1 Kronieken 27:16-34
Wij hebben hier een bericht:
I. Van de vorsten van de stammen, iets van de oude orde, ingesteld door Mozes in de woestijn dat iedere stam zijn vorst of overste moest hebben, was nog in stand gehouden.
Waarschijnlijk was dit voortdurend in stand gebleven, hetzij door verkiezing of door opvolging in hetzelfde geslacht, en zij, die hier geroemd zijn werden in dat ambt gevonden toen dit bericht nopens hen gegeven werd. Elihu of Eliab, die vorst van Juda was, was de oudste zoon van Isai, en stamde in rechte linie af van Nahesson en Salmon de vorsten van deze stam in Mozes' tijd.
Of deze vorsten in de hoedanigheid optraden van commissaris des konings voor krijgszaken of wel als opperrechters om hun gerechtshoven te presideren, blijkt niet. Wij kunnen onderstellen dat, nu al de stammen onder een koning verenigd waren, hun macht lang zo groot niet was, als zij meestal geweest is toen de stammen afzonderlijk handelden.
Onze Godsdienst verplicht ons onderdanig te zijn, niet alleen de koning, als de opperste macht hebbende, maar ook de stadhouders, als die van hem gezonden worden, 1 Petrus 2:13, 14 de vorsten, die gerechtigheid stellen. Over Benjamin was Jaasiël, de zoon van Abner, vers 21.
Hoewel Abuer Davids vijand was en zijn komst op de troon tegenstond, wilde David toch de bevordering van zijn zoon niet tegenstaan, maar heeft hem zelf misschien op die erepost gesteld, hetgeen ons leert kwaad met goed te vergelden.
II. Van het tellen des volks, vers 23, 24. Er wordt hier gezegd dat David, toen hij gebood het volk te tellen, het tellen verboden heeft van hen die onder de twintig jaren waren, om hierdoor te voorkomen dat hij de schijn zou hebben van een blaam te werpen op de belofte, dat zij ontelbaar zullen zijn, maar het was een armzalige uitvlucht, want het is nooit gebruikelijk geweest hen te tellen, die onder de twintig jaren waren, en de belofte van hun aantal gold voornamelijk de valide mannen. Dat het opnemen van het getal des volks, door David in de hoogmoed zijns harten bevolen, geen goed resultaat heeft opgeleverd, want de telling werd niet voltooid, en ook niet met nauwkeurigheid gedaan, zij werd niet eens als een authentieke opgave geregistreerd. Joab was er uiterst afkerig van, en deed het ten halve, David schaamde zich er over, en zou haar gaarne vergeten willen zien, omdat er deswegens een grote toorn over Israël gekomen was. Bij nadenken kan geen Godvruchtig man behagen vinden in hetgeen, naar hij weet, God mishaagt, geen gebruik maken van noch genoegen smaken in hetgeen verkregen is door zonde.
III. Van de hofbeambten.
1. De oversten over de have des konings (zoals zij hier genoemd worden, vers 3 die het opzicht hadden over de akkerbouw des konings, over zijn wijngaarden, zijn olijfgaarden, zijn runderen, zijn kemelen, zijn ezelinnen, zijn schapen. Hier zijn geen staatsiedienaren, geen opperstalmeester, geen opperjagermeester, alles is voor nut en degelijkheid overeenkomstig de eenvoud dier tijden. David was een groot krijgsman, een groot geleerde en een groot vorst, en toch ook een goed beheerder van zijn goederen, hij hield vele landerijen onder zich en wendde ze aan, niet voor vermaak, maar tot nut en voordeel, want "de koning zelf wordt van het veld gediend," Prediker 5:8.
De overheidspersonen, die willen dat hun onderhorigen naarstig zijn, moeten zelf het voorbeeld geven van naarstigheid in hun zaken.
Wij bevinden echter dat de armen des lands goed genoeg geacht werden om wijngaardeniers en akkerlieden te zijn, 2 Koningen 25:12. Nu heeft David zijn voorname mannen aangesteld tot opzichters over deze arbeid.
2. Des konings persoonlijke dienaren. Dat waren dezulken, die uitmuntten in wijsheid daar zij bestemd waren om dagelijks met de koning om te gaan. Zijn oom was een verstandig man en een schrijver, en niet slechts bedreven in staatkunde, maar ook zeer vertrouwd met de Schrift, deze was zijn raadsman, vers 32.
Een ander, die ongetwijfeld uitmuntte in geleerdheid en wijsheid, was de onderwijzer van zijn kinderen. Achitofel, een zeer listig man was zijn raad, maar Husai, een eerlijk man was zijn vriend en vertrouweling.
Het blijkt niet dat hij vele raadslieden had, maar die hij had, waren mannen van grote bekwaamheid. Veel van de wijsheid van vorsten wordt gezien in de keus van hun ministers. Maar hoewel David van al deze wijze raadslieden omringd was, stelde hij zijn Bijbel toch boven die allen, Psalm 119:24. Uwe getuigenissen zijn mijn vermakingen en mijn raadslieden.