloos voortgedwaald zijn, maar (zegt God) "Ik zie zijn wegen en zal hem genezen," Jesaja 57:17, 18. Hij zoekt ons voordat wij Hem zoeken, anders zouden wij gewis verloren zijn. Nathan was de profeet, door wie God hem kennis gaf van Zijn genaderijke bedoelingen met hem, Hoofdstuk 7:4, en nu zendt Hij hem door dezelfde hand deze boodschap des toorns. Gods woord in de mond van Zijn dienaren moet ontvangen worden, hetzij het spreekt van verschrikking of van vertroosting. Nathan is het hemelse gezicht gehoorzaam geweest, en heeft Gods boodschap aan David gebracht. Hij zei niet: "David heeft gezondigd, ik zal hem niet naderen", neen "Houd hem niet als een vijand, maar vermaan hem als een broeder", 2 Thessalonicenzen 3:15 Hij zei niet: "David is een koning, en ik durf hem niet bestraffen", neen, als God hem zendt, zal hij "zijn aangezicht stellen als een keisteen," Jesaja 50:7.
II. De boodschap, die Nathan hem brengt teneinde hem van zonde te overtuigen.
1. Hij maakte een omweg door een gelijkenis voor te stellen, die aan David toescheen een klacht te zijn, die Nathan bij hem inbracht tegen een van zijn onderdanen, die zijn arme nabuur onrecht had aangedaan, teneinde aan de verongelijkte recht te verschaffen, en hem, die het onrecht deed, te doen straffen. Nathan was waarschijnlijk gewoon met dergelijke zaken tot hem te komen, waardoor deze te minder achterdocht opwekte. Het betaamt hun, die invloed hebben op vorsten en vrije toegang tot hen hebben, om de zaak te bepleiten van hen, aan wie onrecht geschied is, opdat hun recht gedaan worde. A. Nathan stelde aan David een in het oog lopend onrecht voor, door een rijk man gedaan aan zijn eerzame nabuur, die de macht niet had om zich tegen hem te verzetten. De rijke had zeer veel schapen en runderen, vers 2, de arme had slechts een klein ooilam, zo ongelijk is de wereld verdeeld, en toch is het de oneindige wijsheid, rechtvaardigheid en goedheid, die de verdeling gemaakt heeft, opdat de rijke zou leren liefdadigheid te beoefenen, en de arme tevredenheid zou leren. Deze arme had slechts een lam, een ooilam, een klein ooilam, daar hij het vermogen niet had om er meer te kopen of te houden. Maar het was een mak lam, het groeide op met zijn kinderen, vers 3, hij hield er van, en het was altijd gemeenzaam met hem. De rijke, die eens een lam nodig had, om een vriend te onthalen, ontnam de arme zijn lam met geweld, en maakte er gebruik van, vers 4, hetzij uit gierigheid, omdat hij het er niet voor over had om een lam van zijn eigen kudde te nemen, of eerder uit weelde, omdat hij dacht dat het lam, dat zo teder verzorgd en gevoed werd, at en dronk als een kind, ook fijner van smaak zou zijn dan zijn eigen lammeren.
B. Hierin toonde hij hem de zonde, waaraan hij zich schuldig had gemaakt door Bathseba te verontreinigen. Hij had veel vrouwen en bijwijven, die hij op een afstand hield, zoals rijke lieden hun kudden in het veld houden. Indien hij er slechts een had gehad en indien zij hem zo lief was als het ooilam aan zijn eigenaar, ware zij hem dierbaar geweest "als een lieflijke hinde en een aangenaam steengeitje, haar borsten zouden hem ten allen tijde verzadigd hebben," Spreuken 5:19, en hij zou naar geen andere hebben omgezien. Het huwelijk is een geneesmiddel tegen hoererij, maar het huwen van velen is dit niet, want is eens de wet van de eenheid verbroken, dan zal de lust, waaraan toegegeven werd, niet meer binnen de perken zijn te houden. Evenals de arme slechts een ooilam had, zo had Uria slechts een vrouw die hem was als zijn eigen ziel, altijd in zijn schoot lag, want hij had geen andere, begeerde geen andere, om daar te liggen. De reiziger of wandelaar was, zoals bisschop Patrick het verklaart volgens de Joodse beschrijving, de boze verbeelding, neiging, of begeerte, die in Davids hart opkwam, welke hij bevredigd kon hebben met een van zijn eigen vrouwen, maar niets kan hem voldoen dan Uria's enige. Zij merken op dat die boze neiging een reiziger of wandelaar genoemd wordt, want in het begin is zij dit slechts, maar mettertijd wordt zij een gast, en tenslotte regeert zij het huis. Want hij, die aan het begin van het vers een wandelaar wordt genoemd, wordt aan het einde een man (ish-een echtgenoot) genoemd. Maar sommigen merken op dat in Davids hart lust slechts als een wandelaar was, een reiziger, die slechts een nacht blijft vertoeven, maar er niet voortdurend in woonde en heerste.
