Spreuken 2:10-22
Het doel van deze verzen is aan te tonen:
1. Welk groot voordeel ware wijsheid voor ons wezen zal, zij zal ons afhouden van de paden van de zonde, die ten verderve voeren en daarin zal zij ons grotere vriendelijkheid bewijzen, dan wanneer zij ons met al de schatten van de wereld verrijkt zou hebben.
2. Welk goed gebruik wij behoren te maken van de wijsheid, die God ons geeft, wij moeten haar gebruiken om ons te leiden en te besturen in de paden van de deugd, en om ons te wapenen tegen iedere soort van verzoeking.
3. Naar welke regelen wij bij onszelf kunnen onderzoeken, of wij al of niet deze wijsheid hebben, deze boom zal gekend worden aan zijn vruchten, indien wij waarlijk wijs zijn, dan zal dit blijken uit onze zorg om alle kwaad gezelschap en alle boze praktijken te mijden.
Deze wijsheid zal ons van nut zijn:
I. Om ons te bewaren voor kwaad, voor het kwaad van de zonde, en bijgevolg voor het kwaad van de benauwdheid, waarvan zij vergezeld gaat. In het algemeen, vers 10, 11. "Als de wijsheid u geheel en al in bezit heeft, dan zal zij u bewaren." En wanneer heeft zij ons geheel in bezit?
1. Als zij heerschappij over ons heeft, als zij niet slechts het hoofd vult met denkbeelden maar inkomt in het hart, en er gebiedende macht en invloed over heeft, als zij daar op de troon is, en aan neigingen en hartstochten de wet stelt, als zij inkomt in het hart zoals de zuurdesem in het deeg, om er haar geur en smaak te verspreiden, en het naar haar eigen beeld te veranderen, dan is het waarschijnlijk dat zij ons goed zal doen.
2. Als wij er ons in verlustigen, als wetenschap voor onze ziel lieflijk is. "Als gij er smaak in begint te krijgen als het kostelijkste vermaak, onderworpen zijt aan haar regelen uit keuze en met voldoening, als gij de beoefening van de deugd niet een slavernij noemt en een taak, maar vrijheid en genoegen, en een leven van ernstige Godsvrucht het heerlijkste leven, dat een mens in deze wereld kan leven, dan zult gij er de weldaad van kennen." Al zou ook haar bedwang in sommige opzichten onaangenaam kunnen zijn voor het lichaam, toch moet die aangenaam zijn voor de ziel. Als het hiertoe met ons gekomen is, dan zal de bedachtzaamheid over ons de wacht houden. God bewaart de weg van Zijn gunstgenoten, vers 8, door hun bedachtzaamheid te geven, waardoor zij uit de weg des kwaads blijven, zodat de boze hen niet kan aanraken. Een beginsel van genade heersende in het hart, zal een krachtig voorbehoedmiddel wezen tegen bederf van binnen en tegen verzoekingen van buiten. Meer in het bijzonder zal de wijsheid ons bewaren:
A. Voor mannen van verdorven beginselen, atheïstische, onheilige mannen, die er zich op toeleggen om het oordeel van jonge lieden te bederven en hun vooroordelen in te blazen tegen de Godsdienst, en met doorschijnende reden om hun de ondeugd aan te prijzen. "Zij zal u redden van de kwade weg, van de man die verkeerdheden spreekt, vers 12 en een heerlijke redding zal dit wezen, als uit de eigen kaken van de dood, van de weg, waarin hij wandelt, en waarin hij u overreedt om ook te wandelen " Van de vijand wordt gesproken als van één, vers 12, van de kwade man, maar later als van velen, vers 13, er is een club, een bende van hen, die samenverbonden zijn tegen de Godsdienst, en hand in hand gaan ter ondersteuning en bevordering van het rijk des duivels.
a. Zij hebben een geest van tegenspraak tegen hetgeen goed is, zij spreken verkeerdheden, zij zeggen al wat zij maar kunnen tegen de Godsdienst, beide om hun eigen vijandschap er tegen te tonen en om anderen te overreden om hem te verlaten. Zij zijn advocaten van Satan, zij pleiten voor Baal, en verkeren de rechte wegen des Heeren. Met hoeveel arglistigheid zullen onheilige vernuften redeneren voor de zonde, en met welk een bitterheid en deftigheid zullen zij vitten op het Woord van God! De wijsheid zal er ons voor bewaren om omgang te hebben met zulke mensen, of tenminste om door hen verstrikt te worden.
b. Zij zijn zelf afvalligen van hetgeen goed is, en de zodanigen zijn gewoonlijk de boosaardigste en gevaarlijkste vijanden van de Godsdienst, getuige Julianus, vers 13. Zij verlaten de paden van de oprechtheid, waarin zij opgevoed waren, en waarop zij begonnen waren te wandelen, schudden de invloeden af van hun opvoeding, en verbreken de draden van hun veelbelovend begin, om te gaan in de wegen van de duisternis, in die boze wegen, die het licht haten, waarin de mensen blindelings geleid worden door onwetendheid en dwaling, en die hen naar volslagen duisternis heenvoeren. De wegen van de zonde zijn wegen van de duisternis onaangenaam en onveilig, hoe dwaas zijn zij, die de effen, lieflijke, heldere paden van de oprechtheid verlaten, om op die wegen te geen! Psalm 82:5, 1Joh. 2:11.
