Exodus 30:11-16
Sommigen maken de opmerking dat de herhaling van deze woorden: de Heere sprak tot Mozes, hier en later, vers 17, 22, 34, te kennen geeft dat God deze voorschriften niet aan Mozes gegeven heeft op de berg in een aaneengeschakelde rede, maar met veel tussenpozen, hem tijd gevende om, hetzij op te schrijven wat tot hem gezegd was, of tenminste, het in zijn geheugen te prenten. Christus heeft Zijn discipelen instructies gegeven, naarmate zij instaat waren ze te horen. Hier wordt hem bevolen geld te heffen van het volk bij wijze van hoofdgeld, zoveel per hoofd, ten dienste van de tabernakel. Dit moest hij doen, als hij het volk telde. Sommigen denken dat dit alleen betrekking heeft op de eerste telling van het volk, bij de oprichting van de tabernakel, en dat deze belasting moest aanvullen wat er bij de vrijwillige gaven nog ontbrak om het werk te voltooien, of liever voor het begin van de dienst in de tabernakel. Anderen zijn van mening dat dit later bij de een of andere moeilijke omstandigheid herhaald werd, en altijd bij de telling van het volk, en dat David gezondigd heeft door die belasting niet te heffen, toen hij het volk geteld heeft. Vele Joodse schrijvers echter, en anderen naar of in overeenstemming met hen, zijn van mening, dat het een jaarlijkse schatting was, maar dat die begon toen Mozes voor het eerst het volk geteld heeft. Dit was het geld van de schatting, hetwelk Christus betaald heeft, ten einde geen aanstoot te geven aan Zijn tegenstanders, Mattheus 17:24, toen Hij echter een goede reden aanvoerde, waarom Hij er van vrijgesteld had moeten worden. In elke stad werden mannen aangesteld om jaarlijks deze betaling te innen.
1. De schatting, die betaald moest worden, was een halve sikkel, ongeveer vijf en zeventig cent van ons geld. De rijken moesten niet meer geven, en de armen niet minder, vers 15, om te kennen te geven dat de zielen van rijken en armen even kostbaar zijn, en dat God "geen aannemer des persoons is," Handelingen 10:34, Job 34:19. In andere offeranden moesten de mensen geven naar hun vermogen, maar deze schatting was losgeld voor de ziel, om voor de ziel verzoening te doen, en moet dus voor allen gelijk wezen, want de rijken hebben Christus evenzeer van node als de armen, en de armen zijn Hem even welkom als de rijken. Beiden droegen zij gelijk bij tot de tempeldienst, omdat beide er evenveel belang bij hadden en er gelijk door bevoorrecht werden. In Christus en Zijn inzettingen "ontmoeten rijken en armen elkaar, de Heere heeft hen gemaakt," Spreuken 22:2, en de Heere Christus heeft beide verlost. De Joden zeggen: "Indien iemand weigerde deze schatting te betalen, dan was hij niet in de verzoening begrepen."
2. Deze schatting moest betaald worden tot verzoening van de ziel, opdat onder hen geen plaag zij. Hiermede erkennen zij dat zij hun leven van God hebben ontvangen, dat zij hun leven aan Hem verbeurd hebben, en dat zij afhankelijk waren van Zijn macht en Zijn lankmoedigheid voor de verlenging er van, en zo brachten zij hulde aan de God van hun leven, en hebben zij de plagen afgebeden, die hun zonden verdiend hadden.
3. Die schatting moest geheven worden om ten dienste van de tabernakel te worden gebruikt, vers 16. Met dit geld kochten zij offeranden, meelbloem, reukwerk, wijn, olie, brandstof, zout, priesterkleren, en alle andere dingen, waarbij de gehele vergadering belang had. Zij, die het voorrecht hebben, dat Gods tabernakel onder hen is, moeten bereid zijn er de kosten van te dragen, en niet onwillig zijn om tot de noodzakelijke onkosten van de openbare eredienst bij te dragen. Aldus moeten wij de Heere eren met onze bezittingen, en achten dat datgene het beste besteed is, wat in de dienst van God wordt besteed. Geld kan voorzeker wel geen "verzoening doen voor de zielen," maar het kan gebruikt worden tot eer van Hem, die de verzoening gedaan heeft, en tot instandhouding van de dienst van het Evangelie, waardoor de verzoening wordt aangeboden en toegepast.