Spreuken 8:1-11
De wil van God, ons geopenbaard tot ons heil wordt ons hier voorgesteld als gemakkelijk te kennen en te verstaan, opdat niemand iets hebbe om zijn onwetendheid of dwaling te verontschuldigen, en als waardig om aangenomen te worden, opdat niemand iets hebbe om zijn veronachtzaming en ongeloof te verontschuldigen.
I. De dingen, die geopenbaard zijn, zijn gemakkelijk te weten, want zij zijn voor ons en voor onze kinderen, Deuteronomium 29:29, en wij behoeven niet op te klimmen naar de hemel, of neer te dalen in de afgronden om er de kennis van te verkrijgen, Deuteronomium 30:1, want zij zijn reeds enigermate bekend gemaakt door de werken van de schepping, Psalm 19:1, maar ten volle door het geweten van de mensen en de eeuwige redenen en regelen van goed en kwaad maar het duidelijkst door Mozes en de profeten, laat hen die horen.
De voorschriften van de wijsheid kunnen gemakkelijk gekend worden, want
1. Zij worden luide bekend gemaakt, vers 1. Roept de wijsheid niet? Ja zij roept luide en houdt niet in, Jesaja 58:1. Zij doet haar stem horen als iemand wie het ernst is, die verlangt gehoord te worden. Jezus stond en riep, Johannes 7:37. De vloek en de zegen werden met verheven stem door de Levieten gelezen, Deuteronomium 27:14. En des mensen hart spreekt soms luid tot hen, er zijn luide kreten van de consciëntie, zowel als fluisteringen.
2. Zij worden verkondigd van omhoog, vers 2. Zij staat op de spits van de hoge plaatsen aan de weg. Het was van de top van de berg Sinai, dat de wet was gegeven, en Christus heeft haar verklaard in een rede, uitgesproken op de berg. Als wij de Goddelijke openbaring gering achten, dan keren wij ons af van dien, die van de hemelen is, Hebreeën 12:25. De overspelige vrouw sprak in het verborgen, de orakelen van de heidenen mompelden, maar de wijsheid spreekt openlijk, de waarheid zoekt geen hoeken, maar beroept zich gaarne op het licht.
3. Zij worden verkondigd in het voorste van het gewoel, in de plaatsen waar het volk bijeenkomt, in hoe groter getal, hoe beter. Jezus sprak in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkwamen, Johannes 18:20. iedere mens, die op de weg voorbijgaat, van welke rang of positie hij ook zij, kan weten wat goed is en wat de Heere van hem eist, en zo hij het niet weet is het zijn eigen schuld. Geen spraak en geen taal is er, waar de stem van de wijsheid niet wordt gehoord, haar ontdekkingen en haar raadgevingen worden aan ieder zonder onderscheid, gegeven. Wie oren heeft om te horen, die hore.
4. Zij worden verkondigd waar zij het meest nodig zijn. Zij zijn bestemd om ons ten gids te zijn op de weg, en daarom worden zij verkondigd ter plaatse waar paden zijn, waar vele wegen zich kruisen, opdat aan de reizigers, indien zij het slechts willen vragen, getoond worde wat de rechte weg is, juist op het ogenblik wanneer zij verlegen staan, omdat zij het niet weten. Uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, Jesaja 30:21. De zot weet niet naar de stad te gaan, Prediker 10:15, en daarom staat de wijsheid gereed om hem de weg te wijzen, staat aan de poort, voor aan de stad, gereed om hem te zeggen waar het huis is van de ziener, 1 Samuël 9:18. Ja meer, zij volgt de mensen naar hun eigen huizen, en bij het binnenkomen door de deur roept zij: Vrede zij deze huize, en indien aldaar een zoon des vredes is, dan zal de vrede er voorzeker op rusten. Gods dienstknechten zijn aangesteld om voor het volk te getuigen, beide in het openbaar en van huis tot huis. Hun eigen geweten volgt hen met vermaningen, waar zij ook heengaan, en zij kunnen niet buiten het bereik van het gehoor ervan komen, zolang zij hun hoofd en hun hart met zich omdragen, die hun tot wet zijn.
