5. Maar zo wie Zijn woord, waarin wij lezen wat Hij gebiedt (vgl.
Johannes 14:21,
23), bewaart, in die is echt de liefde van God tot ons en onze liefde tot God volmaakt geworden, de volkomen verzoening en de volle eenheid van de liefde is tot stand gekomen. a) Hieraan, aan zo'n houden van Zijn geboden, in de liefde tot Hem, ontvonkt door Zijn liefde tot ons, kennen wij, dat wij in Hem zijn.
a) Johannes 13:35
De apostel heeft eerst (Vers 1, 2) zijn lezers vermaand tot vertrouwen op Christus en gewaarschuwd tegen zedelijke moedeloosheid; nu gaat hij er weer toe over, om te waarschuwen tegen het vals vertrouwen van het schijn-Christendom en opmerkzaam te maken op het kenteken van het ware Christendom (vgl. Hoofdstuk 1:6); dit laatste geeft hij aldus te kennen: "Hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, als wij Zijn geboden bewaren. "
Onder "Hem" moet volgens het gehele verband, vooral omdat vervolgens (Vers 6) in onderscheiding van Hem, Christus in de grondtekst door "de andere" wordt voorgesteld, de Vader verstaan worden. Omdat nu in Hoofdstuk 1:5 van God gezegd is, dat Hij licht is, kan het "Hem kennen" alleen betekenen, Zijn wezen kennen en erkennen als het licht. In het gehele Nieuwe Testament is echter het kennen en erkennen nooit iets zuiver uitwendigs, maar om zo te spreken iets vol ziel en leven, dat de gemeenschap met de Gekende in zich bevat en er de grond van is. Het omvat altijd tevens de toeëigening, de opname van het andere wezen, over welks kennis gesproken wordt (vgl. Johannes 1:10; 8:55; 14:7 Was dan reeds in Hoofdstuk 1:6 sprake van "gemeenschap met Hem" hebben, zo ook hier met de woorden, "Hem kennen". Nadat nu als kenteken is genoemd "Zijn geboden bewaren", volgt in Vers 4 een zin, die met de volledige zin in Hoofdstuk 1:6 en in Vers 5 een zin, die met die in Hoofdstuk 1:7 verwant is.
Nadat de apostel de gedachte van vermaning, in zijn hoofdzin "God is licht en geen duisternis is in Hem", volgens het doel, dat in Hoofdstuk 1:3, is genoemd, eerst in het algemeen heeft uitgesproken, dat wij namelijk met deze God dan alleen gemeenschap hebben kunnen, als wij in het licht wandelen (Hoofdstuk 1:6 v.), was hij begonnen dit wandelen van de gelovigen in het licht te ontvouwen als de voorwaarde van de gemeenschap met God. Dan trad als eerste punt het ware, oprechte, berouwvolle erkennen en belijden van de ook de gelovigen nog altijd aanklevende duisternis van de zonde op de voorgrond. Van dit punt uit ontwikkelt en voltooit zich krachtens de verzoenende, verlossende, heiligende werkzaamheid van de voor ons gestorvenen en steeds onze plaats bekledende Christus, het nieuwe, zuivere leven van het licht (Hoofdstuk 1:8-2:2). Nu voegt de apostel met "en" een nieuw, nader punt van dat wandelen van de gelovigen in het licht, waarin zij de gemeenschap met God hebben, daarbij, namelijk het houden van Zijn geboden, van Zijn woord, het wandelen, zoals Christus gewandeld heeft; want hierin wordt het wandelen in het licht duidelijk. De gedachten in vers 3-6 nemen dan een overeenkomstig, kringvormig verloop, evenals boven in Hoofdstuk 1:6 vv. Ten eerste (Vers 3) stelt Johannes de eenvoudige zin positief voor, vervolgens (Vers 4) volgt in de tegenstelling het blootleggen van de leugen, tegenwaarover vervolgens (Vers 5) weer de waarheid voortreedt, zoals zij reeds vroeger was voorgesteld.
De geboden houden is niet het zelfde als "in het licht wandelen" (Hoofdstuk 1:7), maar toch een stuk ervan, dat niet gemist kan worden en wel in het grotere, ruime, diepe geheel, een bepaald zichtbaar gedeelte, dat juist als merk, als kenteken tot het maken van een gevolgtrekking geschikt is. De geboden van God zijn duidelijk, eenvoudig, bepaald, uitdrukking van Zijn wil, gegeven evenzeer tot Zijn eer als tot ons heil, getuigenissen van Zijn heilige liefde, van Zijn heiligende ontferming en van Zijn heilzame gerechtigheid. Zij stemmen overeen met Zijn wezen en eveneens met het wezen van Zijn recht en in het bijzonder met het wezen van Zijn schepselen. Hebben zij hun oorsprong in Gods liefde, moet de gehoorzaamheid aan deze toch ook in liefde tot Hem, die ze gegeven heeft als tot deze zelf, die gaven van de liefde zijn, haar motief hebben, toch ligt dit hier niet in de woorden alsof Johannes hier reeds de liefde eiste, waarvan hij later spreekt. Hij eist alleen een zonder uitzondering houden van Gods geboden en sluit alle keuze tussen die uit; hij stelt een zeker en vast kenteken. Hij eist echter om goede redenen niet het doen, maar (in aansluiting aan het woord van de Heere in Mattheus 28:20) het houden van de geboden. Wij kunnen Gods geboden niet doen, maar wel houden, vasthouden, er ons op toeleggen; zelfs dit is nog zeer beperkt, onvoldoende, vaak afgebroken; het allerminst kan Johannes volgens Hoofdst 1:8, aannemen, dat een Christen Gods geboden volkomen zou houden en vervullen. Maar ondanks alle gebrek aan gehoorzaamheid jegens Gods geboden en alle gebreken en zonden bij een Christen, is in zijn leven en blijft er toch een scherpe tegenstelling tussen hen, die aan Gods geboden denken, om naar die te doen (Psalm 119:18) en hen, die er in het geheel niet aan denken of ze alleen weten.