1 Johannes 2:3-6
Deze verzen kunnen beschouwd worden als zich aansluitende aan het zevende vers van het vorige hoofdstuk, zodat daartussen ligt een op zich zelve staande bespreking van den plicht en den troost der gelovigen, in geval hij zondigt, naar aanleiding van het vermelden van een der voorrechten van den gelovige: zijn gereinigd zijn van zonden door het bloed des Middelaars. In vers 7 van Hoofdstuk 1 heeft de apostel het gezegende gevolg van een wandel in het licht genoemd: Wij hebben gemeenschap met elkaar, de hemelse gemeenschap, die het voorrecht van de gemeen te van Christus is. Hier volgt nu de proef, die genomen wordt op ons licht en onze liefde.
I. De proef op ons licht. En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijne geboden bewaren, vers 3. Goddelijk licht en kennis zijn de schoonheid en verbetering van het verstand, het betaamt den discipelen van den Middelaar wijze en verstandige mensen te zijn. Jonge Christenen zijn geneigd hun nieuwe licht op te hemelen en hun eigen kennis toe te juichen, voornamelijk wanneer zij plotseling of in korten tijd bekeerd zijn, en de ouden hellen er toe over om de genoegzaamheid en de volheid van hun kennis te verdenken, zij betreuren het dat zij God en Christus en den rijken inhoud van Zijn Evangelie niet beter kennen. Maar hier is het bewijs van de deugdelijkheid hunner kennis, zo zij Gods geboden houden. Elke volkomenheid van Zijne natuur versterkt Zijn gezag, de wijsheid van Zijn raad, de rijkdom Zijner genade, de grootheid van Zijn werken, versterken Zijn wet en regering. Een zorgvuldige nauwgezette gehoorzaamheid aan Zijne geboden toont, dat de erkenning en de kennis van deze deugden genadig aan de ziel geheiligd zijn, en daarom volgt hier: Die daar zegt: ik ken Hem, en Zijne geboden niet bewaart, die is een leugenaar en in dien is de waarheid niet, vers 4. Belijders van de waarheid zijn dikwijls beschaamd over hun onwetendheid of schamen zich die te erkennen, zij wenden dikwijls grote vorderingen voor in de kennis van de goddelijke verborgenheden.
Gij roemt op God, en gij weet Zijn wil en beproeft (door uw redelijk oordeel,) de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet, en gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, Romeinen 2:17. Maar welke kennis van God kan dat zijn, die niet ziet dat Hem de algehele en eerbiedigste gehoorzaamheid toekomt? En indien dat ingezien en gekend wordt, hoe ijdel en oppervlakkig is dan die kennis, wanneer het hart zich niet tot die gehoorzaamheid buigt? Een gehoorzaam leven is de tegenspraak en beschaming van voorgewende godsdienstige kennis, het maakt zulke roem en zulke aanmatiging tot leugen, en toont dat er geen godsdienst of zaligheid in den mens is.
II. De proef van onze liefde. Maar zo wie Zijn woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden, hieraan kennen wij dat wij in Hem zijn, vers 5. Het bewaren van het woord van God of van Christus is geheiligd daarop letten in al ons gedrag en geheel onzen levenswandel, in hem, die dat doet, is de liefde Gods volmaakt geworden. Wellicht verstaan sommigen hieronder de liefde Gods tot ons, en ongetwijfeld kan Zijne liefde voor ons niet volmaakt worden, niet haar volkomen doel bereiken, zonder onze praktische waarneming van Zijn woord. Wij zijn uitverkoren om heilig en onberispelijk te zijn voor Hem in de liefde, wij zijn verlost om te zijn een verkoren volk, ijverig in goede werken, wij hebben vergeving en rechtvaardigmaking verkregen om deelgenoten te worden van overvloediger mate van den goddelijken Geest tot onze heiligmaking, opdat wij zouden wandelen in den weg van heiligheid en gehoorzaamheid. Maar geen daad van goddelijke liefde, welke hierdoor aan ons verricht werd, bereikt haar bedoeling, uitwerking en vrucht, zonder ons heilig bewaren van Gods woord. Doch hier wordt veel meer bedoeld onze liefde voor God, gelijk in vers 15.
De liefde des Vaders (of tot den Vader) is niet in hem, en 3:17 :Hoe blijft de liefde Gods (of tot God) in hem? Welnu, het licht ontvonkt de liefde, en liefde moet en wil en zal Gods woord bewaren, zij onderzoekt waardoor zij den geliefde zal behagen en dienen, en daar zij bevindt dat dit geschiedt door acht geven op Zijn wil, dien Hij geopenbaard heeft, zo oefent zij zich daarin, en zo wordt de liefde openbaar. Daar heeft zij een volmaakt werk, en daardoor weten wij (door dit plichtmatig letten op den wil van God en van Christus) dat wij in Hem zijn. Wij weten dat wij Hem toebehoren, en dat wij met Hem verenigd zijn dooi dien Geest, die ons opheft en bijstaat tot deze gehoorzaamheid. En indien wij onze betrekking tot Hem en onze vereniging met Hem erkennen, zal dat voortdurend meer invloed op ons hebben: Die zegt dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen gelijk Hij gewandeld heeft, vers 6. De Heere Jezus Christus was een bewoner van deze wereld en wandelde hier rond, hier gaf Hij een schitterend voorbeeld van gehoorzaamheid aan God. Zij, die belijden dat zij Hem toebehoren en bij Hem blijven, moeten met Hem wandelen, naar Zijn voorbeeld en in Zijn voetstappen. De volgelingen van de verschillende sekten van wijsgeren der oudheid betoonden groot ontzag voor de voorschriften en het leven van hun meesters en leraren, hoeveel te meer moet de Christen, hij die zegt dat hij in en met Christus blijft, trachten te gelijken naar zijn onfeilbaren Meester en Hoofd en wandelen naar Zijn voorbeeld en geboden! Gij zijt Mijne vrienden, zo gij doet wat Ik u gebied. Johannes 15:14.