13. De luiaard, die tot verontschuldiging zijner traagheid de onzinnigste voorwendsels aangrijpt, zegt: Er is een felle, brullende leeuw op den weg, dien ik gaan moet, om bij mijn werk te kunnen komen; een leeuw is op de straten! (Bijna woordelijk overeenstemmend met
Spreuken 22:13; vergelijk
Spreuken 16:19;
28:1).
Wanneer zal ik arbeiden? zegt de luiaard; in de lente is er veel water, in den herfst veel morsigheid; in den zomer is het warm en in den winter koud.
De schildering, die in dit en de volgende verzen van de luiheid gegeven wordt, staat in een nauw verband met die, welke in de voorgaande verzen van de dwaasheid gegeven wordt. Want de traagheid van het vlees, die elken arbeid en elke inspanning tot het verkrijgen der eeuwige wijsheid schuwt, die bang is, het lieve vlees pijn te doen, en ten slotte wellicht terugdeinst voor de gevaren, die een ieder, die moedig den weg ter zaligheid bewandelt, bedreigen van de zijde dier zeer grote menigte, die de wijsheid uit God haat, en hen als een brullende leeuw tegemoet gaat; deze trage vleselijke rust is toch de innerlijkste grond der goddeloze dwaasheid en zal uitlopen op een eeuwig dorsten en verdachten. Dit is de zegepraal der wijsheid van Salomo volgens de opvatting der mannen van Hizkia, dat zij reeds in de eenvoudigste zedeles: "Wees niet lui!" de diepzinnigste laatste vermaning des Geestes tot onzen luien, slapenden ouden Adam richt. -Daarbuiten, op den weg, welks bewandeling geëist wordt, namelijk op de wegen, waar de mensen te zamen komen, wonen en werken, is inderdaad de geweldig grote hoop, de dreigende wereld, het oppermachtige volk; achter hem de brullende leeuw, die de wijsheid niet verdragen wil en de godzaligen tracht te verslinden. Ach, hoe vrezen de dwazen bij al het pralen met hunnen moed in den grond voor dezen brullenden leeuw, en zijn daarom zo traag om ene schrede op den rechten weg, die de wereld tegen zich heeft, te doen.
Om zonder vreze alle gevaren op den weg des levens te trotseren, wordt er een moedig hart vereist; en de vrees is het juist, die den luiaard ter neer slaat en afschrikt. Een moedig mens grijpt de dingen met des te groteren ijver aan, naar mate hij meer tegenstand vindt, dewijl de liefde hem den moed geeft; want de ware liefde vreest voor gene schijnbare gevaren; de vreesachtige en trage liefde vreest echter reeds voor de schaduw van enkele steile plaatsen, even als iemand, die des nachts in den maneschijn wandelt en alle bomen op den weg voor monsters en de schaduw voor grote groeven aanziet. Een liefhebbend mens gaat zonder vreze zijnen weg, hij vindt noch afgronden, noch donkere plaatsen, die hem willen ophouden.