Spreuken 5:15-23
Salomo had het grote kwaad aangetoond, dat er is in overspel en hoererij en al zulke ongebonden handelingen, en nu schrijft hij de geneesmiddelen voor.
I. Geniet met voldoening de lieflijkheid van een wettig huwelijk, dat ingesteld is ter voorkoming van ontucht, en waarvan daarom intijds gebruik moet worden gemaakt, opdat het niet krachteloos blijke te zijn ter genezing van hetgeen het had kunnen voorkomen. Laat geen personen klagen, dat God onvriendelijk met hen gehandeld heeft door hun de genietingen te ontzeggen, waartoe zij een natuurlijke begeerte hebben, want Hij heeft genadiglijk voorzien in de wettige voldoening ervan. Gij moogt inderdaad niet van elke boom des hofs eten, maar kies er een uit, die u behaagt, en daarvan moogt gij vrijelijk eten, de natuur zal daarmee tevreden zijn, maar lusten zijn met niets tevreden. Door aldus de mensen tot een te bepalen, heeft God hun zo weinig iets hards opgelegd, dat Hij integendeel met hun ware belangen te rade is gegaan. Salomo weidt hier sterk over uit, het niet slechts voorschrijvende als een tegengif, maar er op aandringende als een argument tegen hoererij, dat de geoorloofde genietingen van het huwelijk (al is het ook dat goddelozen, die in dienst zijn van de onreine geest, er de spot mee drijven), al de valse, verboden genietingen van de hoererij ver overtreffen.
1. Laat jonge lieden trouwen, trouwen en niet branden. Heb een waterbak voor uzelf, vers 15, namelijk de huisvrouw uwer jeugd, vers 18. Gij moet u of volkomen onthouden, of huwen. "De wereld is groot, en er is een grote verscheidenheid van gaven, onder welke gij kunt kiezen."
2. Laat hem, die gehuwd is, verlustiging vinden in zijn huisvrouw, en laat hem haar zeer liefhebben, niet alleen omdat zij de vrouw is, die hij zelf voor zich gekozen heeft, en hij met zijn eigen keuze tevreden moet zijn, maar omdat zij de vrouw is, die God in Zijn voorzienigheid voor hem bestemd heeft, en hij nog veel meer tevreden moet zijn met Gods beschikking. Hij moet behagen in haar vinden omdat zij de zijne is. Uw springader zij gezegend, vers 18. Acht u zeer gelukkig in haar, beschouw haar als een gezegende vrouw, laat haar uw zegen hebben, bid dagelijks voor haar en verblijd u dan met haar. Van die voorrechten zullen wij waarschijnlijk genot hebben, die ons geheiligd zijn door gebed en door de zegen van God. Het is ons niet slechts vergund, maar geboden, om aangenaam te leven met onze bloedverwanten, en inzonderheid betaamt het metgezellen om zich tezamen en in elkaar te verblijden. Wederzijdse verlustiging is de band van wederzijdse trouw. Het wordt niet alleen als een erkend feit beschouwd, dat "de bruidegom vrolijk is over de bruid," Jesaja 62:5, maar gegeven als een wet: geniet het leven met de vrouw, die glij liefhebt, Prediker 9:9. Diegenen verlustigen zich niet in het goede daar waar God het voor hen bestemd heeft die vrolijk en gezellig zijn met hun gezellen buitenshuis, maar zuur en gemelijk zijn in hun eigen huis en in hun familiekring.
3. Laat hem zijn huisvrouw tederlijk liefhebben, vers 19. Laat haar als een lieflijke hinde en een aangenaam steengeitje zijn, zoals aanzienlijke lieden soms tam in hun huis hielden om er mee te spelen. Begeer geen beter vermaak of afleiding van strenge studie of zwaar werk dan het onschuldige en aangename gesprek van uw eigen vrouw, laat haar in uw schoot liggen, zoals het ooilam van de arme man in zijn schoot lag, 2 Samuël 12:3, en leg gij uw hoofd neer aan haar boezem om uit te rusten laat dit u te allen tijde bevredigen, en zoek geen vermaak bij een andere. Dool steeds in haar liefde. Als gij uw liefde buitensporig wilt laten worden, en voor iemand zeer grote liefde wilt koesteren, laat het dan alleen uw eigen vrouw zijn, waar wel het minst gevaar bestaat dat zij buitensporig zal worden. Dit is water te drinken om de dorst uwer begeerte te lessen uit uw eigen waterbak en stromen uit uw bornput, die helder en fris zijn en gezond, vers 15, 1 Corinthiers 7:2, 3.
4. Laat hem zich verlustigen in zijn kinderen, en hen beschouwen met vermaak, vers 16, 17. "Beschouw hen als stromen uit uw eigen zuivere fontein," (de Joden worden gezegd uit "de wateren van Juda te zijn voortgekomen", Jesaja 48:1, zodat zij delen zijn van uzelf zoals de stromen van de fontein. Houd u aan uw eigen vrouw en dan zult gij hebben:
a. "Een talrijke nakomelingschap, als stromen van water, die zeer ruim vloeien, en zij zullen daar buiten verbreid worden, door huwelijken verbonden worden aan andere geslachten, terwijl zij, die hoereren, niet zullen uitbreken, Hosea 4:10.
b. "Een bijzonder nakroost, dat het uwe alleen zal zijn, terwijl de kinderen van de hoererij, die u toegeschreven worden, waarschijnlijk de uwe niet zijn, maar voor zoveel gij weet, het kroost kunnen zijn van vreemden, terwijl gij ze toch moet aannemen."
c. Een eerbaar nakroost, dat u tot eer zal wezen, dat gij uit moogt zenden, en waarmee gij u op straat kunt vertonen, terwijl onechte kinderen uw schande zijn, gij zult u schamen ze te erkennen. In deze zaak heeft de deugd alle genot en alle eer, met recht wordt zij dus wijsheid genoemd.
