Jeremia 7:21-28
Nadat Hij het volk getoond heeft, dat de tempel hen niet zal beschermen, zolang zij die met hun goddeloosheid verontreinigen, toont God hun hier, dat hun offeranden geen verzoening voor hen kunnen doen, en niet aangenomen zullen worden, zolang zij voortgaan met hun ongehoorzaamheid. Zie met welk een verachting Hij hier spreekt van hun offerdienst, vers 21. Doet uw brandofferen tot uw slachtofferen, gaat er mee voort, zolang het u behaagt, doet de ene soort offer tot de andere, maakt van brandoffers (die geheel verbrand werden ter ere Gods) dankoffers (waarvan de offeraar zelf een aanmerkelijk deel had) opdat gij vlees moogt eten, want dat is het enige dat gij waarschijnlijk van uw offeranden krijgen zult, een of twee goede maaltijden van vlees, maar verwacht er niets anders van, zolang gij op deze lichtzinnige wijze leeft. Houdt uw offeranden voor u zelf (zo begrijpen sommigen het) laat ze aan uw eigen tafel opgediend worden, want zij zijn in genen dele aannemelijk op Gods altaar. Om te beginnen,
I. Hij toont hun, dat gehoorzaamheid het enige was, dat Hij van hen verlangde, vers 22, 23. Hij beroept zich op het oorspronkelijk verbond, waardoor zij eerst tot een volk werden, toen zij uit Egypteland uitgevoerd werden. God maakte hen tot een koninkrijk van priesters voor Zich, niet om onthaald te worden op hun offeranden, zoals de duivelen, die de heidenen aanbidden, die met smaak het vet van hun offeranden eten en de wijn van hun drankoffer drinken, zoals men zich voorstelt, Deuteronomium 23:38. Neen: "Zal God het vlees van stieren eten," Psalm 1:13. "Ik heb met uw vaderen niet gesproken noch hun geboden van zaken des brandoffers of des slachtoffers, iet daarvan in de eerste plaats". De voorschriften van de zedewet werden gegeven voor de instellingen van de plechtigheden, en die andere kwamen later, als proeven van hun gehoorzaamheid en als hulpmiddelen voor hun berouw en geloof. De wet van Leviticus begint aldus: "Als een mens uit u de Heere een offerande zal offeren, moet hij zo en zo doen", Leviticus 1:2, 2:1, alsof de bedoeling meer was het offeren te regelen dan het te eisen. Maar wat God beval, waartoe Hij ze verbond door Zijn hoogste gezag en waar Hij op aandrong als de voorwaarde van het verbond, was, "gehoorzaam Mijn stem, " zie Exodus 15:26, waar dit de inzetting en de ordinantie was, waardoor God hen beproefde. "Hoort met ernst naar de stem van de Heer uw God". De voorwaarde, waarop zij Gods bizonder volk waren, was dit, Exodus 19:5. "Indien gij naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen". "Maak ernst met de plichten van de natuurlijke godsdienst beschouw de uitdrukkelijke instellingen uit het beginsel van gehoorzaamheid, en dan wil Ik uw God zijn en gij zult Mijn volk zijn", wat de grootste eer, gelukzaligheid en voldoening is, waarvoor iemand van de mensenkinderen ontvankelijk is. "Uw wandel zij regelmatig en benaarstig u in alles te voldoen aan de wil en het woord van God, wandel binnen de perken die Ik u gesteld heb, en in al de wegen, die Ik u geboden heb, en dan moogt gij verzekerd zijn dat het wel met u zal zijn." Zeer redelijk is hier de eis, dat wij ons laten richten door de Oneindige Wijsheid naar hetgeen past, dat Hij, die ons gemaakt heeft, ons zal gebieden, en dat Hij ons de wet zal stellen, die ons het leven geeft en onderhoudt, en zeer bemoedigend is de belofte: Laat Gods wil uw regel zijn en Zijn gunst zal uw geluk zijn.
