Johannes 8:51-59
In deze verzen hebben wij:
I. De leer van de onsterflijkheid der gelovigen, vers 51. Zij wordt ingeleid met het gewone plechtige: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, dat zowel aandacht als instemming gebiedt, en dit is wat Hij zegt: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. Hier hebben wij:
1. De hoedanigheid van een gelovige: hij is iemand, die het woord van den Heere Jezus bewaart, ton logon ton emon -Mijn woord, dit Mijn woord, dat Ik u overgeleverd heb, dat moeten wij niet alleen ontvangen, maar bewaren, niet alleen hebben, maar houden. Wij moeten het bewaren in ons hart en ons geheugen, en in onze liefde, het zo bewaren, dat wij het in niets geweld aandoen, of er in strijd mede handelen, het onbevlekt houden, 1 Timotheus 6:14 het bewaren als een pand, dat ons toebetrouwd is, er ons aan houden als aan onzen leefregel.
2. Het voorrecht van een gelovige: Hij zal den dood niet zien in der eeuwigheid. Niet alsof het lichaam der gelovigen gevrijwaard is tegen den dood. Neen, zelfs de kinderen des Allerhoogsten moeten sterven als een mens," en de volgelingen van Christus zijn, meer dan andere mensen, in doodsgevaar menigmaal, en worden den gansen dag gedood, hoe zal dan deze belofte vervuld worden, dat zij den dood niet zien zullen? Antwoord.
a. De eigenschap van den dood is voor hen zo veranderd, dat zij den dood niet zien als dood, zij zien de verschrikking des doods niet, die is gans en al voor hen weggenomen, hun gezicht eindigt niet in den dood, zoals het geval is met hen, die leven door de zinnen, neen, zij zien zo helder, zo gerust en zo getroost door den dood heen, en over den dood heen, en zij zijn zo vervuld met den staat, die hun deel zal zijn aan gene zijde des doods, dat zij den dood voorbijzien, zij zien hem niet.
b. De macht van den dood is zo verbroken, dat, hoewel er geen verhelpen aan is, dat zij den dood moeten zien, zij den dood echter niet eeuwiglijk zien zullen, zij zullen niet altijd gevangen blijven onder zijne macht of heerschappij, de dag zal komen, wanneer de dood verslonden zal zijn tot overwinning.
c. Zij zijn volkomen verlost van den eeuwigen dood, zij zullen van den tweeden dood niet beschadigd worden. Dat is de dood, die hier inzonderheid bedoeld is, die dood, welke in der eeuwigheid is, en tegenover het eeuwige leven wordt gesteld, dezen dood zullen zij niet zien, want zij komen niet in de verdoemenis. Hun eeuwig deel zal wezen waar geen dood meer is, waar zij niet meer kunnen sterven, Lukas 36. Hoewel zij het niet kunnen vermijden den dood te zien, en ook den dood te smaken, zullen zij toch weldra wezen, waar zij hem in eeuwigheid niet weer zullen zien, Exodus 14:13.
II. De Joden maakten vittende aanmerkingen op deze leer. In plaats van deze dierbare belofte van de onsterflijkheid aan te grijpen, waarnaar de menselijke natuur uitgaat (wie is er, die het leven niet liefheeft en geen afschrik heeft van den dood?) grijpen zij de gelegenheid aan om Hem te smaden, die hun zo vriendelijk een aanbod deed: Nu bekennen wij, dat gij den duivel hebt. Abraham is gestorven. Merk hier op: 1. Hun smalen. Nu bekennen wij, dat gij den duivel hebt, dat gij een waanzinnige zijt, en niet weet wat gij zegt." Zie hoe deze zwijnen de kostelijke paarlen der Evangeliebeloften met voeten treden. Indien zij nu eindelijk het bewijs hadden van Zijne waanzinnigheid, waarom hebben zij dan, nog voor zij dat bewijs hadden, gezegd: gij hebt den duivel? vers 48. Maar zo is de methode der boosaardigheid: -eerst een hatelijke beschuldiging uitbrengen, en dan naar het bewijs er van gaan zoeken: Nu bekennen wij, dat gij den duivel hebt. Indien Hij niet overvloedig had bewezen een leraar te zijn van God gezonden, dan zouden Zijne beloften van onsterflijkheid aan Zijn lichtgelovige volgelingen met recht bespot hebben kunnen worden, en zelfs in den geest der liefde zou men het niet anders dan aan een ontsteld brein hebben kunnen toeschrijven, maar blijkbaar was Zijne leer Goddelijk, Zijne wonderen bewezen het, en de Joodse Godsdienst leerde hun zulk een profeet te wachten en in hem te geloven, hun verwerping van Hem stond dus gelijk met een afstand doen van de belofte, tot dewelke hun twaalf geslachten verhoopten te komen, Handelingen 26:7.