5. Laat hem dus de aanbieding van verboden genoegens versmaden, als hij altijd bekoord is door de liefde, vers 19, van een getrouwe, deugdzame echtgenote, dan bedenke hij hoe ongerijmd het voor hem zou zijn, om door een vreemde bekoord te worden, vers 20, verliefd te zijn op een onreine hoer, de schoot van de onbekende te omvangen, waarvan, zo hij enig besef had van eer of deugd, het denkbeeld hem zou doen walgen. Waarom wilt gij zo zot zijn, zo'n vijand zijn van uzelf, om aan modderig water, dat nog wel vergiftigd en gestolen is, de voorkeur te geven boven het zuivere levende water uit uw eigen bron? Indien de voorschriften van de rede gehoord worden, dan zullen de wetten van de deugd worden gehoorzaamd.
II. Zie altijd het oog van God op u, en laat Zijn vreze heersen in uw hart, vers 21. Zij, die leven in deze zonde, beloven zich geheimhouding, "het oog des overspelers neemt de schemering" waar, Job 24:15. Maar waartoe als het toch niet verborgen kan blijven voor God? Want
1. Hij ziet het. Eens iegelijks wegen, al zijn bewegingen, al zijn daden, zijn voor de ogen des Heeren, al de roerselen van het hart en al de uitgangen des levens, hetgeen nog zo in het verborgen gedaan wordt en nog zo behendig wordt bedekt. God ziet het in het ware licht, en kent het in al zijn oorzaken, omstandigheden en gevolgen. Hij werpt niet nu en dan een oog op de wegen van de mensen, zij zijn Hem steeds voor ogen, durft gij tegen God zondigen voor Zijn ogen, dat gij niet durft in de tegenwoordigheid van een mens gelijk gijzelf zijt?
2. Hij zal er de zondaar ter verantwoording voor roepen, want Hij ziet niet slechts zijn gangen, maar Hij weegt ze, beoordeelt ze, als een, die weldra de zondaar ervoor oordelen zal. Iedere daad wordt gewogen en zal "in het gericht worden gebracht," Prediker 12:14, hetgeen een goede reden is waarom wij de gang onzes voets zullen wegen, Hoofdst. 4:26, en aldus onszelf oordelen, opdat wij niet geoordeeld worden.
III. "Voorzie het zekere verderf van hen, die nog voortgaan in hun overtredingen." Zij, die in deze zonde leven, beloven zich straffeloosheid, maar zij bedriegen zich, hun zonde zal hen vinden, vers 22, 23. De apostel geeft de zin van deze verzen in weinig woorden "hoereerders en overspelers zal God oordelen" Hebreeën 13:4.
1. Het is een zonde, waarvan de mensen moeilijk de kracht kunnen afschudden. Als de zondaar oud en zwak is, zijn zijn lusten sterk en werkzaam, "gedenkende aan de dagen van zijn jeugd," Ezechiël 23:19. Aldus zullen de ongerechtigheden van de zondaar, hem met zijn eigen toestemming gegrepen hebbende, daarbij zich vrijwillig als gevangene er aan overgegeven heeft, hem vasthouden met de banden van zijn zonde, en zij hebben zo'n volkomen bezit van hem verkregen, dat hij zich niet los kan maken, maar in de grootheid van zijn dwaasheid, ( en wat groter dwaasheid kan er zijn, dan zich als dienstknecht aan zulke wrede aandrijvers over te geven?) zal hij verdwalen, eindeloos omdolen. Onkuisheid is een zonde, waarvan de mensen, als zij er zich eens in gestort hebben, zeer moeilijk en zeer zelden terugkomen.
2. Het is een zonde, aan de straf waarvoor de mensen, als zij haar niet verlaten, bij geen mogelijkheid kunnen ontkomen, zij zal onvermijdelijk hun verderf ten gevolge hebben. Gelijk hun eigen ongerechtigheden hen vasthouden in de verwijtingen en bestraffingen van hun geweten, Jeremia 7:19, zo zullen hun eigen ongerechtigheden hen ook vasthouden en overleveren aan Gods gericht. Er is geen gevangenis, er zijn geen ketenen nodig, zij zullen met de banden hunner eigen zonden vastgehouden worden, zoals de gevallen engelen, die ongeneeslijk goddeloos zijnde, met eeuwige banden onder de duisternis bewaard worden. De zondaar, die dikwijls bestraft zijnde, zijn nek verhardt, zal ten laatste sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, daar hem algemene waarschuwingen genoeg zijn gegeven, zal hij geen bijzondere waarschuwingen ontvangen, maar hij zal sterven zonder zijn gevaar van tevoren te zien, hij zal sterven, omdat hij de tucht niet wilde aannemen, maar in de grootheid van zijn dwaasheid wilde verdwalen en zo zal zijn oordeel wezen, hij zal de weg naar huis nooit wedervinden Zij, die zo dwaas zijn om de weg van de zonde te kiezen, worden rechtvaardiglijk door God aan zichzelf overgelaten, om er op voort te gaan, totdat zij komen tot het verderf naar hetwelk hij heenleidt. En dat is een goede reden waarom wij met vastberadenheid moeten waken tegen de verlokkingen van zinnelijke lusten.