2 Samuël 24:1-9
Wij hebben hier:
I. De order, die David aan Joab gaf om het volk van Israël en Juda te tellen, vers 1, 2. Er zijn twee dingen, die hier vreemd schijnen.
1. Het zondige er van. Welk kwaad was hierin gelegen? Heeft Mozes niet zonder enigerlei zonde of misdaad het volk tweemaal geteld? Behoort politieke rekenkunde niet tot het staatkundig beleid van een vorst? Moet de herder het getal van zijn schapen niet kennen? Kent de Zone Davids niet al de Zijnen bij naam? Zou hij van deze telling of berekening geen goed gebruik kunnen maken? Welk kwaad doet hij als hij dit doet?
Antwoord. Het is zeker dat het een zonde was, een grote zonde, maar waarin het kwaad er van lag, is niet zo zeker.
A. Sommigen denken dat de verkeerdheid hierin lag, dat hij degenen telde, die onder de twintig jaren oud waren, zo zij slechts de vereiste statuur en kracht hadden om de wapenen te kunnen dragen, en dat was de reden waarom het aantal van de getelden niet in de openbare gedenkschriften is aangetekend: zij was onwettig, 1 Kronieken 27:23, 24.
B. Anderen denken dat de fout hierin lag, dat hij de halve sikkel niet eiste, die opgebracht moest worden ten dienste van het heiligdom, telkenmale als het volk geteld werd, "tot verzoening hunner ziel," Exodus 30:12.
C. Anderen denken dat hij het deed met de bedoeling om een schatting van hen te heffen voor zichzelf, om in zijn schatkist gestort te worden. Als hij hun aantal kende, dan wist hij ook hoe hoog het bedrag dier heffing zijn zou, maar hiervan blijkt niets en David heeft ook nooit belastingen opgelegd.
D. De fout bestond hierin, dat hij het deed zonder orders van God om het te doen, en dat het toen ook niet nodig was. Het was een nutteloze moeite en last voor hemzelf en voor het volk.
E. Sommigen denken dat het een belediging was voor de aloude belofte door God gedaan aan Abraham, dat zijn zaad ontelbaar zou wezen als het stof van de aarde, het rook naar wantrouwen in die belofte, of een bedoeling om aan te tonen, dat zij niet naar de letter vervuld was. Hij wilde diegenen tellen, van wie God gezegd had, dat zij niet geteld zouden kunnen worden. Zij weten niet wat zij doen, die het woord van God zoeken te logenstraffen.
F. Het ergste in deze telling van het volk was, dat David het deed in de hoogmoed zijns harten, hetgeen Hizkia's zonde was in het tonen van zijn schatten aan de gezanten.
a. Het was een trotse waan van zijn eigen grootheid, door het gebied te hebben over zo'n talrijk volk, alsof hun toeneming aan zijn beleid te danken was, terwijl zij alleen en uitsluitend toegeschreven moest worden aan de zegen van God. b. Het was een hoogmoedig vertrouwen op zijn eigen kracht. Door het getal van zijn volk ter kennis te brengen van de natiën, dacht hij hun zoveel te meer geducht toe te schijnen, en hij twijfelde niet of hij zou, indien er een oorlog mocht uitbreken, zijn vijanden overweldigen door het getal van zijn strijders, meer bebouwende op een vlezen arm dan hem betaamde, die zoveel geschreven heeft van op God alleen te vertrouwen. God oordeelt niet over de zonde zoals wij er over oordelen. Wat ons onschuldig en onschadelijk toeschijnt, of tenminste slechts een kleine overtreding, kan een grote zonde wezen in het oog van God, die de beginselen van de mensen ziet, en een oordeler is van de gedachten en van de overleggingen des harten.
2. De bron, waaruit het hier wordt gezegd voort te komen, is nog vreemder, vers 1. Het is niet vreemd dat de toorn des Heren ontstoken was tegen Israël, daar was reden genoeg voor, zij waren ondankbaar voor de zegeningen van Davids regering, hadden zich op vreemde, onverklaarbare wijze laten bewegen eerst om Absalom te volgen en aan te hangen en daarna Seba. Wij hebben redenen te geloven dat hun vrede en hun overvloed hen zinnelijk maakten zodat zij zich aan vleselijke gerustheid overgaven, en daarom was God misnoegd op hen, maar dat Hij in Zijn misnoegdheid David heeft aangepord om het volk te tellen, dat is zeer vreemd. Wij zijn er zeker van dat God de werker niet is van zonde, Hij verzoekt niemand, er wordt ons gezegd 1 Kronieken 21:1, dat Satan David aanporde om Israël te tellen. Satan als een vijand opperde het, zoals hij het in het hart van Judas heeft gegeven om Christus te verraden. God, als rechtvaardig rechter, liet het toe, met de bedoeling om met deze zonde van David ook andere zonden van Israël te straffen, waarvoor Hij hen ook zonder dit rechtvaardig had kunnen straffen. Maar, evenals Hij tevoren een hongersnood over hen bracht om de zonde van Saul, zo bracht Hij nu een pestilentie over hen om de zonde van David, opdat vorsten hieruit zullen leren om, als de oordelen Gods zijn uitgegaan, te vermoeden dat hun zonden de oorzaak zijn van de twist, en zich dus zullen bekeren en verbeteren, hetgeen dan een grote invloed zou uitoefenen op de nationale bekering en hervorming, en opdat het volk zou leren te bidden voor hen, die in hoogheid zijn, dat God hen weerhouden zal van zondigen, want als zij zondigen, zal het land er onder lijden.