2. Hun redenering, waardoor zij den schijn hadden van Hem te verslaan. Zij achtten Hem schuldig aan ondraaglijke aanmatiging, daar Hij zelfs groter wil schijnen dan Abraham en de profeten. Abraham is gestorven en de profeten zijn ook gestorven, zeer waar, deze Joden waren de echte nakomelingen van degenen, die hen gedood hebben.
a. Hier is waar, dat Abraham en de profeten grote mannen zijn geweest, groot in Gods gunst, en groot in de achting van alle goede mensen.
b. Het is waar, dat zij Gods woord bewaard hebben, er gehoorzaam aan waren, en toch,
c. Het is waar, dat zij gestorven zijn, zij hebben nooit beweerd onsterflijkheid te hebben, en nog veel minder haar te geven, maar ieder hunner is verzameld tot zijne volken. Het was hun eer, dat zij gestorven zijn in het geloof, maar sterven moesten zij. Waarom zou een Godvruchtig mens vrezen te sterven, als Abraham gestorven is, en ook de profeten gestorven zijn? Zij zijn den weg gevolgd door die duistere vallei, hetgeen ons met den dood moet verzoenen, en ene hulpe moet wezen om er de verschrikking voor ons van weg te nemen. Nu denken zij, dat Christus de taal spreekt van den waanzin, als Hij zegt: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid. Den dood smaken betekent hetzelfde als den dood te zien. Nu zijn er in hun redenering twee fouten: Zij begrepen, dat Christus sprak van onsterflijkheid in deze wereld, en dat was ene vergissing. In den zin waarin Christus had gesproken, was het niet waar, dat Abraham en de profeten dood waren, want God is nog altijd de God van Abraham en de God der heilige profeten, Openbaring 22:6, en God is niet de God der doden, maar der levenden, dus zijn Abraham en de profeten nog in leven, en zoals Christus het had bedoeld, hebben zij den dood noch gezien, noch gesmaakt. Zij dachten, dat niemand groter kon zijn dan Abraham en de profeten, terwijl zij toch wel moesten weten, dat de Messias groter zou zijn dan Abraham of iemand, wie dan ook, der profeten. Zij hebben deugdelijk gehandeld, maar Hij ging die allen te boven, ja meer, hun grootheid en deugd hebben zij aan Hem ontleend. Het was Abrahams ere, dat hij de stamvader was van den Messias, en de ere der profeten, dat zij tevoren van Hem hebben getuigd, zodat Hij gewis uitnemender naam boven hen geërfd heeft. In plaats dus uit Christus' zeggen, dat Hij groter is dan Abraham, af te leiden dat Hij den duivel had, hadden zij
uit het bewijs, dat Hij voor Zijn zeggen geleverd heeft, (door de werken te doen, die noch Abraham, noch de profeten ooit gedaan hebben) moeten afleiden, dat Hij de Christus was, maar hun ogen waren verblind. Minachtend vragen zij: Wie maakt gij uzelven? Alsof Hij schuldig was aan hoogmoed en ijdelheid, terwijl Hij, wel verre van zich groter voor te doen dan Hij was, thans Zijne heerlijkheid nog omsluierde, zich ontledigde, zich voordeed als minder dan Hij was, en het grootste voorbeeld was van nederigheid, dan ooit bestaan heeft.
III. Christus' antwoord hierop. Nog verwaardigt Hij zich met hen te redeneren, opdat alle mond gestopt worde. Ongetwijfeld zou Hij hen hebben kunnen doen verstommen, of dood ter aarde werpen, maar dit was de dag Zijner lankmoedigheid.
1. In Zijn antwoord dringt Hij aan, niet op Zijn eigen getuigenis betreffende Hem zelven, maar laat het ter zijde als ongenoegzaam en niet beslissend, vers 54:Indien Ik Mij zelven eer, zo is Mijne eer niets, ean ego doxazoo Indien Ik Mij zelven verheerlijk. Eigen roem is geen roem, en het voorwenden van eer voor zich zelven is ere voor zich zelven te verbeuren. Zulk ene eer is gene eer, Spreuken 25:27, maar zo groot ene schande, dat er gene zonde is, die de mensen ijveriger zoeken te verbergen dan deze, zelfs hij, die het meest op roem en lof gesteld is, wil niet dat men dit van hem denkt. Ene ere, die wij ons zelven scheppen, is niets dan een hersenschim, er is niets in, en daarom wordt zij ijdele eer genoemd. Die zich zelven bewondert, bedriegt zich zelven. Onze Heere Jezus was niet iemand, die, gelijk zij Hem voorstelden, zich zelven eerde, Hij was gekroond door Hem, die de Fontein is van alle eer, Hij heeft zich zelven niet verheerlijkt om hogepriester te worden, Hebreeën 5:4, 5.
