Mattheus 16:21-23
Hier hebben wij Christus' gesprek met Zijne discipelen betreffende Zijn lijden, waarbij is op te merken:
I. Christus' voorzegging van Zijn lijden. Thans begon Hij dit te doen, en van toen aan heeft Hij er dikwijls met hen over gesproken. Enige wenken omtrent Zijn lijden had Hij reeds gegeven, zoals toen Hij zei: Breekt dezen tempel af, toen Hij er van sprak, dat de Zoon des mensen van de aarde verhoogd zou worden, en van het eten van Zijn vlees, en het drinken van Zijn bloed, maar nu begon Hij het hun te vertonen, dat is, begon Hij er duidelijk en uitdrukkelijk van te spreken. Tot nu toe had Hij dit niet aangeroerd, omdat Zijne discipelen zwak waren, en de aankondiging van zo vreemd en ontzettend ene zaak niet goed konden dragen, maar nu zij rijper waren in kennis, en sterk in het geloof, begon Hij hun hierover te spreken. Christus openbaart zich trapsgewijze aan Zijn volk, en laat het licht tot hen binnenkomen naarmate zij het dragen kunnen en geschikt zijn het te ontvangen.
Van toen aan, dat zij deze volledige belijdenis van Christus als den Zone Gods hadden afgelegd, begon Hij hun dit te vertonen. Toen Hij bevond, dat zij ene juiste kennis hadden van de ene waarheid, begon Hij hun onderricht te geven in ene andere, want aan dien die heeft, zal gegeven worden. Laat hen eerst gegrond en bevestigd zijn in het beginsel der leer van Christus, en dan tot volmaaktheid voortvaren, Hebreeën 6:1. Indien zij niet wèl gegrond waren in het geloof, dat Christus de Zoon van God is, dan zou dit hun geloof zeer geschokt hebben. Van alle waarheden kan tot alle personen niet op alle tijden gesproken worden, maar alleen van de zulke, die voor hun' tegenwoordigen toestand geschikt zijn. De verbazingwekkende bijzonderheden, en omstandigheden, die Jezus omtrent Zijn lijden voorzegt, zijn: De plaats waar Hij zal lijden. Hij moet gaan naar Jeruzalem, de hoofdstad, de heilige stad, om er te lijden. Hoewel Hij meestal in Galilea verbleef, moet Hij toch sterven te Jeruzalem. Dáár werden al de offers geofferd, dáár moet Hij dus sterven, die de Grote Offerande is. De personen, door wie Hij zal lijden, de ouderlingen, en overpriesters, en schriftgeleerden, dezen vormden het grote sanhedrin, dat zijn zetel had te Jeruzalem, en bij het volk in grote achting stond. Zij, die de eersten hadden moeten zijn om Christus te erkennen en te bewonderen, waren het heftigst en ijverigst in Hem te vervolgen. Het was vreemd, dat mannen, die kennis hadden van de Schrift, die zeiden de komst van den Messias te verwachten, en aanspraak maakten op heiligheid van karakter Hem, toen Hij gekomen was, met zoveel barbaarsheid hebben behandeld. Het was de Romeinse overheid, die Christus heeft veroordeeld en gekruist, maar Hij stelt er de overpriesters en schriftgeleerden aansprakelijk voor, daar zij de eersten waren om Hem aan te klagen. Wat Hij zou lijden, Hij moet veel lijden, en gedood worden. De onverzadelijke boosheid Zijner vijanden, en Zijn eigen onoverwinnelijk geduld blijken in de verscheidenheid en de menigvuldigheid Zijner martelingen, en niets minder dan Zijn dood kon hen bevredigen, Hij moet gedood worden. Veel lijden, als het niet is tot den dood, is draaglijker, want zolang er leven is, is er hoop, en de dood zou, zonder zulk ene inleiding, minder vreselijk zijn, maar Hij moet eerst veel lijden en daarna gedood worden. Wat het gelukkige gevolg van al dit lijden zijn zou, Hij zal ten derden dage opgewekt worden. Evenals de profeten, zo heeft ook Christus, toen Hij te voren getuigde van Zijn lijden, ook getuigd van de heerlijkheid daarna volgende, 1 Petrus 1:11. Zijne opstanding ten derden dage bewees Hem te zijn de Zoon van God in weerwil van Zijn lijden, en daarom maakt Hij er melding van ten einde hun geloof op te houden. Toen Hij sprak van het kruis en de schande, sprak Hij tegelijk van de vreugde, die Hem voorgesteld was, in het vooruitzicht waarvan Hij het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Aldus behoren wij te zien op het lijden van Christus voor ons, er den weg in te vinden tot Zijne heerlijkheid, en aldus moeten wij zien op ons lijden voor Christus, er door heen zien naar de vergoeding en het loon. Indien wij met Hem verdragen, wij zullen ook met Hem heersen. 2. Waarom Hij Zijn lijden voorspelde.