c. Zij scheppen behagen in zonde, beide in haar zelf te bedrijven, en in te zien dat anderen haar bedrijven, vers 14. Zij zijn blijde met een gelegenheid om kwaad te doen, en in de volvoering en het welslagen van een boos plan. Het is spel voor een dwaas om kwaad te doen, en niets is hun aangenamer dan om de verkeerdheden van de kwaden te zien, hen op de wegen van de zonde getrokken te zien, en dan te zien hoe zij in die wegen verhard en bevestigd worden. Zij hebben er een welgevallen aan om te bemerken dat het rijk des duivels veld wint, zie Romeinen 1:32 tot zo'n hoogte van goddeloosheid zijn zij gekomen.
d. Zij zijn vastberaden in de zonde, vers 15. Hun wegen zijn krom, hebben vele wendingen ten einde aan de vervolging hunner overtuiging te ontkomen en er de kracht van te breken, hun bedrieglijk hart voorziet hen van een loze verontschuldiging en een slimme uitvlucht, ten einde hun handen te sterken in hun goddeloosheid, zij zijn vastbesloten om er in voort te gaan, wat men er ook tegen zegge of doe. Ieder wijs man zal het gezelschap schuwen van de zodanigen.
B. Voor vrouwen van verdorven praktijken. De eersten leiden tot geestelijke goddeloosheden, de begeerlijkheden van de ongeheiligde geest, deze tot vleselijke lusten, die het lichaam die levenden tempel, verontreinigen, maar daarbij krijg voeren tegen de ziel. De overspeelster wordt hier de vreemde vrouw genoemd omdat geen man, die nog enigerlei wijsheid of goedheid in zich heeft, bekend met haar wil wezen, zij moet door ieder Israëliet geschuwd worden alsof zij een heidin ware, en een vreemde voor deze heilige burgerschap. Een vreemde vrouw inderdaad! Volkomen vervreemd van alle beginselen van verstand, deugd en eer.
Het is een grote genade om verlost te zijn van de verlokkingen van de overspeelster, in aanmerking genomen: a. Hoe vals zij is. Wie wil iets te doen hebben met hen, die een en al verraad zijn? Zij is een vreemde vrouw, want
Ten eerste. Zij is trouweloos jegens hem, die zij verleidt, zij spreekt schone woorden, zegt hem hoezeer zij hem bewondert boven iedere andere man, en welk een liefde zij voor hem koestert, maar zij vleit met haar redenen, zij heeft geen ware liefde voor hem, geen begeerte naar zijn welzijn, niet meer dan Delila Simsons welzijn begeerde, al wat zij beoogt is hem te bestelen en haar eigen lage lust te bevredigen.
Ten tweede. Zij is trouweloos jegens haar echtgenoot en schendt haar heilige verplichtingen jegens hem, hij was de leidsman harer jonkheid, door hem te huwen heeft zij hem als zodanig verkoren, en zich aan zijn leiding onderworpen, met de belofte hem alleen te volgen en alle anderen te verlaten, maar zij heeft hem verlaten, en daarom kan men niet denken dat zij aan iemand anders trouw zal zijn, en al wie haar aanneemt en onderhoudt, is medeplichtig aan haar trouweloosheid.
Ten derde. Zij is trouweloos jegens God zelf, zij vergeet het verbond haars Gods, het huwelijksverbond, vers 17, waarvan God niet alleen getuige, maar ook partij is, want, daar Hij de verordening heeft ingesteld, doen beide partijen aan Hem de gelofte om elkaar trouw te wezen. Zij zondigt niet alleen tegen haar echtgenoot, maar ook tegen haar God, die daarom hoereerders en overspelers zal oordelen, omdat zij de eed verachten en het verbond verbreken, Ezechiël 17:18, Maleachi 2:14.
b. Hoe noodlottig het zal blijken te zijn voor hen, die in verbintenis met haar vervallen, vers 18, 19. Laat het lijden van anderen ons ter waarschuwing strekken, wacht u voor de zonde van hoererij, want,
Ten eerste. Het verderf van hen, die er schuldig aan zijn, is gewis en onvermijdelijk, indien zij er zich niet van bekeren. Het is een zonde, die de directe strekking heeft om de ziel te doden, alle goede neigingen en gezindheden ervan uit te blussen, en haar bloot te stellen aan de toorn Gods en het zwaard van Zijn gerechtigheid. Zij, die leven in verboden genietingen, zijn dood terwijl zij leven. Laat de bedachtzaamheid iedere man behoeden, niet alleen voor de boze vrouw, maar voor het boze huis, want haar huis helt naar de dood, het is op de weg, die lijnrecht heenvoert naar de eeuwigen dood, en haar paden naar de Refaïm, naar de reuzen, zo lezen sommigen het, de zondaren van de oude wereld, die, levende in weelde en uitgieting van overdadigheid, afgesneden, uitgeroeid werden uit de tijd, en hun fondamenten werden nedergerukt door de vloed. Onze Heere Jezus houdt ons terug van zondige genoegens door de overweging van eeuwigdurende pijnigingen, door welke zij gevolgd worden, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust, zie Mattheus 5:28, 29.
