Spreuken 3:21-26
Salomo had hen gelukzalig genoemd, die niet alleen de wijsheid aangrijpen, maar haar vasthouden, daarom vermaant hij ons nu om haar te behouden, ons verzekerende dat wij er de vertroosting van zullen smaken.
I. De vermaning is: de regelen van de Godsdienst steeds voor ogen en altijd in het hart te hebben, vers 21.
1. Ze steeds voor ogen te hebben. "Mijn zoon, laat ze niet afwijken van uw ogen, Laat uw ogen er nooit van afwijken om ijdelheid na te wandelen, heb ze steeds voor uw geest en vergeet ze niet, denk er dikwijls aan en spreek er mede, en verbeeld u nooit dat gij ze nu lang genoeg beschouwd hebt, en dat het nu tijd is om ze maar weg te leggen, neen blijf er mee bekend zolang gij leeft. Hij, die schrijven leert, moet steeds zijn oog op zijn voorbeeld hebben, dat niet uit zijn gezicht laten, en zo moeten zij op de woorden van de wijsheid acht geven, die met omzichtigheid willen wandelen.
2. Ze altijd in het hart te hebben, want het is in die schatkamer, in de verborgen mens des harten dat wij bestendige wijsheid en bedachtzaamheid moeten bewaren, bij de beginselen ervan moeten blijven en ons aan de wegen ervan moeten houden. Het is een schat, die wel waard is bewaard te worden.
II. Het argument, om aan deze vermaning kracht bij te zetten, is ontleend aan het onuitsprekelijk groot voordeel, dat de wijsheid, aldus bewaard, voor ons zijn zal.
1. Ten opzichte van kracht en voldoening: "Zij zal leven zijn voor uw ziel, vers 22. Zij zal u opwekken tot uw plicht, als gij er traag en achterlijk in begint te worden, zij zal u verkwikken onder uw moeilijkheden, als gij begint te kwijnen en te vertwijfelen, zij zal uw geestelijk leven zijn, een voorsmaak en onderpand van het eeuwige leven." Leven voor de ziel is in waarheid leven.
2. Ten opzichte van eer en achting: zij zal een aangenaamheid zijn voor uw hals, als een gouden keten of een juweel. Een sieraad voor uw ogen, zo is het in het oorspronkelijke, aangenaam voor uw smaak, zo lezen het sommigen. Zij zal aangenaamheid, of bevalligheid bijzetten aan alles wat gij zegt, zo wordt het door anderen gelezen, zal u voorzien van aangename woorden, die u eer zullen aandoen.
3. Ten opzichte van veiligheid en gerustheid. Hierop wordt sterk gewezen in vier verzen, waarvan de strekking is, aan te tonen dat de uitwerking van gerechtigheid (die hetzelfde is als wijsheid hier) gerustheid en zekerheid is tot in eeuwigheid, Jesaja 32:17. Godvruchtige mensen worden onder Gods bijzondere bescherming genomen, en daarin kunnen zij een algehele voldoening smaken. Zij zijn veilig en kunnen gerust wezen.
A. In hun bewegingen bij dag, vers 23. Als onze Godsdienst onze metgezel is, dan zal hij ons geleiden, onze bedekking wezen. "Dan zult gij uw weg zeker wandelen. Het natuurlijke leven met alles wat er toe behoort zal onder de bescherming wezen van Gods voorzienigheid, het geestelijk leven met al zijn belangen onder de bescherming van Zijn genade, zodat gij er voor bewaard wordt om in zonde te vallen of in moeilijkheid." De wijsheid zal ons op de veilige weg leiden en houden, zo ver mogelijk van verzoeking, en ons bekwaam maken om er met heilige gerustheid op te wandelen, de weg des plichts is de weg van de veiligheid. "Wij zijn in gevaar van te vallen, maar de wijsheid zal u bewaren, zodat gij uw voet niet zult stoten aan die dingen, welke voor velen een aanstoot en een ternederwerping zijn, maar waar gij overheen zult weten te komen."
B. In hun rust bij nacht, vers 24. In onze afzondering zijn wij aan gevaar blootgesteld, en het meest onderhevig aan schrik en angst.
Maar blijf gemeenschap oefenen met God, en bewaar een goede consciëntie, dan zult gij als gij nederligt niet schrikken, niet in angst zijn voor brand, of voor dieven, of spookgestalten, of voor enigerlei verschrikking van de duisternis wetende dat, als wij en onze vrienden slapen Hij die Israël en ieder waar Israëliet bewaart sluimert noch slaapt, en aan Zijn hoede hebt gij u overgegeven en toevertrouwd, onder de schaduw van Zijn vleugelen hebt gij de toevlucht genomen. Gij zult nederliggen en niet behoeven op te blijven om de wacht te houden, en u neergelegd hebbende zult gij slapen, uw ogen zullen niet wakende worden gehouden door zorg en vrees, en uw slaap zal zoet zijn en verkwikkend, niet gestoord wordende door enigerlei verschrikking van buiten of van binnen, Psalm 4:9, 116:7. Het middel om een goede nacht te hebben, is een goed geweten te hebben en evenals van de arbeider, is ook van de wijze en Godvruchtige de slaap zoet.
C. In hun grootste benauwdheden en gevaren. De oprechtheid zal ons bewaren, zodat wij niet behoeven te vrezen van haastige schrik, vers 25. Het ongedachte en onverwachte kwaad, dat ons overvalt, ons geen tijd geeft om ons door nadenken te wapenen, zal ons hoogstwaarschijnlijk in ontsteltenis en verwarring brengen. Maar laat de wijze en Godvruchtige mens zichzelf niet vergeten en dan zal hij niet toegeven aan vrees, die pijn heeft, al komt het alarm ook nog zo plotseling. Laat hem niet vrezen voor de verwoesting van de goddelozen als zij komt.
a. De verwoesting, die de goddelozen aanrichten in de Godsdienst en onder de Godsdienstigen, al komt zij, al schijnt zij aan de deur te zijn, moet gij er toch niet voor vrezen, want hoewel God de goddelozen kan gebruiken als werktuigen voor de kastijding van Zijn volk, zal Hij toch nooit toelaten dat zij de werkers worden van hun verwoesting. Of liever:
b. De verwoesting, die op een ogenblik over de goddelozen komen zal. Zij zal komen, en vreesachtige heiligen kunnen bang zijn dat zij er in betrokken zullen worden, maar laat dit hun troost wezen, dat, hoewel oordelen algemene verwoestingen aanbrengen, God toch weet wie de Zijnen zijn, en het kostelijke van het snode zal weten uit te reiken. Wees dus niet bevreesd voor hetgeen het schrikwekkendst uitziet, want, vers 26 "De Heere zal niet slechts uw beschermer wezen om u veilig te bewaren, maar Hij zal uw hoop, uw betrouwen wezen om u gerust te houden, zodat Hij uw voet zal bewaren van door uw vijand gevangen te worden, of door uw eigen vrees te worden verstrikt." God heeft zich verbonden om de voeten van Zijn heiligen te bewaren.