2 Samuël 2:1-7
Na de dood van Saul en Jonathan heeft David, die wist tot koning gezalfd te zijn en zijn weg nu effen voor zich zag, toch niet terstond boden gezonden in al de landpalen Israëls, om het volk op te roepen om hem, op straffe des doods, hulde en trouw te komen zweren, maar hij ging langzaam en bedaard te werk, want hij, die gelooft zal niet haasten maar Gods tijd afwachten voor de vervulling van Gods beloften. Terwijl hij te Ziklag verbleef, waren velen uit onderscheiden stammen tot zijn hulp opgekomen, zoals wij bevinden in I Kronieken 12:1 22, en met die macht had hij nu het rijk kunnen veroveren, maar wie regeren wil door zachtmoedigheid, zal zich niet willen verheffen door geweld.
Merk hier op:
I. De leiding, die hij in dit moeilijk en gewichtig tijdsgewricht van God vroeg en ontving, vers 1. Hij twijfelt niet aan zijn welslagen, maar hij neemt gepaste middelen, Goddelijke zowel als menselijke, te baat. De verzekerdheid van de hoop op Gods beloften, zal ons in ons Godvruchtig streven niet doen vertragen of verslappen, maar wel aanmoedigen en versterken. Indien ik verkoren ben tot de kroon des levens, dan zal ik niets doen maar: dus zal ik alles doen wat Hij mij voorschrijft, en de leiding volgen van Hem, die mij verkoren heeft. Dit goede gebruik heeft David gemaakt van zijn verkiezing, en hetzelfde zullen allen doen, die door God verkoren werden.
1. David heeft, naar het gebod, God erkend in zijn weg. Hij vroeg de Here door de borstlap des gerichts, die Abjathar tot hem gebracht heeft. Wij moeten tot God gaan, niet alleen als wij in benauwdheid zijn, maar ook als de wereld ons toelacht en ondergeschikte oorzaken ten gunste van ons werken. Zijn vraag was: "Zal ik optrekken in een van de steden van Juda? Zal ik van hier gaan?" Hoewel Ziklag in puin lag, wil hij het niet verlaten zonder aanwijzing van God. "Als ik van hier ga, zal ik optrekken in een van de steden van Juda? Niet dat hij God tot deze wilde beperken, indien Hij het hem aanwees, dan zal hij ook in welke van de andere steden Israëls gaan. Maar het toont zijn wijsheid, in de steden van Juda zal hij de meeste vrienden vinden, en zijn bescheidenheid, hij wilde voor het ogenblik de blik niet verder richten dan tot zijn eigen stam. In al onze bewegingen, ons verhuizen van de ene plaats naar de andere, is het troostrijk God voor ons te zien heengaan, en dat kunnen wij, als wij Hem ons door geloof en gebed voor ogen stellen.
2. Overeenkomstig de belofte heeft God zijn gangen bestuurd, Hij zei hem op te trekken zei hem waarheen hij gaan moest, en wel naar Hebron, een priesterstad, een van de vrijsteden, dit was zij voor David, en een aanduiding, dat God "zelf hem tot een klein heiligdom" zal zijn, Ezechiël 11:16. De graven van de aartsvaders in de nabijheid van Hebron zullen hem herinneren aan de aloude belofte, waarop God hem heeft doen hopen. God zond hem niet naar Bethlehem, zijn eigen stad, omdat die "klein was onder de duizenden van Juda," Micha 5:2, maar naar Hebron, een aanzienlijker stad, en die toen misschien de hoofdplaats was van die stam.
II. De zorg, die hij droeg voor zijn gezin en zijn vrienden bij dit vertrek naar Hebron.
1. Hij nam zijn vrouwen mede, vers 2, opdat zij, zijn gezellinnen geweest zijnde in de verdrukking, het ook zijn zouden in het koninkrijk. Het blijkt niet dat hij toen al kinderen had. Zijn eerstgeborene werd te Hebron geboren, Hoofdstuk 3:2. 2. Hij nam zijn vrienden en volgelingen mede, vers 3. Zij hadden hem vergezeld op zijn zwerftochten, toen hij dus een vestiging verkreeg, hebben zij zich met hem gevestigd. Zo zullen wij, "indien wij met Christus verdragen, ook met Hem heersen," 2 Timotheus 2:12. Ja, Christus doet voor Zijn goede krijgsknechten meer dan David voor de zijnen doen kon, hij vond woningen voor hen zij woonden in de steden van Hebron, de naburige steden, maar aan hen, "die steeds met Christus gebleven zijn in Zijn verzoekingen, verordineert Hij het koninkrijk, en zij zullen met Hem eten en drinken "aan Zijn tafel, Lukas 22:29, 30.