2. Hij beroept zich op Zijn Vader, God, en op hun vader Abraham.
a. Op Zijn Vader, God. Mijn Vader is het, die Mij eert. Hiermede bedoelt Hij dat Hij aan Zijn Vader al de eer ontleende, waarop Hij nu aanspraak maakte. Hij had hun geboden in Hem te geloven, Hem te volgen en Zijn woord te bewaren, hetgeen alles strekte om Hem te eren, maar het was de Vader, die hulp bij Hem had besteld, wiens welbehagen het was, dat in Hem "al de volheid wonen zou," die Hem heeft geheiligd en verzegeld, en Hem in de wereld heeft gezonden, om al de ere te ontvangen, verschuldigd aan den Messias, en dit heeft Hem in al deze eisen van eerbied te ontvangen, gerechtvaardigd. Dat Hij van Zijn Vader bleef afhangen voor alle verdere eer, die Hij verwachtte. Hij dong niet naar de toejuiching der eeuw, maar verachtte haar, want Zijn oog en hart waren gericht op de heerlijkheid, die Zijn Vader Hem had beloofd, en die Hij bij den Vader had, eer de wereld was. Hij had het oog op ene bevordering, waartoe Zijn Vader Hem zou verhogen, op een naam, die Hem gegeven zou worden, Filippenzen 2:8, 9. Christus en al de Zijnen zijn van God afhankelijk voor hun eer, en hij, die zeker is van ere ter plaatse waar hij bekend is, bekommert zich er niet om, gering geacht te worden ter plaatse, waar hij zich incognito bevindt. Zo dikwijls heeft Hij zich beroepen op Zijn Vader en Zijns Vaders getuigenis van Hem, hetwelk echter door de Joden noch toegelaten, noch geloofd werd.
Ten eerste. Hij gebruikt hier de gelegenheid om hun de reden te tonen van hun ongeloof, in weerwil van dit getuigenis-en die was hun onbekendheid met God, alsof Hij gezegd had: "Maar waarom zou Ik u er van spreken, dat Mijn Vader Mij eert, daar gij Hem toch niet kent. Gij zegt van Hem, dat Hij uw God is, en gij kent Hem niet." Merk hier op:
A. Hun belijden van hun betrekking tot God: "Gij zegt, dat Hij uw God is, de God, dien gij hebt verkoren, en met wie gij in verbond zijt. Gij zegt, dat gij zijt Israël, maar niet allen zijn Israël, die uit Israël zijn, Romeinen 9:6. Velen geven voor deel te hebben aan God, en zeggen dat Hij hun God is, die toch niet waarlijk reden hebben om dit te zeggen. Zij, die zich den tempel des Heeren noemden, hebben de voortreffelijkheid van Jakob ontheiligd, zij stelden vertrouwen in valse redenen. Wat zal het ons baten te zeggen: Hij is onze God, indien wij niet waarlijk Zijn volk zijn, de zodanige, die Hij wil erkennen? Christus maakt hier melding van hun belijdenis van tot God in betrekking te staan, als van hetgeen ene verzwaring was van hun ongeloof. Alle mensen zullen degenen eren, die door hun God geëerd worden, maar deze Joden, die zeiden, dat de Heere hun God was, legden er zich op toe om zo veel mogelijk schande te hopen op wie hun God ere legde. Als onze belijdenis van ene verbondsbetrekking tot God en ons deelhebben aan Hem niet door ons bewezen wordt, door ons Godzalig leven en ons oprecht geloof, dan zal het tegen ons getuigen ter onzer veroordeling. B, Hun onwetendheid omtrent Hem en hun vervreemding van Hem, niettegenstaande deze belijdenis. Gij kent Hem niet.
