Mattheus 6:19-24
Wereldsgezindheid is even algemeen en noodlottig een teken van geveinsdheid als ieder ander, want door gene zonde kan Satan meer vat hebben op de ziel onder den dekmantel van ene zichtbare en gangbare belijdenis van den Godsdienst dan door deze, en daarom gaat Christus, na ons gewaarschuwd te hebben tegen de begeerte naar lof van mensen er nu toe over, om ons te waarschuwen tegen het begeren van den rijkdom der wereld. Ook hierop moeten wij wèl acht geven, opdat wij niet zijn als de geveinsden, en doen als zij doen: de gronddwaling, waaraan zij zich schuldig maken, is, dat zij deze wereld kiezen tot hun loon, daarom moeten wij ons wachten voor geveinsdheid, in de keus, die wij doen van onzen schat, ons doel en onze meesters.
I. In de keus van den schat, dien wij vergaderen. Iedere mens heeft iets, het een of ander, waarvan hij zijn schat maakt, zijn deel, waarop hij zijn hart heeft gezet, waarbij hij alles voegt wat hij machtig kan worden, en waarop hij vertrouwt voor de toekomst. Het is dat best, dat voornaamste goed, waarvan Salomo met zoveel nadruk spreekt, Prediker 2:3. Iets wil de ziel hebben, waarop zij ziet als het beste, waarin zij meer dan in alle andere dingen behagen schept en op vertrouwt. Nu bedoelt Christus niet ons van onzen schat te beroven, maar ons te leiden in de keus er van, en hier hebben wij:
1. Ene goede waarschuwing tegen het maken van de dingen die gezien worden en die tijdelijk zijn, tot onze beste dingen, waarin ons geluk gelegen is. Vergadert u gene schatten op de aarde. Christus' discipelen hebben alles verlaten om Hem te volgen, laten zij bij die goede gezindheid blijven. Een schat is een overvloed van iets, dat op zich zelf, tenminste naar onze mening, kostelijk en van waarde is, en ons later te pas zal komen, van dienst zal zijn. Nu moeten wij ons gene schatten vergaderen op aarde, dat is:
a. Wij moeten niet deze dingen de beste dingen achten, noch van de meeste waardij in zich zelven, of die ons van het meeste nut zijn, wij moeten ze niet, gelijk Labans zonen, heerlijkheid noemen, maar zien en erkennen, dat zij gene heerlijkheid hebben in vergelijking met de uitnemende heerlijkheid.
b. Wij moeten geen overvloed van deze dingen begeren, niet al meer en meer er van bijeenschrapen, gelijk de mensen doen met hetgeen hun schat is, nooit wetende wanneer wij genoeg hebben.
c. Wij moeten er niet op vertrouwen voor de toekomst, niet denken, dat dit ons verzekert voor de komende jaren, wij moeten niet zeggen tot het goud: Gij zijt mijn vertrouwen.
d. Wij moeten er ons niet mede tevreden stellen alsof het alles is wat wij nodig hebben of begeren, wij moeten tevreden zijn met een weinig voor onze reize, maar niet met alles voor ons deel. Deze dingen moeten niet gemaakt worden tot onzen troost, Lukas 6:24, of tot ons goed, Lukas 16:25. Laat ons bedenken, dat wij vergaderen, niet voor onze nakomelingen in deze wereld, maar voor ons zelven in de andere wereld. Wij zijn voor de keus gesteld, en in zekeren zin hebben wij zelf ons geluk in handen, datgene is het onze, dat wij ons vergaderen. Het is uwe zaak, uw belang, ene verstandige keuze te doen, want gij kiest voor uw zelf, en wat gij kiest zult gij hebben. Als wij ons zelf kennen, en bedenken wat wij zijn, waar wij voor zijn geschapen, hoe groot onze vermogens zijn, en hoe lang onze voortduring, en dat onze ziel ons wezen, ons bestaan is, dan zullen wij zien dat het ene dwaasheid is, om ons schatten te vergaderen op aarde.