Ten tweede. Hun bekering en wederoprichting zijn zeer onzeker, zeer hachelijk. Allen, of bijna allen, die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen. Het is zeer zeldzaam dat iemand, die in deze strik van de duivel gevangen is, weer tot zichzelf komt, zozeer is het hart verhard en de geest verblind door de bedriegelijkheid van deze zonde. Het pad des levens eens losgelaten zijnde, weten zij niet hoe er weer op te komen, maar zijn dan volkomen verdwaasd en betoverd door deze zonde, deze lage lusten. I. Vele geleerde uitleggers zijn van mening dat deze waarschuwing tegen de vreemde vrouw behalve in de letterlijke zin, ook in overdrachtelijke zin verstaan moet worden als een waarschuwing:
1. Tegen afgoderij, die geestelijke hoererij is. De wijsheid zal u bewaren voor alle gemeenzaamheid met de aanbidders van beelden en alle neiging om u bij hen te voegen, hetgeen gedurende zovele eeuwen zulke verderflijke gevolgen heeft gehad voor Israël, en ook voor Salomo zelf zo noodlottig is gebleken.
2. Tegen het laten vervoeren van de verstandelijke gaven en vermogens van de ziel door de lusten en begeerlijkheden van het lichaam. De wijsheid zal u er voor bewaren om geboeid en als betoverd te worden door wereldsgezindheid en onder de heerschappij te komen van het vlees, die bekende overspeelster, die haar leidsman verlaat, het verbond haars Gods verbreekt, naar de dood helt, en die, als zij een ongestoorde heerschappij heeft verkregen, de toestand van de ziel wanhopig maakt.
II. Deze wijsheid zal ons van nut wezen, om ons te leiden en besturen in hetgeen goed is, vers 20. Opdat gij wandelt op de weg van de goeden. Wij moeten daarom de weg mijden van de man die verkeerdheden spreekt, en van de vreemde vrouw, opdat wij zullen wandelen op goede wegen, wij moeten daarom aflaten van het kwade, opdat wij zullen leren het goede te doen. Er is een weg, die in bijzondere zin de weg is van de goeden, de weg, waarop de goeden, als zodanig en in zover zij dit wezenlijk zijn geweest, altijd gewandeld hebben. Het zal onze wijsheid zijn om op die weg te wandelen, naar de goede, oude weg te vragen en er in te wandelen, Jeremia 6:16, Hebreeën 6:12, 12:1. En wij moeten niet slechts voor een wijle in die weg wandelen, maar hem houden, erop blijven, en er nooit van afwijken, de paden van de rechtvaardigen zijn de paden des levens, allen die wijs zijn, hebben ze gekozen en houden zich er aan. "Opdat gij die uitnemende personen, de patriarchen en profeten, zult navolgen aldus de paraphrase van bisschop Patrick hiervan en bewaard wordt in de paden van die rechtvaardigen, welke hen nagevolgd hebben."
Wij moeten niet alleen in het algemeen onze weg kiezen naar het goede voorbeeld van de heiligen, maar ook hun leiding volgen in de keuze van onze bijzondere paden, het spoor opmerken, en de voetstappen van de kudde volgen.
Er worden hier twee redenen gegeven, waarom wij deze keuze moeten doen.
A. Omdat der mensen oprechtheid hun bevestiging zal zijn, vers 21. Het zal de bevestiging zijn:
a. Van hun persoon, de vromen zullen de aarde bewonen en de oprechten zullen daarin overblijven, vreedzaam en rustig zolang zij leven, en hun oprechtheid zal er toe bijdragen, daar het hun gemoed tot rust brengt, hun raadslagen bestuurt, de welwillendheid hunner naburen voor hen wint, en hun recht geeft op de bijzondere gunst van God.
b. Van hun gezin. De oprechten zullen, in hun nakomelingen, overblijven in het land. Zij zullen wonen en voor eeuwig blijven in het hemelse Kanaän, waarvan het aardse slechts een type was.
B. Omdat der mensen goddeloosheid hun verderf zal zijn, vers 22. Zie wat er komt van de goddelozen die de weg kiezen van de kwade man, zij zullen uitgeroeid worden, afgesneden worden, niet alleen van de hemel hiernamaals en van alle hoop daarop, maar van de aarde thans, waarop zij hun hart, hun genegenheid gesteld hadden, en waarin zij hun schat hebben opgelegd. Zij denken er wortel in te schieten, maar zij en hun geslacht zullen er van uitgerukt worden, in gerechtigheid aan hen, maar in barmhartigheid jegens de aarde. Er komt een dag, wanneer hun wortel noch tak gelaten zal worden, Maleachi 4:1. Laat dan die wijsheid komen in ons hart en lieflijk zijn aan onze ziel, welke ons afhouden zal van een weg die aldus zal eindigen.