a. Gij kent Hem in het geheel niet. Deze Farizeeën waren zo ingenomen met de studie van hun inzettingen betreffende nietigheden, dat zij nooit acht sloegen op de meest nodige en nuttige kennis, evenals de valse profeten van ouds, die het volk Gods naam deden vergeten door hun dromen, Jeremia 23:27. Of:
b. Gij kent Hem niet goed, maar zijt in dwaling omtrent Hem, en dat is even erg als, of nog erger dan, Hem in het geheel niet te kennen. Men kan instaat zijn zeer scherpzinnig over God te redetwisten, terwijl men Hem dan toch niet kent. Gij zegt, dat Hij de uwe is, en het is natuurlijk voor ons om wat het onze is te willen kennen, en toch, gij kent Hem niet. Er zijn velen, die op verwantschap met God aanspraak maken, maar toch niet met Hem bekend zijn. Het is slechts de naam God, waarvan te spreken zij geleerd hebben, maar wat betreft den aard Gods, Zijne hoedanigheden en volmaaktheden, en de betrekking, waarin Hij staat tot Zijne schepselen, daarvan weten zij niets, wij zeggen dit tot hun schaamte, 1 Corinthiërs 15:34. Zeer velen vergenoegen zich- maar bedriegen zich-met slechts in naam in betrekking te staan tot een God, dien zij niet kennen. Hiervan beschuldigt Christus hier de Joden: a. Om te tonen hoe ijdel en ongegrond hun aanspraak was van tot God in betrekking te staan. "Gij zegt, dat Hij de uwe is, maar gij logenstraft uzelven, want het is duidelijk, dat gij Hem niet kent", en wij achten, dat een bedrieger ten volle als bedrieger uitkomt, wanneer blijkt, dat hij onbekend is met de personen, met wie hij beweert in betrekking te staan b. Om de ware reden te tonen, waarom Christus, leer en wonderen geen indruk op hen maakten. Zij kenden God niet, en daarom bespeurden zij noch het beeld, noch de stem Gods in Christus. De reden, waarom de mensen het Evangelie van Christus niet aannemen, is omdat zij gene kennis van God hebben. De mensen zijn der gerechtigheid van Christus niet onderworpen, omdat zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, Romeinen 10:3. Die God niet kennen en het Evangelie van Christus niet aannemen, worden saamgevoegd, 2 Thessalonicenzen 1:8.
Ten tweede. Hij geeft hun de reden van Zijne verzekerdheid, dat Zijn Vader Hem zal eren en erkennen: Maar Ik ken Hem, en wederom: Ik ken Hem, hetgeen aanduidt, niet slechts Zijne bekendheid met Hem, daar Hij in Zijn schoot was, maar Zijn vertrouwen op Hem, dat Hij Hem zal bijstaan en ondersteunen in geheel Zijne onderneming, zoals er van Hem voorzegd was, Jesaja 50:7, 8. "Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden, want Hij is nabij, die Mij rechtvaardigt, en, gelijk Paulus: Ik weet, wie ik geloofd heb, 2 Timotheus 1:12, ik weet, dat Hij getrouw is en machtig". Merk op: 1. Hoe Hij met de grootste stelligheid Zijne kennis belijdt van Zijn Vader: Indien Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar. Hij wilde Zijne betrekking tot God niet loochenen om de Joden te believen, en hun smaad te ontwijken of verdere moeilijkheden te voorkomen: en Hij wilde ook niet herroepen wat Hij had gezegd, noch zich als een bedrieger of een bedrogene erkennen. indien Hij dit deed, dan zou Hij een valse getuige zijn tegen God en zich zelven. Zij, die hun godsdienst en hun betrekking tot God loochenen, zoals Petrus gedaan heeft, zijn leugenaars, evengoed als geveinsden leugenaars zijn, die voorgeven Hem te kennen, daar zij Hem toch niet kennen, zie 1 Timotheus 6:13, 14. Terecht wordt door Dr. Clark hierbij opgemerkt, dat het een grote zonde is Gods genade in ons te ontkennen.
2. Hoe Hij Zijn kennen van den Vader bewijst: Ik ken Hem en bewaar Zijn woord. Als mens is Christus gehoorzaam geweest aan de zedelijke wet, en als Verlosser aan de Middelaarswet, en in die beide heeft Hij het woord Zijns Vaders bewaard, en Zijn eigen woord aan den Vader gehouden. Christus eist van ons, vers 51, dat wij Zijn woord bewaren, en Hij heeft ons een voorbeeld gegeven van gehoorzaamheid, een voorbeeld zonder vlek of gebrek, Hij heeft het woord Zijns Vaders bewaard, en wèl mocht Hij, die gehoorzaamheidgeleerd heeft, haar onderwijzen, zie Hebreeën 5:8, 9. Het beste bewijs van ons bekend zijn met God is onze gehoorzaamheid aan Hem. Zij alleen kennen God op de rechte wijze, die Zijn woord bewaren, 1 Johannes 2:3. Hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben (en het ons niet slechts verbeelden), zo wij Zijne geboden bewaren.