C. Door deze gelijkenis ontlokte hij aan David een vonnis over zichzelf. Want David denkende dat het een feit was en daar hij het van Nathan zelf hoorde, aan de waarheid er van niet twijfelende, sprak terstond het vonnis uit over de overtreder, en bevestigde het met een eed, vers 5, 6, dat hij om de ongerechtigheid van het lam weggenomen te hebben, het volgens de wet, Exodus 22:1, viervoudig moest vergoeden, vier schapen voor een stuk klein vee.
b. Dat hij om zijn tirannie en wreedheid, en het genoegen, dat hij er in vond om een arme man te verongelijken, ter dood gebracht moest worden. Als een arme steelt van een rijke, om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft, dan zal hij vergoeding doen, al kost het hem "al het goed van zijn huis," Spreuken 30, 31, en Salomo vergelijkt daar de zonde van overspel hiermede vers 32. Maar indien een rijke steelt om te stelen, niet uit gebrek, maar uit brooddronkenheid, alleen maar om te kwellen en de baas te spelen, zoals wij zeggen, dan verdient hij ervoor te sterven, want voor hem is schadevergoeding geen straf, of zo goed als geen straf. Indien het vonnis te streng wordt geacht, dan moet dit aan Davids tegenwoordige ruwheid van gemoed toegeschreven worden, onder schuld zijnde en zelf nog geen genade verkregen hebbende.
2. Eindelijk komt hij tot de zaak met hem in de toepassing van de gelijkenis. Door te beginnen met een gelijkenis toonde hij zijn voorzichtigheid, en voorzichtigheid is zeer nodig bij het geven van bestraffing. De zaak wordt goed behandeld en met wijsheid geleid, indien de overtreder, zoals hier, er toe gebracht kan worden om, eer hij het weet, zichzelf schuldig te verklaren en te veroordelen. Maar in zijn toepassing toont hij zijn getrouwheid, en handelt hij even klaar en rondborstig met koning David zelf, alsof hij een geheel gewoon persoon was. In duidelijke bewoordingen zegt hij: "Gij zijt die man, die dat onrecht gedaan hebt, en nog een veel groter, aan uw naaste, en daarom verdient gij, naar uw eigen oordeel, te sterven en zult gij uit uw eigen mond geoordeeld worden. Verdiende hij te sterven, die het lam zijns naasten wegnam, en verdient gij het dan niet, die uws naasten vrouw hebt weggenomen? Hoewel hij het lam wegnam, heeft hij daarmee niet teweeggebracht dat deszelfs eigenaar zijn leven verloor, zoals gij gedaan hebt, en daarom zijt gij nog veel meer waardig de dood te sterven."
Thans spreekt hij rechtstreeks van God en in Zijn naam, hij begint met: Zo zegt de Here de God van Israël, een naam, heilig en eerbiedwaardig voor David, en die zijn aandacht gebood. Thans spreekt Nathan niet als een requestrant voor een arme man, maar als gezant van de grote God, bij wie geen aanneming des persoons is.
A. Door Nathan herinnert God David aan de grote dingen, die Hij voor hem gedaan en bedoeld heeft, hem tot koning zalvende, en hem voor het koninkrijk bewarende, vers 7, hem macht gevende over het huis en huisgezin van zijn voorganger, en van anderen, die zijn meerderen zijn geweest, van Nabal onder anderen, Hij had hem het huis Israëls en van Juda gegeven, de schatten van het koninkrijk waren tot zijn dienst, iedereen was bereid hem te dienen, bereid om hem alles te geven om het hem aangenaam te maken, Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen, vers 8. Zie hoe mild God is in Zijn gaven, wij zijn niet eng in Hem. Waar Hij reeds veel gegeven heeft, geeft Hij toch nog meer. En Gods milddadigheid jegens ons is een grote verzwaring van onze ontevredenheid en ons haken naar verboden vruchten. Het is ondankbaar om te begeren wat God verboden heeft, terwijl wij vrijheid hebben om te bidden om hetgeen God beloofd heeft, en dat genoeg is.
