Spreuken 23:4-5
Gelijk sommigen zich toegeven in gulzigheid, vers 2, zo geven anderen zich toe in begeerlijkheid, en het zijn dezen, die hier door Salomo bestraft worden. De mensen bedriegen zich evenzeer door hun hart te zetten op geld als door het te zetten op lekkernijen.
Merk op:
I. Hoe hij de geldgierige afraadt om zich te vermoeien en te kwellen, vers 4, Streef er niet naar om rijk te worden, een bezitting te verkrijgen, hetgeen gij hebt overvloediger te maken dan het is. Wij mogen streven naar welgesteldheid, teneinde in staat te zijn goed te voorzien voor ons gezin en voor onze kinderen, naar onze rang en staat in de maatschappij, maar wij moeten naar geen grote dingen streven. Behoor niet tot hen, die rijk willen worden, die rijkdom begeren als hun voornaamste goed en hun voornaamste doeleinde, 1 Timotheus 6:9. Geldgierige mensen denken dat zij verstandig zijn, daarbij zich verbeelden dat zij, zo en zo rijk zijnde, volkomen gelukkig zullen zijn, sta af van uw vernuft" van deze uw wijsheid, want het is een vergissing het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen, Lukas 12:15. Zij, die grote dingen zoeken:
1. Vullen hun handen met meer werk dan zij kunnen omvatten, zodat hun leven in slavenwerk wordt doorgebracht, en zij voortdurend gejaagd zijn, wees gij niet zo'n dwaas, vermoei u niet om rijk te worden. Wees van hetgeen gij hebt en doet meester, maar wees er niet de slaaf van, zoals zij, die vroeg opstaan, laat opblijven, en het brood van de zorgvuldigheid eten, en dat alles om maar rijk te worden. Matige arbeid, opdat we hebben mee te delen degene die nood heeft, is onze wijsheid en onze plicht, Efeziers 4:28. Overmatige arbeid, opdat wij kunnen opleggen, is onze zonde en dwaasheid.
2. Zij vullen hun hoofd met plannen, meer dan zij kunnen begrijpen of bevatten, zodat hun leven een gedurige slingering is van zorg en vrees, maar gij, kwel u niet, sta af van uw vernuft, van uw eigen wijsheid, ga rustig voort op de weg van uw werk en verzin geen nieuwe wegen, zet uw vernuft niet aan het werk om wat nieuws te bedenken. Berust in Gods wijsheid, en sta af van uw eigene, Hoofdst. 3:5, 6.
II. Hoe hij de geldgierige bedrog afraadt, afraadt om zichzelf te bedriegen door een buitensporige liefde voor en najagen van hetgeen toch slechts ijdelheid is en kwelling des geestes. Want,
1. Het is niet degelijk en bevredigend. "Zult gij zo'n dwaas zijn, dat gij uw ogen laat vliegen met gretigheid en heftigheid op hetgeen niets is?" De dingen van deze wereld zijn hetgeen niet is. Zij hebben een wezenlijk bestaan in de natuur en zijn de wezenlijke gaven van Gods voorzienigheid, maar in het rijk van de genade zijn het dingen die niets zijn, zij zijn geen geluk en deel voor een ziel, zijn niet wat zij beloven te zijn, noch wat wij verwachten dat zij zullen wezen, zij zijn een schijn, een schaduw een bedrog voor de ziel, die er op vertrouwt, zij zijn niets, want in een weinig tijds zullen zij niet zijn, zullen zij de onze niet zijn, zij vergaan in het gebruik, hun gedaante gaat voorbij. Daarom is het dwaasheid voor ons om er onze ogen op te laten vliegen, ze te bewonderen als de beste dingen, en ze ons toe te eigenen als onze goede dingen, er naar te streven als het doel waarop al onze gedachten en handelingen gericht zijn, er op te vliegen als een arend op zijn prooi. "Zult gij iets doen dat op zichzelf zo ongerijmd is? Hoe! gij, die een redelijk wezen zijt, zult gij verzot zijn op schaduwen? De ogen zijn hier genomen voor redelijke en verstandelijke vermogens, wilt gij die verspiller aan zo onwaardige voorwerpen? De handen en voeten op de wereld zetten, is goed en wel, maar niet de ogen, de ogen van de geest, deze werden gemaakt om betere dingen te aanschouwen. Zult gij, mijn zoon, die de Godsdienst belijdt, Gode zulk een belediging aandoen (Gode, op wie uw ogen altijd gericht behoorden te wezen), zo'n belediging ook aan uw eigen ziel?"
2. Het is niet duurzaam, niet blijvend. Rijkdommen zijn zeer onzekere dingen, zij maken zich vleugelen en vliegen weg. Hoe meer wij er onze ogen op laten vliegen, hoe meer waarschijnlijk zij van ons weg zullen vliegen.
a. Rijkdommen zullen ons verlaten, zij, die ze nog zo stevig vasthouden, kunnen ze toch niet altijd vasthouden, kunnen ze niet lang vasthouden, zij zullen of van ons weggenomen worden, of wij zullen van hen worden weggenomen. De goederen, de inkomsten zullen wegvloeien als een stroom Job 20:28, hier worden zij gezegd weg te vliegen als een vogel.
b. Zij kunnen ons misschien plotseling verlaten, nadat wij er ons zeer veel moeite voor gegeven hebben, en nu beginnen er trots op te zijn en er vermaak in te hebben. De geldgierige zit op zijn schatten te broeden, totdat zij gevederd zijn, zoals de kuikens onder de hen, en dan zijn zij weg. Of, als wanneer iemand zijn hart zet op een troep wilde vogels, die op zijn akker is neergestreken, ze de zijne noemt omdat zij op zijn akker zijn, terwijl zij, als hij het beproeft ze te naderen, terstond wegvliegen en op de akker van iemand anders nederstrijken.
c. De vleugels, waarmee zij wegvliegen, hebben zij zelf gemaakt, zij hebben de elementen van hun bederf in zichzelf, zij hebben hun eigen mot en roest. Hun natuur is verterend, zij zijn als een handvol stof, dat, als men het grijpt, tussen de vingers wegvloeit. Sneeuw zal nog een wijle duren en er mooi uitzien, als men haar op de grond, waarop zij viel, laat liggen, maar als men haar vergadert en in de boezem legt, dan smelt zij en is dadelijk weg.
d. Zij gaan onweerstaanbaar en onherroepelijk weg, zoals een arend, die naar de hemel vliegt, sterk vliegt, zodat hij niet tot stilstand kan worden gebracht, wegvliegt buiten het gezicht, zodat men hem niet terug kan brengen. Zo zullen rijkdommen de mensen verlaten, en hen in droefheid en kwelling laten, nadat zij hun hart er op gezet hadden.