II. Joabs oppositie tegen deze orders. Zelfs hij bespeurde Davids dwaasheid en ijdelheid in dit plan. Hij merkte op dat David er geen andere reden voor gaf, dan alleen deze: Tel het volk, opdat ik het getal des volks wete, en daarom tracht hij hem van zijn hoogmoed af te leiden, en wel op een veel behoorlijker wijze dan toen hij hem van zijn hartstocht zocht af te leiden bij de dood van Absalom, toen sprak hij op ruwe en beledigende wijze, Hoofdstuk 19:5-7, maar nu zoals het hem betaamde te spreken, vers 3. Nu doe de Here, uw God, tot dit volk zoals deze en die nu zijn, honderdmaal meer. Het is niet nodig hun belasting op te leggen, of hen voor de krijgsdienst te werven, of hen op enigerlei wijze te verdelen. Zij zijn allen gerust en gelukkig, en het is zijn wens dat hun getal nog mocht toenemen, en dat de koning, hoewel hij reeds oud is, dit nog beleven zal en er de voldoening van zal hebben. Maar waarom heeft mijn heer de koning lust tot deze zaak? Waartoe is het nodig? "Pauperis est numerare pecus-Laat het aan de armen over om hun schapen te tellen." En inzonderheid, waarom zou David, die zoveel spreekt van het zich verlustigen in God en in de oefeningen van de Godsvrucht, en die-oud zijnde-naar men zou denken, hetgeen eens kinds was teniet zou doen, lust hebben (zo noemt hij het op bescheiden wijze, maar hij bedoelt: de hoogmoed hebben) in iets van die aard? Veel dingen, die op zichzelf niet zondig zijn, worden zonde voor ons, omdat wij er bovenmatig veel genot en genoegen in hebben. Joab bespeurde Davids ijdelheid hierin, maar David was er zich niet van bewust, bemerkte het niet. Het zou goed voor ons zijn een vriend te hebben, die ons getrouw vermaant en waarschuwt, als wij iets zeggen of doen, dat hoogmoedig en verwaand is, want dat gebeurt ons dikwijls zonder dat wij er ons van bewijst zijn.
III. De orders worden desniettemin ten uitvoer gebracht. Des konings woord nam de overhand, vers 4. hij stond er op dat het gedaan zou worden. Joab moet er geen bedenkingen tegen inbrengen opdat het de schijn niet zou hebben dat hij zijn tijd en moeite niet over had voor de dienst des konings. Het is voor grote mannen een ongeluk, dat zij personen in hun omgeving hebben, die hen behulpzaam willen zijn in hetgeen kwaad is. Overeenkomstig het bevel begeeft Joab er zich toe, schoon met enige weerzin, om dit onaangename werk te doen, en neemt de oversten des heirs mee om er hem bij te helpen. Zij begonnen in de verst afgelegen plaatsen, eerst in het oosten, aan de andere kant van de Jordaan, vers 5, toen togen zij naar Dan in het noorden, vers 7, en zo naar Tyrus in het oosten, en vandaar naar Berseba in het zuiden, vers 7. Meer dan negen maanden werden doorgebracht met die telling, veel moeite en verbazing werd er door veroorzaakt in het land, vers 8, en eindelijk werd de som totaal tot de koning te Jeruzalem gebracht, vers 9. Of het aantal al of niet aan Davids verwachting beantwoordde wordt ons niet gezegd, ook niet of zijn hoogmoed er door gevoed dan wel terneergeslagen werd. Zij waren zeer talrijk, maar misschien toch niet zo talrijk als hij dacht. Zij hadden zich in Kanaän niet zo vermenigvuldigd als in Egypte, en hun getal was weinig meer dan verdubbeld sedert zij ongeveer vier honderd jaren tevoren onder Jozua in Kanaän waren gekomen, toch blijkt hieruit, dat Kanaän een zeer vruchtbaar land was, daar binnen zo enge grenzen zoveel duizenden gevoed konden worden.