a. Om aan te tonen, dat het het gevolg was van een eeuwig raadsbesluit, het was van eeuwigheid af tussen den Vader en den Zoon overeengekomen, alzo moest de Christus lijden. De zaak was beslist, door den bepaalden raad en voorkennis Gods, ten gevolge van Zijne eigene gewillige aanneming van dit lijden ter onzer zaligheid. Voor Hem was dit lijden gene verrassing, het kwam Hem niet voor als een strik, maar Hij had er ene bepaalde en duidelijke voorwetenschap van, hetgeen Zijne liefde des te helderder doet uitblinken, Johannes 18:4.
b. Om de dwaling te herstellen, waaraan Zijne discipelen zich hadden overgegeven betreffende de uitwendige pracht en macht van Zijn koninkrijk. Gelovende, dat Hij de Messias was, rekenden zij op niets anders dan waardigheid en gezag in deze wereld, maar Christus leert het hun hier anders, Hij spreekt hun van kruis en lijden, ja, dat de overpriesters en de ouderlingen, van wie zij waarschijnlijk verwachtten, dat zij de steunpilaren van het koninkrijk van den Messias zouden zijn, er de grootste vijanden en vervolgers van wezen zullen. Dit zal hun een gans ander denkbeeld geven van dat koninkrijk, waarvan zij zelven het nabij zijn hadden verkondigd, en het was nodig, dat die vergissing hersteld zou worden. Met hen, die Christus volgen, moet rond en open worden gehandeld, er moet hun aangezegd worden, dat zij gene grote dingen in de wereld hebben te verwachten.
c. Het was om hen voor te bereiden op hun deel, hun deel van smart en vrees ten minste, dat zij in Zijn lijden zullen hebben. Toen Hij veel leed, kon het niet anders, of de discipelen moesten iets lijden, als hun Meester gedood wordt, zal verschrikking hen bevangen. Laten zij dit te voren weten, ten einde er zich op voor te bereiden, zodat zij te voren gewaarschuwd zijnde, zich ook te voren zouden kunnen wapenen.
II. De aanstoot, dien Petrus hieraan genomen heeft. Heere, zei hij, wees U genadig. Waarschijnlijk heeft hij, evenals te voren, hiermede ook de mening van de overige discipelen uitgedrukt, want hij was de voornaamste woordvoerder. Petrus Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen. Wellicht was Petrus een weinigje opgeblazen door de grote dingen die Christus zo even tot hem gezegd had, zodat hij met meer stoutheid tot Christus sprak dan hem betaamde. Zo moeilijk is het om bij grote verhoging nederig en ootmoedig te blijven!
