1 Kronieken 21:1-6
Het volk te tellen was geen slechte zaak, zou men zo denken.
Waarom zou de herder het getal van zijn schapen niet kennen, Spreuken 27:23.
Maar God ziet niet zoals de mens ziet. Het is duidelijk dat het verkeerd was van David om dit te doen, en dat het God zeer tot toorn heeft verwekt, omdat hij het deed in de hoogmoed van zijn hart, en er is geen zonde, waarin meer tegenspraak is met God en die dus ook beledigender voor Hem is, dan hoogmoed. Dat was Davids zonde, hij alleen moet er de schuld van dragen, maar nu wordt ons hier gezegd:
I. Hoe ijverig werkzaam de verzoeker er in was, vers 1. De satan stond op tegen Israël en porde David aan om het te doen. In 2 Samuël 24:1 wordt gezegd: "de toorn des Heeren voer voort te ontsteken tegen Israël", en "hij porde David aan" om het te doen.
De rechtvaardige oordelen Gods moeten erkend en opgemerkt worden zelfs in de zonden en ongerechtigheid van de mensen. Wij zijn er zeker van, dat God de werker niet is van zonde, Hij `verzoekt niemand', als er dus gezegd is dat Hij er David toe aanporde, dan moet dit verklaard worden door hetgeen hier te kennen wordt gegeven namelijk dat Hij om wijze en heilige doeleinden de duivel toeliet het te doen. Hier kunnen wij die onreine stroom nasporen tot aan zijn oorsprong.
1. Dat Satan, de vijand van God en van alle goed, "opstaat tegen Israël", is niet vreemd. Wat hij te doen heeft, is de kracht te verzwakken het getal te verminderen, de glans van de heerlijkheid te doen tanen van Gods Israël welks gezworen vijand en tegenstander hij is. Maar:
2. Dat hij David, de man naar Gods hart kon overhalen om een slechte daad te doen, daarover kan men zich wèl verwonderen. Men zou gedacht hebben dat hij een was dergenen die de boze niet vat. Neen, totdat zij in de hemel komen, wordt het aan de beste heiligen verboden zich buiten het bereik van Satans verzoekingen te geloven.
Welke maatregelen nu heeft Satan genomen toen hij Israël kwaad wilde berokkenen? Hij heeft God niet tegen hen opgehitst om hen te verslinden zoals hij Hem tegen Job heeft opgehitst, Hoofdstuk 2:3 , maar hij heeft David de beste vriend die zij hadden, aangepord om hen te tellen, daarmee dus God te beledigen en alzo Hem tegen hen te stellen.
De duivel doet ons meer kwaad door ons te verzoeken tot zonde dan door ons bij God te beschuldigen. Hij verderft de mensen niet dan door hun eigen handen. Het grootste kwaad dat hij van de kerke Gods doen kan is, de oversten of opzieners van de kerk tot hoogmoed te verleiden, want niemand kan beseffen hoe noodlottig de gevolgen zijn van die zonde in allen maar inzonderheid in de opzieners de bestuurders van de kerk. Doch gij niet alzo! Lukas 22:26.
II. Joab was de persoon, die ervoor gebruikt werd. Hij was een bekwaam en ijverig man voor publieke zaken, maar hiertoe moest hij bepaald gedwongen worden, en hij deed het de uitersten tegenzin. 1. Hij bracht er een vertoog tegen in, eer hij er mee begon. Niemand was ijveriger en voortvarender dan hij voor hetgeen werkelijk strekte tot eer van de koning of het welzijn des rijke, maar van dit werk zou hij gaarne voor verontschuldigd gehouden willen worden. Want:
a. Het was een onnodige zaak, er bestond volstrekt geen behoefte aan. God had beloofd hen te vermenigvuldigen, en aan de vervulling dier belofte behoefde hij niet te twijfelen. Zij waren allen zijn knechten, en hun trouw en genegenheid behoefde hij niet in twijfel te trekken. Hun getal was zijn kracht zoveel als hij het slechte kon begeren.
b. Het was ook een gevaarlijke zaak. Door dit te doen kon het Israël tot schuld worden en Gods toorn tegen hen doen ontsteken. Joab begreep dit maar David zag het niet in. Die het meest geleerd zijn in de wetten Gods, hebben niet altijd het beste inzicht omtrent de toepassing dier wetten.
2. Joab was de zaak volkomen moede nog eer hij haar geheel volbracht had, want des konings woord was Joab een gruwel, vers 6.
Er was een tijd, toen alles "wat de koning David gedaan had goed was in de ogen des gehele volks", 2 Samuël 3:26, maar nu was er een algemene ontevredenheid over deze orders hetgeen Joabs afkeer er van versterkte, zodat hij, hoewel de uitkomst van deze telling werkelijk zeer groot was, de moed niet had om haar te voltooien, maar twee stammen ongeteld liet, vers 5, 6, twee aanzienlijke stammen, die van Levi en Benjamin.
Misschien was hij ook niet zeer nauwkeurig in het tellen van de overigen, omdat hij het zonder enig genoegen deed, hetgeen een oorzaak kan zijn van het verschil in de getallen hier en in 2 Samuël 24:9.