Jozua 3:1-6
Toen Rachab aan de verspieders zei, dat het bericht van het uitdrogen van de wateren van de Schelfzee meer dan iets anders de Kanaänieten verschrikt had, gaf zij hiermede te kennen dat zij, die aan deze zijde van het water waren, verwachtten dat de Jordaan, de grote, natuurlijke verdediging van hun land, evenzo voor hen zou wijken. Of de Israëlieten zelf dit verwachtten, blijkt niet. God heeft dikwijls dingen voor hen gedaan, die zij niet verwachtten, Jesaja 64:3. Nu wordt ons hier gezegd:
I. Dat zij tot de Jordaan kwamen, en aldaar overnachtten, vers 1. Hoewel hun nog niet gezegd was hoe zij de rivier zouden passeren en zij niet voorzien waren van de gewone middelen om er over heen te komen, zijn zij toch in het geloof voorwaarts gegaan, daar hun gezegd was, Hoofdstuk 1:11, dat zij over de Jordaan zullen gaan. Wij moeten voortgaan op de weg van onze plicht, al voorzien wij ook moeilijkheden, en vertrouwende dat God er ons doorheen zal helpen, als wij er toe komen. Laat ons voortgaan zover wij kunnen, en voor hetgeen wij onszelf ongenoegzaam vinden, steunen op de genoegzaamheid Gods. Op deze mars heeft Jozua hen aangevoerd, en er wordt bijzonder nota genomen van zijn vroeg opstaan, zoals ook later bij andere gelegenheden, Hoofdstuk 6:12, 7:16, 8:10, hetgeen aanduidt hoe weinig hij op zijn gemak gesteld was, hoe grotelijks hij zijn werk liefhad, en welke zorg en moeite hij zich gaarne er voor getroostte. Zij, die grote dingen tot stand willen brengen, moeten vroeg opstaan. Heb de slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt. Jozua heeft hierin een goed voorbeeld gegeven aan de beambten onder hem, en hun geleerd vroeg op te staan, en aan allen, die op een openbare post geplaatst zijn, om steeds de plichten van hun ambt te behartigen.
II. Dat aan het volk bevolen was de ark te volgen, ambtlieden moesten door het leger gaan om deze bevelen over te brengen, vers 2 opdat iedere Israëliet zou weten, beide wat hij had te doen en waarop hij had te steunen en te vertrouwen.
1. Zij konden er op rekenen dat de ark hen zou leiden, dat is: zij konden er op rekenen dat God zelf, van wiens tegenwoordigheid de ark het symbool was, hen zou leiden. De wolk en vuurkolom scheen toen weggenomen te zijn, anders zou die hen geleid hebben, tenzij wij veronderstellen dat zij nu boven de ark zweefde, en zij aldus een tweeledige gids hadden, er was eer gelegd op de ark, en een beschutting over dat heerlijke. Zij wordt hier genoemd de ark des verbonds des Heeren, huns Gods. Welke grotere bemoediging konden zij hebben dan dit: dat de Heere hun God was een God in verbond met hen? Hier was de ark des verbonds. Indien God onze God is, dan behoeven wij geen kwaad te vrezen. Hij was hun nabij, onder hen tegenwoordig, Hij ging voor hun aangezicht heen. Welk kwaad kon hun overkomen, die aldus geleid, aldus bewaakt en bewaard werden? Vroeger werd de ark in het midden des legers gedragen, maar nu ging zij voor hen henen om voor hen een rustplaats uit te zoeken, Numeri 10:33, hun, als het ware, acte van inbezitstelling te geven van het beloofde land en er hen in het bezit van te stellen. In de ark waren de stenen tafels van de wet, en boven haar het verzoendeksel, want de Goddelijke wet en genade, heersende in het hart, zijn de zekerste onderpanden van Gods tegenwoordigheid en gunst, en zij, die naar het hemelse Kanaän geleid willen worden, moeten de wet Gods tot hun gids nemen, (wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden) en de grote verzoening op het oog hebben, verwachtende de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.
2. Het volk moest de ark volgen. Verreist van uw plaats en volgt haar. a. Als besloten zijnde haar nooit te verlaten. Waar Gods inzettingen zijn, daar moeten wij wezen, indien, zij naar een andere plaats gaan, dan moeten wij ze volgen.
b. Als volkomen tevreden met haar leiding, overtuigd zijnde dat zij zal leiden. op de besten weg en naar het beste doel, en daarom: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat. Al hun zorg moet wezen te letten op de bewegingen van de ark, en haar in onvoorwaardelijk geloof te volgen. Aldus moeten wij in alles wandelen naar de regelen des Woords en de leiding des Geestes, dan zal vrede over ons wezen, zoals hij nu over Gods Israël was. Zij moesten de priesters volgen zo ver zij de ark droegen, maar niet verder, en zo moeten wij onze leraren volgen in zoverre zij Christus volgen.