1. Het voegde Petrus niet zijn Meester tegen te spreken, of Hem raad te durven geven. Hij zou hebben kunnen wensen, dat indien het mogelijk ware, deze drinkbeker van Hem voorbij zou gaan, zonder zo beslist te zeggen: Dit zal niet geschieden, als Christus gezegd heeft: Dit moet geschieden. Zal men God wetenschap leren? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. Als Gods beschikkingen duister zijn, of tegen ons ingaan, dan betaamt het ons stil te berusten, en den Goddelijken wil niet voor te schrijven. God weet, wat Hij te doen heeft, zonder dat wij het Hem leren. Tenzij wij den zin des Heeren kennen, betaamt het ons niet Zijne raadgevers te zijn, Romeinen 11:34. 2. Het rook sterk naar vleselijke wijsheid, dat Petrus met zo veel warmte en heftigheid tegen het lijden opkwam, en zo verschrikt was door de ergernis van het kruis. Het is het verdorven deel in ons, dat zo gaarne heelhuids slaapt. Wij zijn geneigd het lijden te beschouwen in het licht van het tegenwoordige leven, maar er is een andere maatstaf, waarnaar het gemeten moet worden, en zo wij dien maatstaf naar behoren gebruiken, zullen wij in staat gesteld worden het lijden blijmoedig te dragen, Romeinen 8:18. Zie, met hoeveel hartstocht Petrus spreekt: Heere het zij verre van U. Het zij verre van U, dat Gij zoudt lijden en gedood worden, wij kunnen dit denkbeeld niet dragen. Meester, spaar U zelven, zo zouden die woorden ook gelezen kunnen worden. Wees U genadig, en dan kan niemand wreed voor U wezen, heb medelijden met U zelven, en dan zal dit niet geschieden. Hij wilde, dat Christus het lijden evenveel zou duchten als hij zelf, maar wij vergissen ons, als wij Christus' liefde en geduld afmeten naar de onze. Hij wijst ook op het menselijkerwijze gesproken, onwaarschijnlijke van de zaak: Dit zal U geenszins geschieden. "Het is onmogelijk, dat iemand, die zoveel invloed heeft op het volk als Gij hebt, verpletterd zou worden door de ouderlingen, die het volk vrezen. Dit kan niet zijn. Wij, die U gevolgd zijn, zullen voor U strijden, indien dit nodig is, en er zijn duizenden, die ons bij zullen staan "
III. Christus' misnoegdheid op Petrus hierover, vers 23. Wij lezen niet van iets, dat de discipelen ooit gezegd of gedaan hebben, dat Hij hun zo ten kwade heeft geduid als dit, hoewel zij dikwijls iets verkeerds gezegd en gedaan hebben. Merk nu op:
1. Hoe Hij Zijn misnoegen te kennen gaf. Hij wendde zich tot Petrus en (naar wij mogen onderstellen) met een gefronst voorhoofd zei Hij tot hem: Ga weg achter Mij, Satanas! Hij heeft geen enkel ogenblik nodig gehad om de zaak in overweging te nemen, maar onmiddellijk gaf hij zulk een antwoord op de verzoeking, als waaruit bleek, hoe euvel Hij haar opnam. Zo-even had Hij gezegd: Zalig zijt gij, Simon, maar nu: Ga weg achter Mij, Satanas! en er was oorzaak voor beide. Een goed en vroom man kan, door plotselinge verzoeking aangegrepen, als in een ogenblik een geheel ander mens zijn geworden. Hij antwoordde hem, zoals Hij Satan zelf geantwoord heeft, Hoofdstuk 4:10. Het is Satans list om verzoekingen tot ons te laten komen door de onverdachte handen van onze beste en liefste vrienden. Op die wijze heeft hij Adam aangevallen door Eva, Job door zijne huisvrouw, en hier nu Christus door Zijn beminden Petrus. Er is ons dus veel aan gelegen om van zijne raadslagen en bedenksels niet onkundig te zijn, en weerstand te bieden aan zijne verloksels door altijd op onze hoede te zijn tegen de zonde, wie het ook zij, die er ons toe aanport. Zelfs de liefde en vriendelijkheid onzer vrienden worden dikwijls door Satan misbruikt, om ons er door in verzoeking te brengen. Zij, wier geestelijke zintuigen geoefend zijn, zullen de stem van Satan horen, zelfs in een vriend, een discipel, een leraar, die ons zou willen afhouden van onzen plicht. Wij moeten niet zo zeer letten op den persoon, die spreekt, als wel op hetgeen gesproken wordt, wij moeten de stem des duivels leren kennen, als hij spreekt door den mond van een heilige, zowel als wanneer hij spreekt door de slang. Wie ons af wil houden van het goede, en ons wil doen vrezen te veel voor God te doen, spreekt de taal van Satan. Wij moeten vrijmoedig en getrouw zijn in het bestraffen van onzen besten vriend, die iets zegt of doet, dat verkeerd is, al is het ook onder schijn van vriendelijkheid voor ons. Zodanige verkeerde beleefdheid moeten wij niet loven, maar bestraffen. De wonden des liefhebbers zijn getrouw. Zulk een slaan moet als weldadigheid geacht worden, Psalm 141:5. Al wat ene verzoeking tot zonde blijkt te zijn, moet met afschuw worden afgewezen en weerstaan, er mag niet mede onderhandeld worden. 2. Wat was de grond en oorzaak van dit ongenoegen, waarom heeft Christus een voorstel zo zeer ten kwade geduid, dat toch niet slechts onschuldig, maar ook vriendelijk en liefdevol scheen te zijn? Er worden twee redenen voor gegeven.
a. Gij zijt Mij een aanstoot. -Skandalon mou ei. -Gij zijt Mij ene hindernis (aldus zouden die woorden ook gelezen kunnen worden).
