Spreuken 7:24-27
We hebben hier de toepassing van de voorgaande geschiedenis. Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en niet naar zulke verleidsters, vers 24, leent het oor aan een vader, en niet aan een vijand.
1. "Neemt goede raad aan als hij u gegeven wordt, laat uw hart tot haar wegen niet afwijken, vers 25. Verlaat nooit de paden van de deugd, al zijn die ook steil en nauw, eenzaam en bergopwaarts, voor de weg van de overspeelster, al is die ook aangenaam voor het oog en breed en druk bezocht. Weerhoudt uw voeten niet slechts van die weg, maar laat zelfs uw hart er niet toe neigen, denkt er niet anders aan dan met afschuw van zulke goddeloze praktijken. Laat de rede en het geweten en de vreze Gods in het hart heersen, en de neiging tot vleselijke lusten in toom houden. Als gij in haar paden gaat, in de paden, die leiden tot deze zonde, dan komt ge op de dwaalweg, dan bevindt gij u buiten de rechte weg, de veilige weg, weest dus op uw hoede, dwaalt niet, opdat gij niet eindeloos omdoolt."
2. "Neemt goede raad aan, als hij u gegeven wordt."
A. "Zie terug, en aanschouw het kwaad, dat deze zonde heeft teweeggebracht, de overspeelster is het verderf geweest, niet maar van hier en daar een enkele, maar zij heeft vele gewonden nedergeveld." Duizenden zijn door deze zonde nu en voor eeuwig verloren gegaan, en deze waren niet slechts de zwakke en onnozele jongelingen, zoals deze er een was, van wie wij nu gesproken hebben, maar vele sterke mannen zijn door haar gedood, vers 26. Hiermede had hij misschien inzonderheid het oog op Simson, die door deze zonde gedood was, en misschien ook op David, die door deze zonde een zwaard over zijn huis heeft gebracht, hoewel de Heere dat in zoverre had weggenomen, dat hij zelf er niet door gedood werd. Dat waren mannen, niet alleen van grote lichaamskracht, maar van uitnemende wijsheid en kloekmoedigheid, en toch hadden hun vleselijke lusten de overhand over hen. Huilt, gij dennen, als de cederbomen gevallen zijn. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle.
B. "Zie voorwaarts met het oog des geloofs, en aanschouw wat er het einde van zal wezen," vers 27. Haar huis, hoewel zo rijk versierd, en een huis van genot genoemd, is de weg naar de hel), en haar kameren zijn de trap, die naar de binnenkameren des doods afdaalt en naar de eeuwige duisternis. De beker van de hoererij moet binnenkort veranderd worden in de beker van de zwijmeling, en de vlammen van de zinnelijke lusten zullen, zo zij niet uitgeblust worden door berouw en doding van het vlees, branden tot in de diepste hel. En daarom: zijt beroerd en zondigt niet.