B. Hij beschuldigt hem van minachting van Gods gezag in de zonden, waaraan hij zich heeft schuldig gemaakt. Waarom hebt gij (vertrouwende op uw koninklijke waardigheid en macht) het woord des Heren veracht? vers 9. Dit is de oorsprong en de boosaardigheid van de zonde, dat zij de wet Gods van weinig belang acht, de wetgever gering acht alsof de verplichting jegens Hem slechts zwak was, de geboden beuzelachtig waren, en de bedreigingen volstrekt niet schrikkelijk of te duchten. Hoewel niemand ooit met meer eer en eerbied van de wet Gods geschreven heeft dan David, wordt hij toch in deze zaak terecht van minachting er van beschuldigd. Zijn overspel met Bathseba, waarmee het kwaad begon, wordt niet vermeld, misschien omdat hij daar reeds van overtuigd was, maar:
a. De moord op Uria wordt tweemaal vermeld. Gij hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard verslagen, wel niet met uw zwaard maar met het zwaard van de kinderen Ammons, door orders te geven om hem vooraan in de strijd te stellen. Zij, die goddeloosheid bedenken en bevelen, zijn er even waarlijk schuldig aan, als zij, die haar doen. Het wordt herhaald met een verzwaring: Gij hebt hem doodgeslagen met het zwaard van de kinderen Ammons, die onbesneden vijanden van God en Israël.
b. Ook het huwen van Bathseba wordt twee maal vermeld, omdat hij dacht dat daar geen kwaad in stak, vers 9, zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouw genomen, en wederom in vers 10. Haar te huwen, die hij eerst verontreinigd had en wier echtgenoot hij had gedood, was een belediging van de instelling des huwelijks, daar dit een poging was, niet alleen om de slechtheid te bemantelen, maar haar in zekere zin te heiligen. In dit alles heeft hij het woord des Heren veracht, niet slechts Zijn gebod in het algemeen, dat zulke dingen verbood, maar het bijzondere woord van de belofte, dat God hem enige tijd tevoren door Nathan had gezonden, namelijk dat Hij hem een huis zal maken. Indien hij deze heilige belofte op de rechte prijs had gesteld, hij zou zijn huis niet aldus door vleselijke lust en door bloed verontreinigd hebben.
C. Hij dreigt met oordelen over zijn geslacht wegens deze zonde, vers 10. "Het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid niet alleen in uw tijd, noch daarna, maar gij en uw nakomelingen zult meestentijds krijg hebben te voeren." Of het wijst op de slachting onder zijn kinderen. Amnon, Absalom en Adonia zijn allen gevallen door het zwaard. God had beloofd dat Zijn goedertierenheid niet zou wijken van hem en zijn huis, Hoofdstuk 7:15, maar hier dreigt Hij dat het zwaard niet zal wijken. Kunnen dan de goedertierenheid Gods en het zwaard bestaanbaar zijn met elkaar? Ja, diegenen kunnen onder grote en langdurige beproevingen zijn, die toch niet van de genade des verbonds zijn buitengesloten. De reden hiervoor opgegeven, is: omdat gij Mij veracht hebt. Zij, die het woord en de wet Gods verachten, verachten God zelf, en zullen licht geacht worden.
Inzonderheid luidt de bedreiging dat:
a. Zijn kinderen zijn verdriet zullen wezen, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis. De zonde brengt onrust teweeg in een gezin, en de ene zonde wordt dikwijls de straf gemaakt van een andere zonde.
b. Dat zijn vrouwen zijn schande zullen wezen, dat zij door een voorbeeldeloze slechtheid in het openbaar voor geheel Israël onteerd en verontreinigd zullen worden, vers 11, 12. Er wordt niet gezegd dat dit door zijn eigen zoon gedaan zal worden, opdat de vervulling niet verhinderd zou worden door de al te duidelijke voorzegging, maar het werd gedaan door Absalom op raad van Achitofel, Hoofdstuk 16:21, 22. "Hij, die zijns naasten huisvrouw verontreinigd heeft, zal zijn eigen verontreinigd zien," want aldus placht die zonde gestraft te worden, zoals blijkt uit Jobs verwensing, Job 31:10. "Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen," en de bedreiging in Hosea 4:14. De zonde was verborgen en zeer zorgvuldig geheim gehouden, maar de straf zal openbaar zijn en ijverig bekend gemaakt worden, tot schande van David, wiens zonde in de zaak van Uria, hoewel vele jaren tevoren gepleegd, dan herdacht en openlijk besproken zal worden. Gelijk in een spiegel het aangezicht is tegen het aangezicht, zo is dikwijls de straf een weerspiegeling van de zonde, hier is bloed voor bloed en onreinheid voor onreinheid. En aldus wilde God tonen hoezeer Hij de zonde haat, zelfs in Zijn eigen volk, en dat Hij haar, waar Hij haar ook vindt, niet ongestraft zal laten.