3. In hun volgen van de ark moeten zij op een afstand blijven, vers 4. Niemand van hun mag binnen duizend meter van de ark komen.
a. Aldus moeten zij hun diepe eerbied tonen voor dit teken van Gods tegenwoordigheid, opdat hun gemeenzaamheid er mee geen minachting zal teweegbrengen. Dit bevel aan hen om niet naderbij te komen, was in overstemming met die bedeling van duisternis, dienstbaarheid en verschrikking, maar thans hebben wij door Christus vrijmoedigheid om toe te gaan.
b. Hieruit bleek dat de ark zichzelv kon beschermen, en het niet nodig had om door de krijgslieden te worden beschermd maar integendeel hun een bescherming was. Met welk een edel tarten van de vijand liet zij al haar vrienden een halve mijl achter zich, behalve de ongewapende priesters die haar droegen, als volkomen genoegzaam voor haar eigen veiligheid en de veiligheid van hen, die haar volgden!
c. Aldus kon zij des te beter gezien worden door hen, die haar leiding moesten volgen, opdat gijlieden die weg weet, die gij gaan moet, hem, als het ware, afgebakend zijnde door de ark. Indien het hun vergund ware geweest naderbij te komen, zij zouden haar omringd hebben, en niemand zou er het gezicht op gehad hebben behalve degenen, die er vlak bij waren, maar daar zij op zo'n afstand van hen bleef, konden zij allen de voldoening hebben van haar te zien, en door dit gezicht worden bemoedigd. En het was met goede reden, dat deze maatregel was getroffen tot hun bemoediging, want gijlieden zijt door deze weg niet gegaan gisteren en eergisteren. Dit was de hoedanigheid van geheel hun weg door de woestijn, het was een onbetreden pad, maar inzonderheid van deze weg door de Jordaan. Zolang wij hier op aarde zijn, moeten wij verwachten en ons bereiden op ongewone gebeurtenissen, wegen te gaan, die wij nooit tevoren gegaan zijn, en nog veel meer als wij van hier gaan, onze weg door het dal van de schaduwen des doods is een weg, die wij tevoren niet gegaan zijn, waardoor hij des te meer geducht wordt. Maar als wij de verzekerdheid hebben van Gods tegenwoordigheid, dan behoeven wij niet te vrezen, deze zal ons een kracht geven, die wij nooit gehad hebben, als wij er toe komen om een werk te doen, dat wij nooit gedaan hebben.
III. Hun wordt bevolen zich te heiligen, ten einde bereid te zijn de ark te volgen, en er was een goede reden voor, want morgen zal de Heere wonderheden in het midden van ulieden doen, vers 5. Zie hoe majestueus hij spreekt van Gods werken, Hij doet wonderheden, en daarom moet Hij worden aangebeden, moet Hij bewonderd en op Hem vertrouwd worden. Zie hoe vertrouwd Jozua met de Goddelijke raadsbesluiten bekend was, hij kon tevoren zeggen wat God doen zou, en wanneer Hij het doen zou. Zie hoe wij ons moeten bereiden om de openbaringen van Gods heerlijkheid te ontvangen en de mededelingen van Zijn genade: wij moeten ons heiligen. Dit moeten wij doen als wij de ark volgen en God door haar wonderen gaat doen onder ons, wij moeten ons afscheiden van alle andere zorgen, ons toewijden aan Gods eer, en onszelf reinigen van alle besmettingen des vleses en des geestes. Het volk van Israël ging nu het heilige land binnentrekken, en daarom moeten zij zich heiligen. God gaat hun ongewone bewijzen geven van Zijn gunst, ten zij moeten door overdenking en gebed hun geest en gemoed er toe bereiden om ze zeer zorgvuldig op te merken, ten einde Gode de eer te geven, en voor zichzelf de vertroostingen van deze gunsten aan te nemen.
IV. Aan de priesters wordt bevolen de ark op te nemen en haar voor het aangezicht des volks te dragen, vers 6. Gewoonlijk was het het werk van de Levieten om de ark te dragen Numeri 4:15. Maar bij deze grote gelegenheid kregen de priesters bevel om haar te dragen. En zij deden wat hun bevolen was, zij namen de ark op, en achtten zich niet verkleind door dit werk, en zij gingen voor het aangezicht des volks, en achtten zich niet aan gevaar blootgesteld, de ark, die zij droegen, was beide hun eer en hun bescherming. En nu kunnen wij veronderstellen, dat het gebed van Mozes werd gebeden toen de ark voorwaarts ging: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden Numeri 10:35. Aan magistraten wordt hier geleerd om de leraren op te wekken tot hun werk en gebruik te maken van hun gezag ter bevordering van de Godsdienst, en evenzo moeten de bedienaren van de Godsdienst leren voor te gaan in de weg Gods, en niet te aarzelen of terug te deinzen als er gevaren zijn op de weg. Zij moeten verwachten, dat op hen de meeste slagen gericht zullen worden maar zij weten op wie zij hebben vertrouwd.