b. Christus verwijst hen naar hun vader, op hun betrekking tot wie zij zich zozeer beroemden, namelijk Abraham, en dit is het einde van het gesprek. Christus verklaart, dat Abraham Hem door het geloof gezien en geëerd heeft: Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou, en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. En hiermede bewijst Hij, dat Hij niet te ver ging met zich den meerdere te achten van Abraham. Hij spreekt hier van twee dingen als voorbeelden van den eerbied van dien aartsvader voor den beloofden Messias: Ten eerste. Het verlangen, dat hij had om Zijn dag te zien. Hij heeft met verheuging verlangd, êgalliasto. Hoewel dit woord gewoonlijk zich verheugen betekent, ligt er hier toch meer ene vervoering van verlangen in opgesloten, dan van blijdschap, want anders zou het laatste gedeelte van het vers: hij zag hem, en was blijde, een overtollige herhaling zijn. Hij strekte zich uit om Mijn dag te zien, zoals Zacheus, die vooruit liep en in een boom klom om Jezus te zien. De kennis, die hij ontvangen had van den toekomstigen Messias, had ene verwachting in hem gewekt van iets groots, waarvan hij ernstig begeerde meer te weten. De duistere wenk, of aanduiding van iets, dat gewichtig is, doet de mensen met vurigheid van verlangen vragen Wie? en wat? en waar? en wanneer? en hoe? En zo hebben de profeten van het Oude Testament, die een algemeen denkbeeld hadden van ene genade, die komen zou, ondervraagd en onderzocht, 1 Petrus 1:10, en Abraham is in dit onderzoek even ijverig geweest als iemand hunner. God sprak hem van een land, dat Hij aan zijne nakomelingen zou geven, en van den rijkdom en de eer, die hun beschoren zouden zijn, Genesis 15:14, maar hij heeft zich niet met zulk ene vervoering van vreugde uitgestrekt om dien dag te zien, als om den dag van den Zoon des mensen te zien. Hij kon niet met zoveel onverschilligheid zien op het beloofde Zaad, als op het beloofde land, daarin was hij een vreemdeling, en wilde dit zijn, maar voor het Zaad kon hij geen vreemdeling zijn, en wilde hij dit ook niet zijn. Zij, die wezenlijk iets van Christus weten, kunnen niet anders dan meer van Hem te willen weten. Zij, die het aanbreken bespeuren van het licht van de Zon der gerechtigheid, moeten wel naar den vollen opgang er van verlangen. Het is de verborgenheid der verlossing, die de engelen begerig zijn in te zien, hoe veel te meer moeten wij dit dan niet begeren, die er meer onmiddellijk belang bij hebben. Abraham begeerde Christus' dag te zien, hoewel die nog zeer verre was, maar dit zijn ontaard zaad heeft Zijn dag niet onderscheiden en hem niet welkom geheten, toen hij gekomen was. De komst van Christus, waarnaar Godvruchtige zielen verlangen, wordt door vleselijk-gezinde harten gevreesd en verafschuwd.
Ten tweede. Zijne voldoening er in, toen hij hem gezien had. Hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Merk hier op:
A. Hoe God de vrome begeerte van Abraham bevredigd heeft: hij verlangde Christus' dag te zien, en hij heeft hem gezien. Hoewel hij hem niet zo helder en duidelijk zag, als wij hem nu zien onder het Evangelie, heeft hij er toch iets van gezien, later meer dan in het eerst. Aan hem, die heeft, en aan hem, die vraagt, zal gegeven worden, aan hem, die hetgeen hij heeft nuttig gebruikt en die meer van de kennis van Christus begeert en er om bidt, zal God meer geven. Maar hoe heeft Abraham den dag van Christus gezien?
a. Sommigen verstaan het van zijn zien van hem in de andere wereld. Abrahams ziel heeft, toen de voorhang zijns vlezes gescheurd was, de verborgenheden gezien van het koninkrijk Gods in den hemel. Calvijn maakt melding van die opvatting, en heeft er niet veel op tegen. Het verlangen van Godvruchtige zielen naar Jezus Christus zal ten volle bevredigd worden, als zij in den hemel komen, maar niet eerder. Maar
b. Meer algemeen wordt het verstaan van een gezicht, dat hij had van Christus' dag in deze wereld. Zij, die de belofte niet verkregen hebben, hebben haar toch van verre gezien, Hebreeën 11:13. Bileam zag Christus, maar nu niet, niet van nabij. Er is plaats voor de gissing, dat Abraham een visioen van Christus en Zijn dag heeft gehad, dat God hem deze bijzondere voldoening geschonken heeft, maar dat dit niet vermeld is, en niet vermeld moest worden in zijne geschiedenis, zoals Daniël's visioen, dat gesloten en verzegeld moest worden, tot den tijd van het einde, Daniël 12:4. Christus heeft beter geweten wat Abraham gezien heeft dan Mozes. Maar er zijn onderscheidene dingen vermeld, waarin Abraham meer gezien heeft van hetgeen hij verlangde te zien, dan hij zag, toen de belofte hem voor het eerst was gegeven. Hij zag in Melchizedek iemand den Zoon van God gelijk geworden, en een priester tot in eeuwigheid, hij zag ene verschijning van Jehova, vergezeld van twee engelen in de vlakte van Mamre. In zijn overmogen in zijne voorbede voor Sodom, zag hij ene proeve van Christus' voorbede, in de uitwerping van Ismael en de oprichting van het verbond met Izaak zag hij een beeld, ene afschaduwing van den Evangeliedag, die de dag is van Christus, want dat zijn dingen, die andere beduiding hebben. In zijn offeren van Izaak, en den ram in de plaats van Izaak, zag hij een tweeledig type van het grote offer, en zijn noemen van die plaats Jehova-jireh -de Heere zal het voorzien, geeft te kennen, dat hij er iets meer in zag dan anderen, en dat de tijd aan het licht zou brengen, en toen hij zijn dienstknecht zijne hand onder zijne heup liet leggen toen hij zwoer, had hij het oog op den Messias.
