Johannes 15:9-17
Christus, die de liefde zelf is, spreekt hier over liefde, een viervoudige liefde.
I. Betreffende des Vaders liefde tot Hem, en hiervan zegt Hij ons hier:
1. Dat de Vader Hem liefgehad heeft, vers 9:gelijkerwijs Mij de Vader liefgehad heeft. Hij heeft Hem liefgehad als Middelaar: Deze is Mijn geliefde Zoon. Hij was de Zoon Zijner liefde. Hij had Hem lief, en heeft alle dingen in Zijne handen gegeven, en toch heeft Hij alzo lief de wereld gehad, dat Hij Hem voor ons allen heeft overgegeven. Toen Christus inging tot Zijn lijden, heeft Hij zich hiermede getroost, dat Zijn Vader Hem liefhad. Zij, die door God als een Vader worden bemind, kunnen den haat der wereld wel verachten.
2. Dat Hij bleef in Zijns Vaders liefde, vers 10. Hij had Zijn Vader voortdurend lief, en Hij werd voortdurend door Hem geliefd. Zelfs toen Hij zonde voor ons werd gemaakt en een vloek, en het den Heere behaagde Hem te verbrijzelen, is Hij toch in Zijns Vaders liefde gebleven, zie Psalm 89:34. Omdat Hij Zijn Vader bleef liefhebben, is Hij goedsmoeds door Zijn lijden heengegaan, en daarom is Zijn Vader Hem blijven liefhebben.
3. Dat Hij in Zijns Vaders liefde gebleven is, omdat Hij Zijns Vaders wet heeft gehouden.
Ik heb de geboden Mijns Vaders bewaard, als Middelaar, en blijf alzo in Zijne liefde. Hiermede toonde Hij in de liefde Zijns Vaders te blijven, dat Hij voortging met Zijne onderneming, en haar voleindigde, en daarom is de Vader voortgegaan met Hem lief te hebben. Zijne ziel had een welbehagen in Hem, omdat Hij niet faalde, noch ontmoedigd werd, Jesaja 42:1-4. 1,) Daar wij de wet der schepping hadden overtreden, en ons hierdoor buiten de liefde Gods gesteld hadden, heeft Christus voor ons voldaan door de wet der verlossing te gehoorzamen, en zo bleef Hij in Zijne liefde, en heeft er ons in hersteld.
II. Over Zijn eigen liefde tot Zijne discipelen. Hoewel Hij hen verlaat, heeft Hij hen toch lief. En merk hier op:
1. Het voorbeeld van deze liefde: Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad. Een treffende uitdrukking van de neerbuigende genade van Christus! Gelijkerwijs de Vader Hem, die in de hoogste mate waardig was, liefgehad heeft, heeft Hij hen, die volkomen onwaardig waren, liefgehad. De Vader had Hem lief als Zijn Zoon, en Hij heeft hen lief als Zijne kinderen. De Vader heeft alle dingen in Zijne handen gegeven, zo zal Hij ons, met zich zelven, ook alle dingen schenken. De Vader heeft Hem liefgehad als Middelaar, als Hoofd der gemeente, en als den groten Beheerder der Goddelijke genade en gunst, die Hij niet alleen voor zich zelven had, maar ten gebruike van hen, voor wie zij Hem toevertrouwd waren, en, zegt Hij, "Ik ben een getrouw Beheerder geweest. Gelijk de Vader Mij Zijne liefde gegeven heeft, zo draag Ik haar aan u over." De Vader had een welbehagen in Hem, opdat Hij, in Hem, een welbehagen zou kunnen hebben in ons, Hij had Hem lief, opdat Hij in Hem, als den Geliefde, ons zal kunnen begenadigen, Efeze 1:6.
