6. Die zegt, dat hij in Hem blijft, a) die moet ook zelf, daartoe verbindt hij zich uitdrukkelijk met die woorden, zo wandelen, als Hij (woordelijk "de andere, die ons steeds in het hart moet leven en voor van de ogen moet staan, d. i. Christus, onze Heer (
Hoofdstuk 3:3,
7;
4:17), gewandeld heeft, namelijk in volkomen gehoorzaamheid aan de geboden van de Vader (
Johannes 15:10).
a) Johannes 13:15. 1 Petrus 2:21
Met een laatste, vierde wending herhaalt hier Johannes zijn praktisch-paranetische hoofdgedachte. Juist dat "in Hem blijven", waarvan Christus in de afscheidsreden (Johannes 14:23; 15:4, 7) gesproken had, kan niet worden gedacht, zonder de erkende en met bewustheid en beslistheid op zich genomen verplichting, om nu ook zo te wandelen als Christus gewandeld heeft. Daarmee keert de gedachte ook formeel, evenals bij Vers 4 ook bij Hoofdstuk 1:6 terug en de afdeling komt voor als geheel afgerond. Wat het is zo te wandelen als Christus gewandeld heeft, wordt ten slot ten duidelijkste voorgesteld als in het licht te wandelen en de geboden houden; want is Christus het licht zelf en wandelde Hij niet in het licht, als in een Hem vreemde sfeer, maar als in Zijn eigen wezen, zo wordt ook in Zijn persoon en in Zijn wandel volkomen voorgesteld wat Gods wil is. Die er nu aanspraak op maakt, dat hij in God is en blijft, die neemt daarmee de verplichting op zich om zo te wandelen als Christus wandelde; let wel op: de verplichting. Als Johannes spreekt van kentekenen van de genadestaat, noemt hij niet het wandelen, zoals Christus wandelde, want dat kon geen Christen van zichzelf zeggen, dat zijn wandel gelijk aan die van Christus, zondeloos was (Hoofdstuk 1:8). Maar de verplichting, om naar het voorbeeld van Christus te wandelen, moet ieder waar Christen zich in onvermoeide trouw en onvermoeid strijden tegen de oude mens voor ogen stellen; die dat niet doet, heeft geen recht zich een Christen te noemen.
Wie van onze voelde nooit het verlangen om een welgelijkend beeld van Gods mens geworden Zoon te aanschouwen? Het verwondert ons niet, dat de gewijde kunst zo vaak haar uiterste krachten heeft ingespannen, om aan die vrome wens te voldoen. Hoe gelukkig echter tot zekere hoogte die pogingen een enkele maal zijn geslaagd, het ligt in de aard van de zaak, dat zij ons nooit geheel bevredigen kunnen. In het beste geval toch geven zij ons alleen de Christus te zien, zoals Zijn beeld voor het oog van de kunstenaars stond, niet zoals Hij zelf in de werkelijkheid heeft geleefd en geleerd. Niet ten onrechte vergeleek onze beroemde landgenote Anna Maria van Schuurman dit machteloos streven van de kunst bij het pogen om de luister van de zon met een houtskool af te malen, maar met nog groter recht voegde zij er de herinnering bij, "dat de beste afbeelding van Jezus het leven van de Christenen is. " Zo is het, of liever, zo moest het zijn, ook naar dit grote woord van Johannes, dat de gezette navolging van de Heere ons voorstelt als het onmisbaar kenmerk van het waarachtig blijven in Hem. Niets minder dan dit wordt geëist, om een ander woord van dezelfde apostel over te nemen "dat zoals Hij is, zo ook wij zijn in deze wereld" (Hoofdstuk 4:17). De Christus zelf en niemand minder dan Hij, is het hoogste voorbeeld van de Christen. Zo hoog is de roeping van Zijn duurgekochte verlosten, dat zij niet voldaan zouden mogen zijn, al waren zij zelfs tot de hoogte van een Petrus, een Paulus, een Johannes gestegen. Of wijzen die allen niet telkens weer hoger naar Een, voor wie zij zelf in de diepste eerbied zich buigen en die Ene, heeft Hij het niet zonder enige beperking gesproken: "Ik heb u een