B. Hoe Abraham deze ontdekkingen van Christus' dag ontving en welkom heette: Hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Hij was blijde met hetgeen hij zag van Gods gunst jegens hem zelven, en blijde met hetgeen hij voorzag van de goedertierenheid, die God had weggelegd voor de wereld. Wellicht heeft dit betrekking op Abrahams lachen toen God hem verzekerde een zoon te zullen hebben bij Sara, Genesis 17:16, 17, want dat was niet het lachen van wantrouwen zoals dat van Sara, maar van blijdschap, in die belofte zag hij den dag van Christus, en het vervulde hem met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Aldus heeft hij de beloften omhelsd. Een gelovig zien op Christus en Zijn dag zal blijdschap in ons hart geven. Gene blijdschap zo heerlijk als de blijdschap des geloofs, nooit kennen wij waar genoegen, voor wij met Christus bekend zijn. De Joden vitten hierop, en smaden Christus er om, vers 57:Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt gij Abraham gezien? Ten eerste. Zij gaan uit van de onderstelling, dat, zo Abraham Hem gezien heeft, Hij ook Abraham gezien moet hebben, hetgeen daar echter niet noodzakelijk in lag opgesloten, maar die draai aan Zijne woorden gegeven kon het best dienen om Hem en Zijne woorden aan bespotting bloot te stellen. Toch was het waar dat Christus Abraham had gezien en met hem had gesproken, zoals een man spreekt tot zijn vriend. Ten tweede. Zij achtten Zijn voorgeven ongerijmd dat Hij Abraham gezien zou hebben, die toch zo vele jaren voor Zijne geboorte al was gestorven. De staat der doden is onzichtbaar, maar hier begingen zij weer de oude vergissing, daar zij lichamelijk opvatten wat Christus geestelijk gezegd had. Dit gaf hun ook gelegenheid Zijne jonkheid te verachten, er Hem een verwijt van te maken, alsof Hij slechts van gisteren was en niets wist. Gij hebt nog geen vijftig jaren. Zij zouden even goed hebben kunnen zeggen: "Gij hebt nog geen veertig jaren", want Hij was nu slechts twee of drie en dertig jaren oud. Irenaeus, een der eerste kerkvaders, ondersteunt met dezen tekst de overlevering, die hij zegt ontvangen te hebben van iemand, die met Johannes had omgegaan, dat onze Heiland tot aan Zijn vijftigste jaar geleefd zou hebben, waarvoor hij strijdt, Advers, Haeres lib.