2. De blijken en vruchten dezer liefde, welke vierderlei zijn: a. Christus heeft Zijne discipelen liefgehad, want Hij heeft Zijn leven voor hen gezet, vers 13. Niemand heeft meer bewijzen van liefde -getoond dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden. En dat is de liefde, waarmee Christus ons liefgehad heeft, Hij is onze antipsuchos -onze Borg, lichaam voor lichaam, leven voor leven, hoewel Hij onze onmacht om te betalen kende, en voorzag wat die verbintenis Hem kosten zou. Merk hier op hoe ver de liefde van de kinderen der mensen voor elkaar gaat. Het grootste blijk er van is, dat iemand zijn leven zet voor een vriend, ten einde hem het leven te redden, en wellicht zijn er zulke heldhaftige daden van liefde geweest, zij zijn meer voorgekomen dan de daad van zijne ogen uit te graven, Galaten 4:15. Al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven, wie dat geeft voor zijn vriend, geeft alles, meer kan hij niet geven, en soms kan dit onze plicht zijn, 1 Johannes 3:16. Paulus stond naar die eer, Filippenzen 2:17, en voor den goede zal mogelijk iemand bestaan te sterven, Romeinen 5:7. Het is de hoogste trap der liefde, die sterk is als de dood. De uitnemendheid van de liefde van Christus boven alle andere liefde. Hij heeft de vermaardste liefhebbers niet slechts geëvenaard, maar overtroffen. Anderen hebben hun leven gezet, tevreden dat het hun ontnomen zou worden, maar Christus heeft het Zijne overgegeven, Hij was er niet lijdelijk onder, Hij heeft het tot Zijn eigen daad en handeling gemaakt, dat is: Hij liet het zich niet lijdelijk ontnemen, maar heeft het vrijwillig overgegeven. Het leven, dat anderen overgegeven hebben, was slechts van gelijke waardij met het leven van hen, voor wie zij het overgaven, of wellicht van mindere waardij, maar het leven van Christus is van oneindig groter waarde dan tienduizend levens van ons. Anderen hebben alzo hun leven gezet voor hun vrienden, maar Christus heeft Zijn leven voor ons gezet, toen wij nog Zijne vijanden waren, Romeinen 5:8, 10. "Die harten moeten wel harder zijn dan ijzer of steen, die niet verteerd worden door zulk een onvergetelijke zoetheid van Goddelijke liefde", zegt Calvijn.
b. Christus heeft Zijne discipelen liefgehad, want Hij heeft hen in een verbond van vriendschap met Hem opgenomen, vers 14, 15. "Indien gij u door uwe gehoorzaamheid betoont Mijne discipelen te zijn, dan zijt gij Mijne vrienden, en zult als zodanig behandeld worden". De volgelingen van Christus zijn de vrienden van Christus, en het behaagt Hem in Zijne genade hen aldus te noemen en als zodanig te beschouwen. Zij, die den plicht doen van Zijne dienstknechten, worden bevorderd tot de waardigheid van Zijne vrienden. David had een dienstknecht aan zijn hof, en Salomo aan het zijne, die in bijzonderen zin des konings vriend was, 2 Samuël 15:37, 1 Koningen 4:5, maar deze eer zullen al de dienstknechten van Christus genieten. Bij een bijzondere gelegenheid kunnen wij wel eens aan een vreemdeling een vriendendienst bewijzen, maar van een vriend nemen wij alle belangen ter harte, wij delen in al zijne zorgen, aldus neemt Christus de gelovigen tot Zijne vrienden. Hij bezoekt hen, en spreekt met hen als Zijne vrienden, draagt hen, en ziet het beste in hen, in hun benauwdheden is Hij benauwd, in hun voorspoed heeft Hij een welbehagen, Hij pleit voor hen in den hemel, en behartigt dáár al hun belangen. Hebben vrienden slechts ene ziel? Die den Heere aanhangt, is een geest met Hem, 1 Corinthiërs 6:17. Hoewel zij zich dikwijls onvriendschappelijk betonen, is Hij toch een Vriend, die ten allen tijde liefheeft. Hij zal hen niet dienstknechten noemen, hoewel zij Hem Meester en Heere noemen. Zij, die als Christus willen wezen in ootmoed, moeten niet bij alle gelegenheden hooghartig staan op hun gezag en hun meerderheid, maar gedenken, dat hun dienstknechten hun mededienstknechten zijn. Hij zal hen Zijne vrienden noemen, Hij zal hen niet slechts liefhebben, maar zal het hun doen weten, want op Zijne tong is de leer der goeddadigheid. Na Zijne opstanding schijnt Hij met nog meer liefdevolle tederheid tot en van Zijne discipelen te spreken dan tevoren. Ga heen tot Mijne broeders, Hoofdstuk 20:17, Kinderkens! hebt gij niet enige toespijs? Hoofdstuk 21:5. Merk echter op, dat zij, hoewel Christus hen Zijne vrienden noemt, zich zelven Zijne dienstknechten noemen. Petrus, een dienstknecht van Christus, 1 Petrus 1:1. Zo ook Jakobus, Hoofdstuk 1:1. Hoe meer ere Christus ons aandoet, hoe meer wij er ons op moeten toeleggen om Hem ere aan te doen, hoe hoger wij zijn in Zijne ogen, hoe geringer wij moeten zijn in onze eigen ogen.