5. Zij zijn gericht tot de kinderen van de mensen. Wij geven acht op de rede, waarin wij onszelf horen noemen, hoewel wij er anders geen acht op zouden slaan, daarom spreekt de wijsheid tot ons, "Tot u, o mannen, roep ik, vers 4, niet tot engelen, zij hebben dit onderricht niet nodig, niet tot duivelen, zij zijn onherstelbaar verloren, niet tot redeloze dieren, zij zijn er onvatbaar voor, maar tot u, o mannen die geleerder zijt dan de dieren van de aarde, en wijzer zijt gemaakt dan het gevogelte des hemels. Aan u is deze wet gegeven, tot u is dit woord van uitnodiging en vermaning gezonden. Mijn stem is tot de mensenkinderen, die het nodig hebben onderricht te ontvangen, en aan wie naar men zou denken het zeer welkom zal zijn. Het is niet alleen tot u, o Joden, dat de wijsheid roept, of tot u, o voorname, aanzienlijke mannen, of tot u, o geleerden, maar tot u, o mannen, O mensenkinderen, zelfs tot de geringsten.
6. Zij zijn bestemd om hen verstandig te maken, vers 5, zij zijn berekend, niet alleen voor mensen, die vatbaar zijn voor wijsheid, maar voor zondige mensen, gevallen mensen, dwaze mensen, die haar nodig hebben, en zonder haar rampzalig zouden zijn, gij onverstandigen, verstaat kloekzinnigheid. Al zijt gij ook nog zo onverstandig, toch zal de wijsheid u tot haar leerlingen aannemen, en dat niet alleen, maar als gij door haar geregeerd wilt worden, zal zij het ondernemen om u een verstandig hart te geven, u met het hart te doen verstaan. Als zondaren hun zonden verlaten en in waarheid Godsdienstig worden, dan verstaan de onverstandigen wijsheid.
II. De geopenbaarde dingen zijn waardig om gekend te worden, alle aanneming wel waardig. Wij hebben het nodig te horen, want:
1. Zij zijn van onschatbare waardij, het zijn vorstelijke dingen, vers 6. Hoewel zij onder het bereik zijn van het kleinste verstand, is er toch datgene in, dat ook het grootste verstand zal onderhouden. Het zijn Goddelijke en hemelse dingen, zij zijn zo voortreffelijk, dat daarbij vergeleken, alle andere geleerdheid slechts kinderspel is. Dingen, die betrekking hebben op een eeuwige God, een onsterflijke ziel en een eeuwigdurende staat moeten wel voortreffelijke dingen zijn.
2. Zij zijn van onbetwistbare billijkheid, en dragen het bewijs van hun kostelijkheid in zich, het zijn rechte dingen) vers 6, zij zijn allen in gerechtigheid, vers 8, en er is niets verdraaids noch verkeerds in. Al de voorschriften en aanwijzingen van de geopenbaarde Godsdienst zijn in overeenstemming met, en tot de volmaaktheid leidende van het licht en de wet van de natuur, en er is niets in, dat ons enigerlei bezwaarnis oplegt, ons onder onwettig bedwang legt, dat van de waardigheid en vrijheid van de menselijke natuur niet betaamt, niets, waarover wij reden hebben te klagen, al Gods geboden zijn recht.