exempel gegeven, opdat, zoals Ik u gedaan heb, jullie ook doen"? (Johannes 13:15). Zeker, de Heiland is oneindig meer dan Leraar en Voorbeeld en dan alleen kan er ernstig sprake van het volgen van Zijn voetstappen zijn, wanneer het hart Hem echt als Verlosser heeft aangenomen en aanvankelijk vernieuwd is door de Heilige Geest. Maar waar dit plaats vond, daar moet en zal het ook blijken, het "volg Mij" van de goede Meester, iets meer is dan een ijdele klank; ja, hoeveel men ook van zijn geloof en bekering gewaagt, de oprechtheid van die beiden moet ernstig betwijfeld worden, waar het heersend streven naar innerlijke gelijkvormigheid aan de Heere nog geheel en al wordt gemist. Niet dat de Christen tot een nadoen geroepen zou zijn van wat de Heere heeft verricht, zoals de paus van Rome bijvoorbeeld, wanneer hij eenmaal per jaar de voeten van een twaalftal bedelaars wast. De navolging van Christus bestaat veeleer hierin, dat wij onze Christelijke levensroeping in die geest en op die wijze vervullen, waarin Hij hier beneden de wil van de Vaders volbracht. En wij mogen geacht worden, de eis van de tekst te vervullen, wanneer ons doorgaand leven steeds meer, zoals het Zijne, volkomen een leven van onbepaalde gehoorzaamheid, stille zelfverloochening en dienende liefde mag heten. Maar in die zin is dan ook de ware Christen en hij alleen, de beelddrager van Christus op aarde. Hij moet dat zijn, want de Christus is hem niet alleen tot rechtvaardiging, maar ook tot heiligmaking gegeven en waarachtige heiligmaking is zonder aanhoudend staren op het hoogste Voorbeeld ondenkbaar. Aan de discipelen moet de wereld kunnen zien, wie de Meester geweest is; uit de ranken met haar vruchten moet zij kunnen besluiten tot de levenwekkende kracht van de Wijnstok. Een beelddrager van Christus wil dan ook ieder Christen zijn, zo echt hij zich levendig bewust is van zijn persoonlijke betrekking tot de Heere en zijn onbetaalbare verplichting aan Hem. Hij kan het wezen, hoe gebrekkig dan ook, omdat het geloof hem met die Heere heeft verenigd, omdat de liefde van Christus hem dringt, omdat de hoop op Zijn belofte hem ook de zwaarste strijd niet doet schromen. Hij zal het eenmaal volkomen wezen, wanneer dit grote woord wordt vervuld: "zoals wij het beeld van de aardse gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen" (1 Corinthiërs 15:49). Maar zo wordt het nu ook vanzelf de vraag: hoe staan wij persoonlijk tegenover een eis, zo heilig en veelomvattend als deze? Valt hij ons als een zware last op het hart, of is er echt lust in ons binnenste om hem in ernst te vervullen? Zoeken wij een voorwendsel om ons van deze dure plicht te ontslaan, of naar hulpmiddelen om hem met verhoogde trouw te vervullen? Leeft en werkt daar binnen iets van dat voelen, dat in Christus Jezus was, toen Hij uit liefde Zichzelf verzaakte en kunnen zij, die ons gadeslaan, in ons althans van tijd tot tijd, een en ander ontdekken, dat onwillekeurig doet denken aan Jezus? Zijn we in de laatste tijd iets nader gekomen aan het heerlijk Ideaal, ons hier voor ogen gesteld en wordt het gedurig meer ons voedsel, zoals het de Zijne was, om de wil van de vader te doen? Ach, wie moet bij zulke vragen de ogen niet neerslaan; wie zich niet ootmoedig verblijden, dat het hoogste Voorbeeld tegelijk de voorspraak is van de Zijnen bij God! Alleen, vergeet het niemand, ook die troost wordt ons geschonken, opdat wij niet zondigen zouden en ons Christendom is het ware nog niet, zolang niet de bede van vader Lodesteijn onbepaald de onze geworden is:
"Heil'ge Jezus! vorm mijn leden, Mijn krachten en begeerlijkheden, Tot aan mij alles U gelijk'! "
.