II. Cap. 39, 40. Zie hoe weinig geloof te hechten is aan de overlevering, en wat deze onderhavige betreft, de Joden "sloegen er een slag in", zoals men zegt, zij wilden een leeftijd opgeven, en daarom noemden zij er een, waarvan zij dachten, dat hij er nog ver genoeg beneden was, Hij zag er niet uit, alsof Hij veertig jaar was, maar zij waren er zeker van, dat Hij geen vijftig kon zijn, en veel minder nog dat Hij een tijdgenoot van Abraham kon wezen. De ouderdom wordt geacht te beginnen met vijftig jaar, Numeri 4:47, zodat zij niets meer bedoelden dan: "Gij kunt nog niet geacht worden een oud man te zijn, velen van ons zijn veel ouder dan gij, maar beweren toch niet Abraham gezien te hebben". Sommigen denken, dat Zijn gelaat zo verouderd was door smart en door waken dat dit, gevoegd bij den ernst van Zijn voorkomen, Hem uit deed zien als iemand van vijftig jaar: alzo verdorven was Zijn gelaat, Jesaja 52:14. Onze Heiland geeft een afdoend antwoord op deze vitterij, door een plechtige verzekering van Zijn hogere jaren, zelfs boven Abraham, vers 58. "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, Ik zeg het niet slechts in stilte aan Mijn eigen discipelen, die gewis zeggen zullen wat Ik zeg, maar tot u, Mijne vijanden en vervolgers, Ik zeg het u in het aangezicht, neemt het op. zoals gij wilt: Eer Abraham was, ben Ik, prin Abraam genesthai, ego eimi, Eer Abraham was gemaakt, of geboren, ben Ik. De verandering van het woord is opmerkelijk, en duidt Abraham aan als een schepsel, en Hem zelven als Schepper, wèl kan Hij zich dus de meerdere maken van Abraham. Hij was voor Abraham. Ten eerste. Als God. Ik ben is de naam Gods, Exodus 3:14, hij duidt aan een bestaan uit zich zelven. Hij zegt niet: was Ik, maar ben Ik, want Hij is de eerste en de laatste, onveranderlijk dezelfde, Openbaring 1:8. Hij was dus niet slechts voor Abraham, maar voor alle werelden, Hoofdstuk 1:1, Spreuken 8:23. Ten tweede. Als Middelaar, de bestemde en beloofde Messias, lang voor Abraham, het Lam dat geslacht is van de grondlegging der wereld, het kanaal, door hetwelk leven, licht en liefde van God tot den mens komen. Het onderstelt Zijn Goddelijke natuur, dat Hij in zich zelven van eeuwigheid af dezelfde is, Hebreeën 13:8, en dat Hij sedert den val voor den mens dezelfde is, Hij is van God geworden wijsheid, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing voor Adam, en Abel, en Henoch, en Noach, en Sem, en al de aartsvaders, die in het geloof in Hem geleefd hebben, en gestorven zijn, eer Abraham was geboren. Abraham was de wortel van het Joodse volk, de rots waaruit zij gehouwen waren. Indien Christus eer Abraham was, dan waren Zijne leer en Zijn Godsdienst gene nieuwigheid, maar in het wezen er van vroeger dan het Judaïsme, en er den voorrang boven hebbende. Dit grote gewichtige woord heeft plotseling een einde gemaakt aan het twistgesprek. Zij konden het niet dragen om meer van Hem te horen, en Hij behoefde niets meer tot hen te zeggen, daar Hij deze goede belijdenis had betuigd, hetgeen voldoende was om al Zijne aanspraken te wettigen. Men zou zo denken, dat de rede van Christus, waarin zo veel genade en heerlijkheid uitblonken, hen allen geboeid en ingenomen moest hebben, maar hun ingeworteld vooroordeel tegen de heilige, geestelijke leer en wet van Christus, die zo tegenstrijdig waren met hun hoogmoed en wereldsgezindheid, maakte alle middelen ter hunner overtuiging vruchteloos. Nu werd vervuld de profetie van Maleachi 3:1, 2, dat wanneer de Engel des verbonds tot Zijn tempel zal komen, zij den dag Zijner toekomst niet zouden verdragen, omdat hij zal zijn als het vuur van een louteraar. Merk hier op: Ten eerste. Hoe zij in woede ontstaken om hetgeen Christus had gezegd, Zij namen dan stenen op, dat zij ze op Hem wierpen, vers 59. Zij beschouwden Hem wellicht als Godslasteraar, en dezulken moesten ook gestenigd worden, Leviticus 24:16, maar eerst moesten zij wettelijk verhoord en aan hun misdaad schuldig worden bevonden. Als iedereen de wet naar zijn eigen welgevallen kan toepassen en ten uitvoer leggen, dan kan men wel aan alle gerechtigheid en orde vaarwel zeggen. En behalve dat, zij hadden zo-even nog gezegd, dat hij iemand was met een verward brein, indien dit nu zo was, dan streed het met alle rede en billijkheid om Hem als een boosdoener te straffen voor hetgeen Hij gezegd had. Zij namen stenen op. Dr. Lightfoot zal u zeggen hoe zij zo stenen bij de hand hadden in den tempel. Er waren toen juist werklieden bezig met herstellingen in den tempel, of er aan bij te bouwen, en de stukken steen, die zij afhieuwen, dienden hen daarvoor. Zie hier de ontzettende macht van de zonde en van Satan in en over de kinderen der ongehoorzaamheid. Wie kon denken, dat zodanige boosheid zou zijn in mensen, zulk een openlijke en vermetele rebellie tegen een persoon, die de onloochenbare bewijzen had geleverd, dat Hij de Zoon van God was? Zo heeft ieder wel een steen om op Zijn heiligen Godsdienst te werpen, Handelingen 28:22.