c. Christus heeft Zijne discipelen liefgehad, want Hij heeft hun vrijelijk Zijne gedachten meegedeeld, vers 15. "Van nu voortaan zult gij niet meer zo in het duister worden gelaten als vroeger, zoals dienstknechten aan wie men slechts van hun tegenwoordig werk spreekt, maar als de Geest uitgestort zal zijn, dan zult gij uws Meesters voornemens en bedoelingen kennen als Zijne vrienden. Al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt. Wat den verborgen wil van God betreft: wij moeten tevreden wezen om vele dingen niet te weten, maar van den geopenbaarden wil van God heeft Jezus Christus ons getrouwelijk overgeleverd wat Hij van den Vader heeft ontvangen, Hoofdstuk 1:18, Mattheus 11:27. De grote dingen aangaande des mensen verlossing heeft Christus Zijnen discipelen bekend gemaakt, opdat zij ze zouden bekendmaken aan anderen, zij waren de mannen van Zijn raad, Mattheus 13:11.
d. Christus heeft Zijne discipelen liefgehad, want Hij heeft hen verkoren en verordineerd om de voornaamste werktuigen te zijn van Zijne heerlijkheid en eer in de wereld, vers 16:Ik heb u uitverkoren en gesteld. Zijne liefde tot hen bleek in hun uitverkiezing tot het apostelschap, Hoofdstuk 6:70:Heb k niet u twaalf uitverkoren? Het begon niet van hun zijde: Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren. Waarom waren zij toegelaten tot zo vertrouwelijke gemeenschap met Hem, werden zij gebruikt in zulk een zending voor Hem, werden zij begiftigd met zulk ene macht van Boven? Het was niet om hun wijsheid en goedheid, waarmee zij Hem tot hun Meester hadden verkoren, maar het was tengevolge van Zijne gunst en genade, waarmee Hij hen tot Zijne discipelen had verkoren. Het is voegzaam, dat Christus Zijn eigen dienaren kiest, en Hij doet dit nog door Zijne voorzienigheid en Zijn Geest. Hoewel de leraren deze heilige roeping kiezen, is Christus' keuze van hen daaraan toch voorafgegaan, waardoor de hun geleid en bepaald werd. Van allen, die tot genade en heerlijkheid verkoren worden, kan gezegd worden: Zij hebben Christus niet uitverkoren, maar Hij heeft hen uitverkoren, Deuteronomium 7:7, 8. In hun verordinering: "Ik heb u gesteld-Ik heb u in de bediening gesteld, 1 Timotheus 1:12. Hieruit bleek, dat Hij hen aannam tot Zijne vrienden, dat Hij hun hoofd gekroond heeft met zulk ene eer, en hun handen gevuld heeft met zulk een groot aanvertrouwd pand. Het was wel een zeer groot vertrouwen, dat Hij in hen stelde, toen Hij hen heenzond als Zijne gezanten om over de zaken Zijns koninkrijks in deze lagere wereld te onderhandelen, en hen tot Zijn eerste staatsdienaren aanstelde om het te besturen. De schatten van het Evangelie werden hun toevertrouwd: Ten eerste. Opdat zij het zouden verbreiden, dat gij zoudt heengaan, als onder een juk of last, want de Evangeliebediening is een werk, en gij, die er u toe begeeft, moet besluiten om er zeer veel voor te verduren, "dat gij heengaat van plaats tot plaats, door geheel