3. Davids boetvaardige belijdenis van zijn zonde. Hij zegt geen woord om zich te verontschuldigen of zijn zonde te verkleinen, maar erkent volmondig: ik heb gezondigd tegen de Here. Waarschijnlijk heeft hij wel meer van alle aard gezegd, maar dit volstaat om te tonen dat hij waarlijk verootmoedigd was door hetgeen Nathan had gezegd, en zich aan de schuldigverklaring onderwierp. Hij erkent zijn schuld, ik heb gezondigd, en verzwaart haar, het was tegen de Here, hierbij verwijlt hij voortdurend in de psalm, die hij bij deze gelegenheid heeft geschreven, tegen U, U alleen heb ik gezondigd, Psalm 51:6.
4. Op deze boetvaardige belijdenis wordt hem zijn vergiffenis aangekondigd, doch met een voorbehoud van oordeel. Toen David zei: Ik heb gezondigd, en Nathan bemerkte dat hij in waarheid boetvaardig was, heeft hij hem:
A. In de naam van God verzekerd, dat zijn zonde vergeven was. "De Here heeft ook uw zonde weggenomen, weggedaan uit het gezicht van Zijn wrekend oog, gij zult niet sterven dat is: "gij zult de eeuwige dood niet sterven niet voor eeuwig weggedaan zijn van God, zoals wanneer Hij uw zonde niet had weggenomen." De verplichting om te straffen is hierdoor teniet gedaan. Hij zal niet in de verdoemenis. komen, dat is de aard van de vergeving. "Uw ongerechtigheid zal niet uw eeuwig verderf wezen. Het zwaard zal van uw huis niet wijken, maar:
a. "Het zal u niet doden, gij zult in vrede ten grave dalen." David verdiende te sterven als een overspeler en moordenaar maar God wilde hem niet die dood laten sterven, wat Hij rechtvaardig had kunnen doen.
b. Hoewel gij al uw dagen door de Here gekastijd zult zijn, zult gij toch niet met de wereld veroordeeld worden." Zie hoe bereid God is om de zonde te vergeven. Hiernaar verwijst David misschien in psalm 32:5 :"Ik zei: Ik zal belijdenis doen, en Gij vergaaft." Laat grote zondaren niet wanhopen om genade van God te verkrijgen, indien zij oprecht berouw hebben, want wie is een God gelijk Hij om de ongerechtigheid te vergeven?
B. Maar hij spreekt een doodvonnis uit over het kind vers 14. Zie de vrijmacht van God! De schuldige vader blijft in het leven, en het schuldeloze kind sterft, maar alle zielen zijn Zijne, en Hij kan op welke wijze het Hem ook behaagt, zich in Zijn schepselen verheerlijken.
a. David had door zijn zonde God tekort gedaan in Zijn eer, hij heeft de vijanden des Heren grotelijks doen lasteren. De goddelozen van dat geslacht, de ongelovigen, de afgodendienaars en onheiligen zullen juichen in Davids val, kwaadspreken van God en Zijn wet, -als zij iemand schuldig zien aan zo afschuwelijke misdaden. die zo'n eerbied beleed beide voor Hem en voor Zijn wet. "Dat zijn nu uw vrome belijders van de Godsdienst! Dat is de man, die bidt en psalmen zingt en zo buitenwoon vroom is! Wat goeds kan er wezen in zulke vrome oefeningen, als zij de mensen niet van overspel en moord terughouden?" Was Saul niet om een veel kleinere zaak verworpen? Waarom moet David dan leven en nog regeren?" Niet bedenkende dat God niet ziet zoals de mens ziet, maar het hart doorgrondt. Nog tot op de huidige dag zijn er, die door dit voorbeeld van David God smaden en zich verharden in de zonde. Hoewel het nu waar is dat niemand rechtvaardige oorzaak heeft om kwaad te spreken van God, of van Zijn woord en Zijn handelingen, om Davids wil en het hun zonde is als de mensen dit wel doen, zal hij het toch te verantwoorden hebben, die het struikelblok in hun weg gelegd heeft, en hoewel geen reden toch wel een schijn van reden gegeven heeft voor die smaad. Er is in de ergerlijke zonden van hen, die de Godsdienst belijden, dit grote kwaad, dat zij de vijanden van God en Godsdienst stof geven tot smaad en rastering, Romeinen 2:24. o
b. God zal daarom Zijn eer hooghouden door aan David Zijn misnoegen te tonen over deze zonde, en aan de wereld te doen zien dat Hij wel David liefheeft, maar zijn zonde haat, en dit verkiest Hij te doen door de dood van het kind. De landheer kan beslag leggen op elk deel van het erf, dat hem behaagt. Misschien waren ziekte en dood onder kinderen toen niet zo algemeen als nu, waardoor dit dan een buitengewoon geval werd, een duidelijker blijk van Gods misnoegen, overeenkomstig het woord, dikwijls door Hem gesproken, dat Hij de zonden van de vaderen zal bezoeken aan de kinderen.