9. Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem, voldeed aan zijn verzoek, niet zozeer omwille van Achaz, maar veel meer, omdat hij nu een hem welkome gelegenheid had tot uitbreiding van zijn macht, want de koning van Assyrië trok op tegenDamascus, de hoofdstad van Syrië, en nam haar in, niettegenstaande Rezin met zijn leger Jeruzalem in allerijl verliet om zijn troon te verdedigen, en voerde hen, de inwoners van de stad, gevangen naar Kir, waarschijnlijk een landstreek zuidoostelijk van Syrië (
2 Samuël 8:6), waardoor de 50-60 jaar geleden gedane voorzegging van de profeet Amos (1:3-5) vervuld werd, en hij doodde Rezin, 1) zodat ook het woord van de profeet Jesaja van de twee rokende vuurbranden, zoals hij de twee tegen Jeruzalem en het huis van David aanrukkende koningen genoemd had (
Jesaja 7:4), aan een van hen zeer spoedig bewaarheid werd.
1) Maar ook aan de andere koning, de zoon van Remalia werd het woord van Jesaja kort daarna vervuld. Want Tiglath-Pilezer drong na de verovering van Syrië verder in het noordelijke deel van het rijk van de tien stammen, of zond althans een belangrijk leger daarheen, toen hij, zoals men uit Vers 10 zou zeggen, niet in persoon de veldtocht bestierde, ontnam aan Pekah, de koning van Israël, een aantal steden en bracht de inwoners naar zijn land Assyrië. Dit werd reeds in 15:29 bij de geschiedenis van de regering van deze koning vermeld, en dus hier, als de lezer reeds bekend, overgeslagen; maar uit Jesaja 8:4 laat zich afleiden, dat die gebeurtenis in Pekahs laatste regeringsjaar, of in het jaar 739 v. Chr. valt. De ontheocratische politiek van Achaz, zijn staatsmanswijsheid, waarmee hij zijn God en diens genadige hulp verachtte, blonk daar opnieuw uit: het land, waarvoor hij zo beducht was, was verlaten door zijn twee koningen en wel verlaten ten gevolge van de stap, die hij in Vers 7vv. gedaan had. Maar de Heere had toch deze hulp door Assyrië, die rover (Jesaja 8:1vv.) slechts toegelaten, om later de koning van Assyrië tot een tuchtroede voor Achaz en zijn volk te maken, die hem al de vreugde over de zelfgekozen hulp zeer verbitteren en zelfs de hulp tot het begin van een veel erger nood maken zou, zoals wij uit de verdere loop van deze geschiedenis zullen zien. Wie Gods knecht niet zijn wil, moet de knecht van de mensen wezen en al zijn vrijheid, eer en aanzien verliezen. "Ik ben uw knecht en uw zoon, kom op en verlos mij; " Deze belofte en bede had Achaz in de nood niet moeten richten tot een aards koning hoe groot en machtig ook, maar tot de Koning aller koningen, bij wie alleen ons heil is (Hosea 14:9), want dit is goed (Psalm 118:9; 146:3, 5). De vriendschap en hulp, die men zich met zilver en goud koopt, heeft geen duurzaamheid of waarde; daarom heet het ook van Tiglath-Pilezer tegenover Achaz: "Maar hij hielp hem niet" (2 Kronieken 28:22). Als de groten en machtigen de roepstem van de kleinen en zwakken een bijstand opvolgen, hebben zij in de regel er slechts hun eigen voordeel en de vergroting van hun macht mee op het oog..
De strijd, die de verbonden koningen van Israël en Syrië tegen Juda ondernamen, is een van de merkwaardigste in de Israëlitische geschiedenis. Het was de eerste maal, dat een van de beide broederrijken zich met de gemeenschappelijke erfvijand tegen het andere verbond om dit te vernietigen. Deze verbintenis was zeer onnatuurlijk en een teken van de ontbinding, die nu begon, want er blijkt uit, dat onder Israël het bewustzijn geheel verdwenen was, dat het met Juda een door de banden van het bloed en van het geloof verbonden volk uitmaakte. Misschien heeft het aanzien en de uiterlijke welvaart, waartoe Juda onder Uzzia en Jotham weer geraakt was de oude diepgewortelde nijd en haat van Efraïm tegen Juda opgewekt, en de trouweloze en veroveringszuchtige Pekah tot de verbintenis met Rezin aanleiding gegeven. Daarbij kwam, dat Israël onder Menahem in een zekere afhankelijkheid van de dreigende Assyrische mogendheid geraakt was, en ook het Damasceense Syrië hieraan een gevaarlijke nabuur had. Deels om het gezonken Israël ten koste van Juda op te heffen, en deels om tegen Assyrië door het daartussen liggende Syrië gedekt te zijn, verenigde Pekah zich met de even roofzieke Rezin en beide "vuurbranden" vatten het plan op om aan het rijk van Juda en het huis van David een einde te maken. Reeds in de laatste jaren van Jotham beproefden zij dit, maar zonder verdere gevolgen ( 15:37); toen echter de onbekwame en zwakke Achaz aan de regering was gekomen, achtten zij het de juiste tijd om hun plan met alle macht uit te voeren. Maar de Heere zei: "Beraadslaagt een raad, maar hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, maar het zal niet bestaan" (Jesaja 8:10). De gehele oorlog was een zwaar Godsgericht over de drie rijken. Het Syrisch-Damasceense rijk, door Assyrië onderworpen, trad voor altijd van het toneel af; Israël ging met snelle schreden zijn ondergang tegemoet, en Juda kwam in een hoogst noodlottige aanraking met het Assyrische wereldrijk. In het algemeen hield de strijd met de kleinere volkeren op en begon die met de grote wereldrijken, en in zover was gemelde oorlog ook voor Juda het begin van zijn einde, dus een keerpunt voor beide rijken, die noch op de tuchtigingen, noch op de goedertierenheid en lankmoedigheid van de HEERE gelet, maar steeds meer zich in hun afval verhard hebben..
Dit optreden van de grote wereldrijken juist in het tijdvak, waarin de verharding zich vertoonde, is in de hoogste graad providentieel..
XIIb. Vers 10-20. In Damascus legt Achaz een bezoek af bij de Assyrische koning, nadat deze het Syrische rijk had ingenomen, en ziet bij deze gelegenheid in een tempel daar een altaar, dat hem zo goed bevalt, dat hij, naar dit model een dergelijk altaar voor de tempel te Jeruzalem laat bouwen, en het koperen brandofferaltaar van Salomo buiten gebruik stelt. Zijn liefde tot de kunst en zijn overgegevenheid aan de Assyrische beschermer deden hem zich overigens nog op meerdere wijze aan het heiligdom vergrijpen; hij sterft na een zestienjarige regering, waarin hij zijn rijk tot aan de rand van de afgrond gebracht heeft (Vergelijk 2 Kronieken 28:20-27).