Gij zijt Mij in den weg. Christus haastte zich met het werk onzer verlossing, en zo zeer had Hij er Zijn hart op gezet, dat Hij het kwalijk nam er in gehinderd te worden, of in verzoeking gebracht, om terug te deinzen voor het hardste en meest ontmoedigende deel van Zijne onder- neming. Zo gans en al vervuld van het werk der verlossing was Hij, dat zij, die er Hem, zij het ook op indirecte wijze, van trachtten terug te houden, ene zeer gevoelige plek in Hem aanraakten. Petrus werd niet zo scherp bestraft wegens zijne verloochening van zijn Meester in Zijn lijden, als hij nu bestraft werd wegens zijne poging om Hem er van terug te houden, hoewel dat het gebrek aan, en dit de overmaat was van, vriendelijkheid. In alle zaken is het een groot bewijs van vastberadenheid, wanneer het als ene belediging wordt opgenomen, als men tracht ons van een voorgenomen werk of doel af te brengen, en wij het niet kunnen dragen om er nog tegenspraak over aan te horen, zo als in het geval van Ruth: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten. Onze Heere Jezus stelde onze verlossing boven Zijn gemak en veiligheid, want ook Christus heeft zich zelven niet behaagd, Romeinen 15:3, Hij is in de wereld gekomen, niet om zich zelven te sparen, gelijk Petrus Hem aanried, maar om zich voor ons ten koste te geven. Zie waarom Hij Petrus Satan noemde, toen hij Hem dit voorstelde, het was, omdat Hij op alles, wat onze zaligheid in den weg stond, zag, als komende van den duivel, die er een gezworen vijand van is. Dezelfde Satan, die later in Judas is gevaren ten einde Hem, Christus, boosaardiglijk in Zijne onderneming te doen omkomen, heeft hier Petrus aangepord om Hem door schoonschijnende redenen van Zijn voornemen af te brengen. Aldus verandert hij zich in een engel des lichts. Gij zijt Mij een aanstoot. Zij, die zich tot een groot en goed werk begeven, moeten tegenstand en hindernissen verwachten van vrienden en vijanden, van binnen en van buiten. Zij, die ons in den weg staan bij onze plichtsbetrachting, moeten door ons beschouwd worden als een aanstoot, ene hindernis. Wij doen den wil van God gelijk Christus hem gedaan heeft, wiens spijs en drank het was dit te doen, als het ons ergert, wanneer men ons door vriendelijke overreding van dien plicht wil terughouden. Zij, die ons hinderen om voor God te doen of te lijden, als wij daartoe worden geroepen, zijn-wat zij in ander opzicht ook mogen wezen-hierin voor ons satans tegenstanders.
b. Gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn. De dingen, die Gods zijn, dat is, de dingen, die Zijn wil en Zijne heerlijkheid betreffen, komen dikwijls in botsing met de dingen, die des mensen zijn, dat is, met onze bezittingen, ons genoegen, en ons aanzien in de wereld. Als wij Christelijke plichten beschouwen en behartigen als onzen weg en ons werk, en op de gunst van God zien als ons doel en ons deel, dan bedenken wij de dingen Gods, maar als dezen ons werkelijk ter harte gaan en door ons gedaan worden, dan moet het vlees worden verloochend, dan moeten wij ons aan gevaar kunnen blootstellen en ontberingen kunnen verduren, en hier is nu de toetssteen, die aan het licht brengt, welke van de twee wij bedenken. Zij die een buitensporige vrees koesteren voor lijden om Christus wil, en dit ijverig zoeken te vermijden, of het weigeren als zij er toe geroepen worden, bedenken meer de dingen, die des mensen zijn, dan de dingen, die Gods zijn.