de wereld, en vrucht dragen." Zij werden in de bediening gesteld, niet om stil te zitten, maar om heen en weer te trekken, en naarstig te zijn in hun werk, onvermoeid te volharden in goed doen. Zij waren verordineerd om in Gods hand het middel te wezen om de volken tot de gehoorzaamheid van Christus te brengen, Romeinen 1:13. Zij, die door Christus aldus aangesteld worden, moeten-en zullen-vruchtbaar zijn, zij moeten arbeiden, en hun arbeid zal niet ijdel wezen. Ten tweede. Opdat het duurzaam en blijvend zou wezen, dat de goede uitwerking van hun arbeid in de wereld zal voortduren van geslacht tot geslacht, tot aan het einde des tijds. De kerk van Christus moet niet maar voor een wijle bestaan, zoals vele sekten van de filosofen, die als een negendaags wonder zijn. Zij is niet ontstaan in een nacht, en zo moet zij ook niet in een nacht vergaan, maar als de dagen des hemels duurzaam wezen. De redevoeringen en geschriften der apostelen zijn ons overgeleverd, en te dezen dage bouwen wij op dat fondament, van dat de Christelijke kerk door de bediening der apostelen en der zeventig discipelen gesticht is, gelijk het ene geslacht van evangeliedienaars en Christenen voorbijgaat, en door een ander wordt opgevolgd. Uit kracht van den groten lastbrief in Mattheus 28:19 heeft Christus ene kerk in de wereld, welke niet sterft, maar leeft in opvolging, en aldus blijft tot op den huidigen dag de vrucht, en zij zal blijven zolang de aarde bestaat. Zijne liefde voor hen blijkt in Zijn behartigen van hun belangen voor den troon der genade.
Zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn naam, zal Hij u geven. Waarschijnlijk ziet dit in de eerste plaats op de macht om wonderen te doen, waarmee de apostelen bekleed waren, en die zij moesten behouden en vermeerderen door het gebed. "Welke gaven er ook nodig zijn ter bevordering van uwen arbeid, welke hulp van den hemel gij te eniger tijd ook zult behoeven, vraagt er om, en gij zult ze verkrijgen." Er wordt ter onzer aanmoediging in het gebed hier op drie dingen gewezen, welke dan ook zeer bemoedigend zijn. Ten eerste. Dat wij een God hebben, die een Vader is. Christus noemt Hem hier de Vader, zowel de Mijne als de uwe, en de Geest in het woord en in het hart leert ons Abba, Vader, te roepen.
Ten tweede. Dat wij tot Hem komen in een goeden naam. Wat het ook zij, waarmee wij overeenkomstig Gods wil tot den troon der genade komen, met nederige vrijmoedigheid kunnen wij er in Christus' naam voor komen, er op pleiten, dat wij tot Hem in betrekking staan.
Ten derde. Dat ons een antwoord des vredes beloofd is. Wat het ook zij, waarvoor gij komt, het zal u gegeven worden. Deze grote belofte, gedaan aan dezen groten plicht, houdt een troostrijke gemeenschap gaande tussen den hemel en de aarde.
III. Betreffende de liefde der discipelen tot Christus, uit dankbaarheid voor de grote liefde, waarmee Hij hen heeft liefgehad. Hij vermaant hen hier tot drie dingen.