2. Hier wordt ene goede reden opgegeven, waarom wij op niets van de aarde moeten zien als op onzen schat, omdat het onderhevig is aan verlies en vermolming:
a. vanwege innerlijk bederf. Wat een schat is op aarde, verderven mot en roest. Indien de schat bestaat in fraaie klederen, de mot verteert ze, en ongemerkt zijn ze gans bedorven, terwijl wij dachten, dat zij veilig bewaard waren. Indien de schat bestaat in koren, of andere eetwaren, zoals van den man, die zijne schuren er vol van had, Lukas 12:16, 17, roest, (zo lezen wij het) verderft het: Broosiseten, eten door mensen, want waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten, Prediker 5:10, eten door muizen of ongedierte, zelfs in het manna wiesen wormen, of het beschimmelt, wordt muf, of wordt bedorven door honingdauw, vruchten verrotten snel. Of, zo wij het verstaan van goud en zilver, het wordt dof en bederft, het neemt af door gebruik, en door het te bewaren wordt het nog erger, Jakobus 5:2, 3, de mot en het roest komen in het metaal zelf en in de klederen. Wereldse schatten hebben in zich zelven een beginsel van bederf en vermolming, zij verdorren van zelf en maken zich vleugelen.
b. Vanwege geweld van buiten. Dieven doorgraven en stelen. Elke hand des gewelds zal gericht zijn op het huis, waar schatten vergaderd zijn, en niets kan zo veilig weggeborgen zijn, of wij kunnen er toch van beroofd worden. "Nooit heb ik vertrouwd op de fortuin, zelfs niet, als zij mij gunstig scheen, waarin de gunsten ook bestonden, die hare goedheid mij gaf, hetzij rijkdom, eer, of roem, ik heb er zo over beschikt, dat het in hare macht was ze mij te ontnemen, zonder mij daarom den minsten schrik aan te jagen." Seneca. Consol ad Helveticum. Het is dwaas om datgene tot onzen schat te maken, waarvan wij zo licht beroofd kunnen worden.
3. Goeden raad, om de genietingen en de heerlijkheid van de andere wereld, die dingen, welke niet gezien worden en eeuwig zijn, tot onze beste dingen te maken, en daarin ons geluk te vinden. Vergadert u schatten in den hemel. Er zijn schatten in den hemel, even zeker als er schatten zijn op deze aarde, en die in den hemel, zijn de enig ware schatten, de rijkdom en de heerlijkheid en de genietingen, die aan Gods rechterhand zijn, tot welke de geheiligden in waarheid komen, als zij tot volkomen heiligmaking zijn gekomen. Wij doen wijs, als wij onzen schat wegleggen in die schatkamers: ons benaarstigende ons recht op het eeuwige leven vast te maken door Jezus Christus, en daarop te steunen voor ons geluk, en op alle dingen hier beneden neer te zien met een heilige minachting, als niet waardig om er mede vergeleken te worden. Wij moeten vast geloven, dat er zulk een geluk is, en besloten zijn ons daarmee te vergenoegen, maar met niets minder tevreden te zijn. Indien wij dus deze schatten tot de onze maken, dan zijn zij vergaderd, weggelegd, en wij kunnen vertrouwen, dat God ze veilig voor ons zal bewaren, zo laat ons dan daarnaar al ons streven richten, al onze begeerten uitstrekken. Laten wij ons niet beladen met het losse geld dezer wereld, dat ons slechts zal bezwaren en verontreinigen, en ons kan doen verzinken, maar laten wij ons goed in soliede zaken beleggen. De beloften zijn wisselbrieven, waarmee alle ware gelovigen hun schat in den hemel zenden, betaalbaar in den toekomenden staat, en aldus moeten wij datgene vast maken, dat vastgemaakt zal worden. Het is ene grote bemoediging voor ons om onzen schat op te leggen in den hemel, omdat hij dáár veilig is, hij zal niet van zelf vermolmen, geen mot of roest zal hem verderven en evenmin kunnen wij er door geweld of list van beroofd worden, dieven doorgaven en stelen er niet. Het is ene gelukzaligheid boven en buiten het bereik van de veranderingen en wisselvalligheden van den tijd, ene onverderfelijke erfenis.
