14. a) Want het moet niet uitsluitend te doen zijn om een gelukkig leven in deze wereld, maar om het welbehagen Gods in den dag des oordeels: God zal eenmaal ieder werk in het gericht brengen, met al wat nu nog verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad. a)
1 Corinthiërs 4:5.
2 Corinthiërs 5:10.
Men kan het geloof aan een persoonlijk gericht, tot hetwelk de Prediker zich voelt opgeheven, als op enen zonnigen bergtop, van waar hij alle schaduwen en nog slechts langzaam doorbrekende lichtstralen zijner beschouwingen zegepralend overziet, uit zijn Boek niet wegnemen. Hij zegt dat elke daad geoordeeld zal worden, wat toch volgens zijne verklaring niet hier beneden geschiedt; hij beweert, dat zelfs het verborgene, dus ook de gedachten in het gericht zullen komen, wat nog meer bepaald slechts van de toekomst kan verwacht worden..
In dit laatste vers wijst de Prediker op het eindgericht tot vreze van de goddelozen, maar ook tot troost voor de godvrezenden.
Het kind van God ontdekt, als Asaf, hier zo vele raadselen voor het kortzichtig verstand. Hij kan de oplossing van veel niet vinden.
De goddeloze wandelt daarheen op rozen en vleit er zich mede, dat de God van Jakob het niet ziet, maar ook de Prediker weet het, dat er eenmaal zal komen een eindgericht.
En in dat eindgericht zal alles, wat nu nog verborgen is, geopenbaard worden.
Ieder werk zal in dit gericht komen en wat daarmee in verband staat, wat ook de Prediker weet, is: de rechtvaardige zal er ontvangen het eeuwig genadeloon op al wat hij door de gunste Gods mocht verrichten ter ere van zijn Verbonds-God, en de goddeloze zal ontvangen het loon der straf, dewijl hij zich in dit leven tegen den Heere en Zijn volk en de komst van Zijn Rijk heeft gekeerd.
SLOTWOORD OP HET BOEK DE PREDIKER.
Zoals we reeds in ons inleidend woord op dit Boek der Heilige Schrift schreven, is het evenals de Spreuken, wat den inhoud betreft, van Salomo, den zoon van David, den wijzen koning Israëls, al geven we toe, dat het eerst later is uitgegeven, in de dagen na de Babylonische ballingschap.
Wat den inhoud betreft sluit het zich geheel aan de Spreuken aan, al klinkt er ogenschijnlijk een somberder toon ons uit tegen.
Dit laatste is niet te verwonderen en zeer goed te verklaren, indien wij aannemen dat het vervaardigd is door den Schrijver in zijn ouderdom, toen hij, op zo vele glibberige paden der zonde, had ervaren, dat de wereld een onbevredigde consciëntie achterlaat.
Maar naast dien somberen toon kunnen we, gelijk in de verklaring uitkomt, ook een anderen toon vernemen: het is die, welke door het weer opdoemend en opluikend geloof wordt verwekt. De toon van een hoopvol vertrouwen op de leiding Gods, de verzekering, dat God, den Heere, te dienen, Zijn Naam te vrezen, verre weg het beste en het verkiezelijkste is.
Tegenover het ijdele van het ondermaanse, tegenover het onvoldoende en onbevredigende van wat deze wereld aanbiedt, stelt ook de Prediker de ware wijsheid, de vreze Gods en het onderhouden van Zijne geboden.
En daarom wijst ook de Prediker aan alle lijdenden den waren weg des heils.
Hij rukt hun weg van de paden van ongeloof en moedeloosheid en zet hunnen voet op den Rotssteen des heils, op den weg des geloofs en des ootmoedigen vertrouwens op God.
Hij leert hun, dat hij, die waarlijk den dienst van God heeft lief gekregen, veilig gaat.
Juist zijn slotwoord zegt het ons zo duidelijk, dat hij is een kind van God, die, ja, diepe wegen heeft doorgemaakt, aan den rand van diepe afgronden heeft gewandeld, maar door zijn God weer is gered, en nu ook aan zijn geestelijk zaad, als leraar der wijsheid, kan toeroepen, dat in God te vrezen het al gelegen is.