II. Hij toont hun, dat ongehoorzaamheid het enige was waarom Hij met hen twistte. "Hij wilde hen niet berispen om hun offers, omdat zij die nalieten, zij waren geduriglijk voor Hem geweest", Psalm 50:8, zij hoopten er God mee om te kopen, en een aflaat te kopen om voort te kunnen gaan met zondigen. Daarom waarvan God hen altijd beschuldigd had, was, de overtreding van Zijn geboden in hun handel en wandel, terwijl zij die in sommige gevallen hielden bij de waarneming van hun godsdienstige plichten, vers 24, 25 enz. 1. Zij wedijverden om hun eigen wil te doen tegen de wil van God. Zij hoorden niet naar God en Zijn wet, zij letten daar niet op, het was hun alsof die nooit gegeven of van geen kracht was, zij neigden hun oor niet om er naar te luisteren, veel minder hun hart om er aan te voldoen. Maar zij wilden hun eigen zin hebben, doen wat ze zelf verkozen en niet wat hun geboden was. Hun eigen raadslagen waren hun gids en niet de voorschriften van goddelijke wijsheid, wat zij voor nuttig en goed houden, zullen zij volgen, al spreekt Gods Woord juist andersom. Het goeddunken van hun boos hart, de lusten en begeerlijkheden van dat hart zullen hun wet zijn, om daarin te wandelen naar de lust hunner ogen.
2. Al beginnen zij goed, zij volhardden niet maar weken spoedig af. Zij keerden achterwaarts, toen zij er van spraken, een hoofd op te werpen, naar Egypte terug te keren en niet onder Gods leiding voorwaarts te gaan. Zij beloofden zo schoon: Alles wat de Heere tot ons zal zeggen, zullen wij doen, als zij daarbij maar gebleven waren, zou alles wèl geweest zijn, maar in plaats van de weg van de gehoorzaamheid te bewandelen, keerden zij zich af naar het pad van de zonde en werden erger dan ooit.
3. Wanneer God boodschappers tot hen zond om hen aan Zijn geschreven woord te herinneren, namelijk de profeten, baatte ook dat niet, zij bleven ongehoorzaam. God zond hun dienaren te allen tijde, van toen hun vaders uit Egypteland waren uitgegaan, om hen op hun zonden opmerkzaam te maken en hen aan hun plicht te herinneren, die Hij vroeg op zijde, daarmee belastte, als tevoren vers 13, gelijk mannen vroeg opstaan om hun knechten tot de arbeid te roepen, maar zij waren even doof voor de profeten als voor de wet, vers 26 :Toch hebben zij niet gehoord noch hun oor geneigd. Dat was aldoor hun manier van doen geweest, zij hadden dezelfde stugge, weerspannige aard als die voor hen geweest waren, dat was altijd hun practijk geweest, door een boze geest ingegeven, die hen eindelijk in hun verderf voerde.
Hun handel en wandel was nog niets veranderd. Zij waren erger, niet beter dan hun vaderen.
a. Jeremia kan zelf tegen hen getuigen, dat zij ongehoorzaam waren, of hij zal dat spoedig ervaren, vers 27 :Ook zult gij alle deze woorden tot hen spreken, zult hen vooral van ongehoorzaamheid en hardnekkigheid beschuldigen. Maar zelfs dat zal niets op hen vermogen. Zij zullen naar u niet horen, noch acht op u geven. Gij zult gaan en tot hen roepen met alle mogelijke klaarheid en ernst, maar zij zullen u niet antwoorden, zij zullen noch u een goed antwoord geven noch zelfs enig antwoord, zij zullen op uw roepen niet komen.
b. Hij moest dus erkennen, dat zij de naam van ongehoorzaam volk verdienden, rijp voor het verderf, hij moest gaan om hun dat in hun aangezicht te zeggen, vers 28 :Zeg tot hen: Dat is het volk, dat naar de stem des Heeren Zijn God niet hoort. Zij zijn bekend om hun stijve nek, zij offeren de Heere hun God, maar willen niet door Hem als hun God geregeerd worden, zij willen het onderwijs van Zijn woord niet horen, noch de bestraffing van Zijn roede aannemen, zij willen door geen van beide teruggeroepen of bekeerd worden. De waarheid is ondergegaan onder hen: zij kunnen ze niet ontvangen, zij willen er zich niet aan onderwerpen noch zich er door laten gezeggen. Zij zullen de waarheid niet spreken, men kan geen hunner woorden geloven, want ze is uitgeroeid van hun mond, en leugen heeft haar vervangen. Zij zijn beide jegens God en mensen leugenaars.