1 Samuël 26:1-5
1. Saul ontvangt bericht omtrent Davids bewegingen, en gaat aanvallenderwijs te werk. De Zifieten kwamen tot hem, en zeiden hem waar David zich nu ophield, namelijk in dezelfde plaats waar hij was, toen zij hem de vorige maal hadden verraden, Hoofdstuk 23:19
Misschien had Saul (hoewel dit niet vermeld wordt) hun heimelijk te kennen gegeven, dat hij zijn plan tegen David wilde voortzetten, en blijde zou zijn met hun hulp. Indien dit niet zo is, dan waren zij zeer gedienstig voor Saul, wel wetende wat hem genoegen zou doen, en zeer boosaardig voor David, wanhopende om ooit met hem verzoend te kunnen worden, en daarom porden zij Saul (die deze prikkel niet nodig had) tegen hem aan, vers 1.
Voorzoveel wij weten, zou Saul in de goede gezindheid, waarin hij was, gebleven zijn, Hoofdstuk 24:17, en David niet opnieuw moeilijkheden berokkend hebben, indien de Zifieten er hem niet toe aangespoord hadden.
Zie hoe nodig het ons is God te bidden dat, daar er zoveel van de zonde in ons hart is, de vonken van de verzoeking ver van ons gehouden mogen worden, opdat wij, als die vonken met de zonde in aanraking komen, niet door hellevuur in brand worden gestoken.
Saul was zeer verheugd die inlichting te ontvangen, en trok met een leger van drie duizend man naar de plaats waar David zich verborgen hield, vers 2.
Hoe spoedig zullen ongeheiligde harten de goede indrukken verliezen, die door hun overtuiging bij hen werden teweeggebracht, en met de hond tot hun eigen uitbraaksel wederkeren.
2. David ontvangt bericht van Sauls bewegingen en gaat verdedigenderwijs te werk. Hij is niet uitgetrokken om hem slag te gaan leveren hij zocht slechts zijn eigen veiligheid, niet Sauls verderf, maar David bleef in de woestijn, vers 3, zich hiermede groot geweld aandoende, en de kloekmoedigheid van zijn aard in toom houdende door een stil terugtrekken, maar meer waren moed tonende, dan hij door een aanval op Saul getoond zou hebben.
a. Hij had verspieders, die hem van Sauls komst vertelden, dat Saul voorzeker kwam, vers 4, want hij wilde niet geloven dat Saul zo laaghartig met hem handelde, voor hij er de stelligste bewijzen van had.
b. Hij ging persoonlijk waarnemen hoe Saul gelegerd was, vers 5.
Hij kwam tot de plaats, waar Saul en zijn mannen hun tenten hadden opgeslagen, en wel zo dicht dat hij, zonder opgemerkt te worden de wagenburg in ogenschouw nam, waarschijnlijk des avonds, toen het donker was.