III. De eer, hem aangedaan door de mannen van Juda: zij zalfden hem tot een koning over het huis van Juda, vers 4. De stam van Juda had dikwijls, meer dan enig andere stam op zichzelf gestaan, in Sauls tijd werd hij als een afzonderlijk lichaam geteld, 1 Samuël 15:4 en hij placht ook afzonderlijk te handelen. Dat deden zij ook nu, maar alleen voor zichzelf, zij matigden zich niet aan om hem tot koning over geheel Israël te zalven (zoals in Richteren 9:22, maar alleen over het huis van Juda, de andere stammen konden doen wat hun behaagde, maar aangaande hen en hun huis, zij wilden geregeerd worden door hem, die God had verkoren. Zie hoe David trapsgewijze opklom eerst werd hij gezalfd tot koning in reversie, dat is: in opvolging na de dood van een ander daarna als koning in possessie, doch slechts over een stam, en eindelijk over al de stammen. Aldus is het koninkrijk van de Messias, de Zone Davids, trapsgewijze opgericht, Hij is door Goddelijke bestemming Here over allen, maar wij "zien nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn," Hebreeën 2:8. Dat David eerst alleen over het huis van Juda geregeerd heeft was een stilzwijgend teken gegeven door de Goddelijke voorzienigheid, dat zijn koninkrijk binnen korte tijd daarop weer teruggebracht zal worden, zoals het was toen de tien stammen in opstand kwam tegen zijn kleinzoon, en het zal voor de Godvruchtige koningen van Juda een aanmoediging geweest zijn, dat David zelf in den beginne alleen over Juda geregeerd heeft.
IV. De eerbiedige boodschap, die hij zond aan de mannen van Jabes in Gilead, om hun dank te zeggen voor hun vriendelijkheid jegens Saul. Nog altijd legt hij er zich op toe om de nagedachtenis van zijn voorganger te eren, en hierdoor te tonen dat het verre van hem was om uit beginselen van eerzucht of vijandschap tegen Saul naar de kroon te staan, maar zuiver en alleen omdat hij er door God toe geroepen was. Hem werd geboodschapt dat de mannen van Jabes in Gilead Saul hadden begraven, die hem dit bericht gaven, dachten misschien dat hij er misnoegd om zou zijn, alsof hij het van de mannen van Jabes in Gilead al te gedienstig zou vinden. Maar dit was verre van hem.
1. Hij prees hen er voor, vers 5. Al naar onze verplichting was om iemand lief te hebben en te eren terwijl hij leefde, behoren wij eerbied te betonen voor zijn stoffelijk overschot, voor zijn naam en geslacht, als hij gestorven is. "Saul was uw heer," zegt David, "en daarom hebt gij er wel aan gedaan om hem deze vriendelijkheid en die eer te betonen."
2. Hij bidt God hen er voor te zegenen en te belonen. Gezegend zijt gij de Here, en moogt gij de Here gezegend blijven, die op bijzondere wijze weldadigheid zal doen aan hen, die weldadigheid doen bij de doden, Ruth 1:8. Achting en genegenheid te betonen aan het lichaam, de naam en het gezin van hen, die gestorven zijn, is een daad van barmhartigheid, die haar loon geenszins zal verliezen. Zo doe nu de Here aan u weldadigheid en trouw! vers 6, dat is: weldadigheid overeenkomstig de belofte, elke weldadigheid, die God bewijst, is in waarheid hetgeen waarop men vertrouwen kan. 3. Hij belooft er hen voor te belonen: ik ook, ik zal aan u dit goede doen. Hij verwijst hen niet naar God voor hun loon, om er zelf af te wezen, goede wensen zijn goede dingen en bewijzen van dankbaarheid, maar zij zijn te goedkoop om het er bij te laten blijven, waar het vermogen bestaat om meer te doen.
4. Hij maakte wijselijk gebruik van de gelegenheid om hen voor zich te winnen. vers 7. Zij hadden hun laatste eerbied aan Saul bewezen, en hij wil dat het de laatste zij. "Die van het huis van Juda hebben mij tot koning over zich gezalfd, en het zal uw wijsheid zijn om met hen in te stemmen en daarin sterk en dapper te zijn." Wij moeten niet zo verkleefd zijn aan de doden, hoezeer wij hoe ook gewaardeerd hebben, om de zegeningen, die wij hebben in hen, die hen overleven, voorbij te zien of te minachten, en die door God verwekt zijn om in hun plaats te komen.