Ten tweede. Hoe Hij uit hun handen ontkwam. Jezus verborg zich -ekrubê -Hij was verborgen, hetzij door de menigte van hen, die Hem genegen waren, om Hem te beschutten (Hij, die op een hogen en verheven troon had behoren te zijn, berust er in, om, als het ware, verloren te zijn in de menigte). Of wellicht verborg Hij zich achter een muur of pilaar van den tempel (Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent, Psalm 27:5), of heeft Hij door Goddelijke macht een nevel voor hun ogen doen opgaan, zodat Hij onzichtbaar voor hen werd.
Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens, de wijze en Godvruchtige mens, Spreuken 28:12, 28. Niet alsof Christus bevreesd was om te blijven bij hetgeen Hij gezegd had, of er zich voor schaamde, maar Zijne ure was nog niet gekomen, en Hij wilde alzo de vlucht Zijner dienstknechten en Zijns volks goedkeuren en steunen, als zij in tijden van vervolging hiertoe geroepen worden. De Heere verborg Jeremia en Baruch. Jeremia 36:26. 2. Hij vertrok, Hij ging uit den tempel, gaande door het midden van hen, zonder dat zij Hem zagen, en ging alzo voorbij. Dit was geen lafhartige, schandelijke vlucht, ook gene vlucht, die vreze of schuldgevoel verried. Er was van Hem voorzegd, dat Hij niet zal falen, noch ontmoedigd worden, Jesaja 42:4. 1) Maar het was een voorbeeld van Zijne macht over Zijne vijanden, en een blijk, dat zij niets meer tegen Hem doen konden, dan Hij hun toeliet te doen, waaruit ook bleek, dat toen Hij later in hun kuil gevangen was, Hij zich zelven had overgegeven, Hoofdstuk 10:18. Zij dachten, dat zij Hem nu in hun macht hadden, en toch ging Hij door het midden van hen, hetzij, dat hun ogen verblind of hun handen gebonden waren, en zo liet Hij hen dan over aan hun woede, als een leeuw, die zijne prooi mist. Het was een voorbeeld van Zijn wijze voorziening voor Zijn eigen veiligheid, toen Hij wist, dat Zijn werk nog niet gedaan was en Zijn getuigenis nog niet voleindigd, en zo gaf Hij dan zelf het voorbeeld van Zijn eigen voorschrift: Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere, ja, indien het nodig is, naar ene woestijn, want dat heeft Elia gedaan, 1 Koningen 19:3, 4, en de vrouw-de kerk- Openbaring 12:6. Toen zij losse stenen opnamen om ze op Christus te werpen, zou Hij de vastgelegde stenen, die uit den muur tegen hen riepen, hebben kunnen gebieden Zijne zaak te wreken, of de aarde om zich te openen en hen te verzwelgen, maar Hij verkoos zich te voegen naar den staat, waarin Hij was, ten einde het voorbeeld navolgbaar te maken door de voorzichtigheid Zijner volgelingen, zonder dat er een wonder bij plaatsheeft. Het was een rechtvaardig verlaten van hen, die (erger nog dan de Gadarenen, die Hem baden uit hun landpale te gaan) Hem van uit hun midden weg stenigden. Christus zal niet lang blijven bij hen, die Hem weg wensen. Wèl heeft Christus daarna den tempel nog bezocht, -als iemand, die ongaarne vertrekt, heeft Hij herhaaldelijk afscheid genomen -maar eindelijk heeft Hij hem voor altijd verlaten, heeft Hij hem woest gelaten. Nu ging Christus door het midden der Joden, en niemand hunner zocht Hem aan om te blijven, noch gevoelde zich opgewekt om Hem te grijpen, zij waren tevreden om Hem te laten gaan, God zal nooit iemand verlaten, voor men Hem als het ware tot heengaan gedrongen heeft, door te doen blijken dat Zijne tegenwoordigheid niet begeerd werd. Calvijn merkt op, dat deze overpriesters, na Christus uit den tempel gedreven te hebben, er zich op lieten voorstaan, dat zij in het bezit er van gebleven waren, "Maar", zegt hij, "diegenen bedriegen zich zelven, die trots zijn op ene kerk of tempel, die door Christus verlaten werd." Er wordt gezegd, dat Christus toen Hij hen verliet stil en onopgemerkt voorbijging, parêgen housoos, zodat zij Hem niet bemerkten. Christus' wijken van ene kerk, of van een bijzondere ziel, geschiedt dikwijls in het verborgen, er wordt gene notitie van genomen, het wordt niet spoedig opgemerkt. Het koninkrijk Gods komt niet, en gaat niet, met uiterlijk gelaat, dat is: met vertoning, of gedruis, zie Richteren 16:. Simson wist niet, dat de Heere van hem geweken was. Zo was het ook met deze Joden. God heeft hen verlaten, en zij hebben Hem niet gemist.