1. In deze liefde te blijven, vers 9. Blijft in deze Mijne liefde, blijft in uwe liefde tot Mij en in de Mijne voor u. Wij moeten ons geluk stellen in de voortduring van Christus' liefde tot ons, en er ons op toeleggen om voortdurend de bewijzen te geven van onze liefde tot Christus. Niets moet ons in verzoeking brengen om van Hem weg te gaan, of Hem zo tot toorn te verwekken, dat Hij van ons weggaat. Allen, die Christus liefhebben, moeten blijven in hun liefde tot Hem, dat is: Hem altijd liefhebben, en alle gelegenheden te baat nemen om dit te tonen, zij moeten Hem ten einde toe liefhebben. De discipelen moeten uitgaan in den dienst van Christus, waarbij zij vele moeilijkheden zullen ontmoeten, maar, zegt Christus: Blijft in mijne liefde. Bewaart uwe liefde tot Mij, en dan zullen alle benauwdheden en zwarigheden, die gij ontmoet, u licht vallen, liefde heeft voor Jakob den zevenjarigen zwaren dienst licht gemaakt. Laat de benauwdheden, die u om Christus' wil overkomen, uwe liefde tot Christus niet uitblussen, maar haar veeleer opwekken en verlevendigen.
2. Om Zijne blijdschap in hen te laten blijven, hen er mede te vervullen, vers 11. Dit bedoelde Hij in de voorschriften en beloften, die Hij hun had gegeven.
a. Dat Zijne blijdschap in hen zal blijven. In het oorspronkelijke zijn de woorden zo geplaatst, dat zij gelezen kunnen worden: of in dier voege: Dat Mijne blijdschap in u blijve. Indien zij veel vrucht voortbrengen, en in Zijne liefde blijven, dan zal Hij voortgaan met zich in hen te verblijden, zoals totnutoe. Vruchtbare en getrouwe discipelen zijn de blijdschap van den Heere Jezus, Hij rust in Zijne liefde tot hen, Zefanja 3:17 1). Gelijk er ene vervoering van blijdschap is in den hemel over de bekering van zondaren, zo is er een blijvende blijdschap over de volharding der heiligen. Of wel: Dat Mijne blijdschap, dat is: uwe blijdschap in Mij, blijve. Het is de wil van Christus, dat Zijne discipelen zich voortdurend in Hem zullen verblijden, Filippenzen 4:4. De blijdschap der geveinsden is slechts voor een ogenblik, maar de blijdschap van hen, die in Christus' liefde blijven, is een voortdurend feestmaal. Daar het woord des Heeren blijft tot in eeuwigheid, zal ook de blijdschap, die er uit voortvloeit en er op gegrond is, tot in eeuwigheid blijven. b, En uwe blijdschap vervuld worde, niet alleen dat gij vol zijt van blijdschap, maar dat uwe blijdschap in Mij en
in Mijne liefde al hoger en hoger zal stijgen, totdat zij de volkomenheid bereikt, als gij zult ingaan in de vreugde uws Heeren. Alleen diegenen, in wie Christus. blijdschap blijvende is, hebben een volkomen blijdschap, wereldse vreugde is hol en ledig, doet walgen, maar verzadigt niet. Alleen de blijdschap der wijsheid vervult de ziel, Psalm 36:9. Christus' bedoeling in Zijn woord is Zijn volk te vervullen van blijdschap, 1 Johannes 4. Dit heeft Hij gezegd, opdat onze blijdschap al voller en voller zal worden, en ten laatste volkomen zij.
3. Om hun liefde tot Hem te doen blijken doordat zij Zijne geboden bewaren: Indien gij Mijne geboden bewaart, zo zult gij in Mijne liefde blijven, vers 10. Dat zal een blijk wezen van de getrouwheid en standvastigheid uwer liefde tot Mij, en dan kunt gij ook zeker wezen van het blijvende Mijner liefde tot u." Merk hier op:
a. De belofte: Gij zult blijven in Mijne liefde, als in ene woonstede, tehuis zijn in Christus' liefde, als in ene rustplaats, u behaaglijk gevoelen in Christus' liefde, er u veilig in gevoelen als in een sterke vesting.