3. Zij zijn van onbetwistbare waarheid, de leerstellingen van de wijsheid, waarop haar wetten gegrond zijn, zijn van zodanige aard, dat wij er onze onsterflijke ziel op kunnen wagen. Mijn mond zal waarheid spreken, vers 7, de gehele waarheid, en niets dan de waarheid, want het is een getuigenis aan de wereld. Ieder woord van God is waar, er is geen vroom bedrog in, ook worden wij niet bedrogen of misleid in hetgeen ons tot ons welzijn gezegd wordt. Christus is een getrouwe getuige, is de waarheid zelf, goddeloosheid, liegen is Zijn lippen een gruwel. Liegen is goddeloosheid, en wij moeten er ons niet slechts van onthouden maar het moet ons een gruwel zijn en zo ver van hetgeen wij zeggen, als van hetgeen God zegt tot ons. Zijn woord aan ons is ja en amen, zo laat het onze dan nooit ja en neen zijn.
4. Zij zijn verwonderlijk welkom en aangenaam aan hen, die ze recht vatten, die zichzelf recht verstaan, wier oordeel niet verblind is door de wereld en het vlees, die niet onder de macht zijn van het vooroordeel, maar van God geleerd zijn, en wier verstand door Hem geopend is, die onpartijdig wetenschap zoeken, en haar gevonden hebben door het onderzoek dat zij hebben ingesteld. Voor hen zijn zij alle:
a. Duidelijk en niet moeilijk te verstaan. Indien het boek verzegeld is, dan is het dit voor hen, die willens onwetend zijn. Indien ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in redenen die verloren gaan, maar voor hen, die wijken van het kwade, dat verstand is, die het goede verstand hebben, dat zij bezitten, die de geboden doen, zijn zij alle duidelijk, en is er niets moeilijks in. De weg van de Godsdienst is een grote weg, en zij, die erop wandelen zullen, al zijn zij ook dwazen, niet dwalen, Jesaja 35:8. Diegenen dus doen een groot onrecht aan het gewone volk, die hun het gebruik van de Schriften ontzeggen, onder voorwendsel, dat zij ze niet kunnen verstaan, terwijl zij voor eenvoudige mensen geheel duidelijk zijn.
b. Zij zijn alle recht, er is niets hards in om er zich aan te onderwerpen. Zij, die onderscheiden kunnen tussen dingen, die van elkaar verschillen, die goed en kwaad kennen, erkennen geredelijk de rechtheid van al de voorschriften van de wijsheid, en daarom zullen zij zich zonder murmurering of tegenspreken er door laten regeren.
III. Uit dit alles leidt hij af dat de rechte kennis van die dingen ze voor hen, die ze ter harte nemen en er naar leven, dierbaarder maakt dan al de schatten van de wereld, vers 10, 11. Neemt mijn tucht aan en niet zilver. De tucht het onderwijs, moet niet slechts gehoord, maar aangenomen worden. Wij moeten haar welkom heten, er de indrukken van ontvangen, en ons aan het gebod ervan onderwerpen, en dat wel veeleer dan goud, dan uitgelezen, uitgegraven goud, dat is:
1. Wij moeten aan de Godsdienst de voorkeur geven boven rijkdom, en het er voor houden dat, zo wij de kennis en de vreze Gods in ons hart hebben, wij in werkelijkheid gelukkiger zijn, en beter verzorgd zijn voor iedere toestand van het menselijk leven, dan wanneer wij nog zoveel zilver en goud hadden. Wijsheid is in zichzelve beter en daarom moet zij ook in onze schatting beter zijn dan robijnen. Zij zal ons een beter deel zijn, toon haar en zij zal een schoner sieraad zijn dan juwelen en edelgesteenten van de grootste waardij. Wat wij ons ook van de schatten van deze wereld kunnen wensen, indien wij het hadden, zou het niet waard zijn om vergeleken te worden met de voordelen, die ernstige Godsvrucht aanbrengt.
2. Wij moeten dood wezen voor de rijkdom van deze wereld, ten einde ons met des te meer ijver en ernst toe te wijden aan de zaken van de Godsdienst. Wij moeten tucht of onderricht ontvangen als het voornaamste, en er onverschillig voor zijn of wij al of niet zilver ontvangen, ja wij moeten dit niet ontvangen als ons deel en loon, zoals de rijke man, die in zijn leven zijn goed ontvangen heeft.