Gij zult blijven in Mijne liefde, gij zult genade en kracht hebben om er in te volharden Mij lief te hebben." Indien dezelfde hand, die het eerst de liefde van Christus in ons hart heeft uitgestort, ons niet hield in deze liefde, dan zouden wij er niet lang in blijven, maar uit liefde tot de wereld de liefde van Christus laten varen.
b. De voorwaarde der belofte: Indien gij Mijne geboden bewaard. De discipelen moesten de geboden van Christus bewaren, niet slechts door er zich zelven voortdurend naar te gedragen, maar ook door ze getrouwelijk aan anderen over te leveren, zij moesten ze bewaren als beheerders, in wier hand dat grote pand was overgegeven en toevertrouwd, want zij moesten al de volken leren onderhouden alles wat Christus had geboden, Mattheus 28:19. Dit gebod moesten zij onbevlekt en onberispelijk houden, 1 Timotheus 6:14, en aldus moeten zij tonen, dat zij in Zijne liefde blijven. Om hen er toe te bewegen Zijne geboden te bewaren wijst Hij: Op Zijn eigen voorbeeld: gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijne liefde. Christus had zich aan de wet van het middelaarschap onderworpen, en er aldus de eer en de vertroosting van bewaard, ten einde ons te leren om ons aan de wetten van den Middelaar te onderwerpen, want anders kunnen wij de eer en de vertroosting van onze betrekking tot Hem niet bewaren. De noodzakelijkheid hiervan ten einde deel in Hem te kunnen hebben, vers 14:Gij zijt Mijne vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede, en anders niet. Diegenen alleen zullen getrouwe vrienden van Christus geacht worden, die zich Zijn gehoorzame dienstknechten betonen, want zij, die niet willen dat Hij over hen zal heersen, zullen als Zijne vijanden beschouwd en behandeld worden. "Vriendschap brengt een gemeenschappelijk gevoel van afkeer en van genegenheid mede," zegt Sallustus. Alleen een algemene gehoorzaamheid aan Christus is een Hem welbehaaglijke gehoorzaamheid, Hem te gehoorzamen in alles wat Hij gebiedt, zonder uitzondering te gehoorzamen, en veel minder nog kan er sprake zijn van er zich tegen te verzetten.
IV. Betreffende de liefde der discipelen voor elkaar, hun geboden als een bewijs van hun liefde tot Christus, en een dankbare vergelding van Zijne liefde tot hen. Wij moeten Zijne geboden bewaren, en dit is Zijn gebod, dat wij elkaar liefhebben, vers 12, en wederom in vers 17. Geen enkele plicht van den Godsdienst wordt ons meer herhaaldelijk ingeprent, of ons aandoenlijker door onzen Heere Jezus aan het hart gelegd, dan die der wederzijdse liefde, en wel om een goede reden.
1. Zij wordt ons hier aanbevolen door Christus' voorbeeld, vers 12, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb. Christus' liefde tot ons behoort ons aan te sporen tot, en te leiden in, onze liefde voor elkaar, op deze wijze en uit dien beweeggrond moeten wij elkaar liefhebben, zoals en omdat Christus ons liefgehad heeft. Hij wijst hier op sommige bijzondere uitingen van Zijne liefde tot hen. Hij noemde hen vrienden, Hij deelde hun Zijne gedachten mede, Hij was bereid hun te geven waar zij om vroegen.
Gaat heen en doet desgelijks.
2. Zij wordt vereist door Zijn gebod. Hij. treedt tussenbeide met Zijn gezag, Hij heeft het tot een der wetten van Zijn koninkrijk gemaakt. Merk op, hoe verschillend het in deze twee verzen is uitgedrukt, maar beide malen toch zeer nadrukkelijk.
a. Dit is Mijn gebod, vers 12, alsof dit het noodzakelijkste was van al Zijne geboden. Gelijk onder de wet op het verbod van afgoderij meer nadruk werd gelegd dan op alle andere geboden, in het voorzien van de neiging des volks tot die zonde, zo heeft Christus de neiging voorziende van de Christelijke kerk tot liefdeloosheid, op dit gebod den meesten nadruk gelegd.
b. Dit gebied Ik u, vers 17. Hij spreekt alsof Hij hun velerlei gebood, en toch noemt Hij slechts dit ene: dat gij elkaar liefhebt, niet alleen omdat hierin vele plichten zijn opgesloten, maar omdat dit op allen een goeden invloed zal uitoefenen.