4. Ene goede reden waarom wij die keus moeten doen, en een blijk, dat wij haar gedaan hebben, vers 21. Waar uw schat is, op aarde of in den hemel, daar zal uw hart zijn. Het is dus zaak voor ons, om recht en verstandig te zijn in de keus van onzen schat, omdat de gezindheid van ons hart, en bijgevolg de richting van ons leven, dienovereenkomstig of vleselijk, of geestelijk, of aards, of hemels zal zijn. Het hart volgt den schat zoals de naald den zeilsteen, of de zonnebloem de zon. Waar de schat is, daar is de schatting en waardering, daar is de liefde en de genegenheid, Colossenzen 3:2, daarheen gaan de begeerten en het streven, derwaarts is het bedoelen gericht, en alles geschiedt met het oog hierop. Waar de schat is, daar zijn onze zorg en onze vrees, dat wij er niet toe reiken, daarover zijn wij het meest in zorge, daar is onze hoop en ons vertrouwen, Prediker 18:10, 11, daar zal onze vrolijkheid en onze verlusting zijn, Psalm 119:111, en daar zullen onze gedachten zijn, daar zal de innerlijke gedachte zijn, de eerste gedachte, de vrije gedachte, de bekende gedachte. Het hart komt God toe, Prediker 23:26, en opdat Hij het zal hebben, moet onze schat vergaderd, weggelegd zijn bij Hem, en dan zal onze ziel opgeheven worden tot Hem. Deze aanwijzing omtrent het opleggen van onzen schat, kan zeer gevoeglijk toegepast worden op de voorgaande waarschuwing om wat wij doen in Godsdienstige zaken niet te doen om van de mensen gezien te worden. Onze schatten zijn onze aalmoezen, onze gebeden en ons vasten, en het loon er van, als wij deze dingen gedaan hebben om de toejuiching der mensen te verwerven, dan hebben wij schatten vergaderd op de aarde, hebben ze in de handen van mensen overgegeven, en moeten nu niet verwachten ze ooit weer te zien. Dit nu is dwaasheid, want de lof van mensen, waarnaar wij zo verlangen, is onderhevig aan bederf, hij zal spoedig geroest zijn, van de mot verteerd, bezoedeld, een weinig dwaasheid zal, evenals ene dode vlieg, het alles bederven, Prediker 10:1. Achterklap en laster zijn dieven, die doorgraven en hem stelen, en zo verliezen wij dan al den schat van onze verrichtingen, wij hebben te vergeefs gelopen, te vergeefs gearbeid, omdat onze bedoelingen er mede verkeerd waren. Huichelachtige diensten leggen niets weg in den hemel, Jesaja 58:3 :de winst er van is weg, als de ziel wordt opgeroepen, Job 27:8. Maar als wij gebeden hebben en aalmoes hebben gedaan in waarheid en oprechtheid, met het oog op God en om Hem welbehaaglijk te zijn, dan hebben wij die schatten vergaderd in den hemel, dáár is een gedenkboek geschreven, Maleachi 3:16, en dáár vermeld zijnde, zullen zij dáár beloond worden, en aan de andere zijde van den dood en het graf zullen wij ze met liefelijke vertroosting weer ontmoeten. Geveinsden zullen in de aarde geschreven worden, Jeremia 17:13, maar van Gods getrouwen zijn de namen opgeschreven in den hemel, Lukas 10:20. Goedkeuring van God is een schat in den hemel, die noch verdorven, noch gestolen kan worden. Zijn "wel, gij goede en getrouwe dienstknecht" zal blijven tot in eeuwigheid, en als wij aldus onzen schat bij Hem hebben opgelegd, dan zal bij Hem ook ons hart zijn, en waar kan het beter wezen?
II. Wij moeten ons wachten voor geveinsdheid en wereldsgezindheid in de keus van het doel, dat wij beogen. Onze zorge, ons belang te dien opzichte wordt voorgesteld door twee soorten van ogen, die de mensen hebben, een eenvoudig oog, en een boos oog, vers 22, 23. De uitdrukkingen zijn hier ietwat duister, omdat zij zo beknopt zijn, wij zullen ze daarom in enige verscheidenheid van uitlegging nemen. Het licht des lichaams is het oog, dat is duidelijk, het oog ontdekt en bestuurt, het licht der wereld zou ons weinig baten zonder dit licht van het lichaam, het is het licht van het oog, dat het hart verblijdt, Prediker 15:30, maar wat is het, dat hier vergeleken wordt bij het oog in het lichaam? 1. Het oog, dat is (volgens sommigen) het hart, indien dat eenvoudig is -haplous vrij en overvloedig (aldus is het woord dikwijls overgezet, zoals Romeinen 12:8, 2 Corinthiërs 8:2 :9:11, 13, Jakobus 1:5, en wij lezen van een goed, of goeddadig, of milddadig oog, Prediker 22:9). Indien het hart geneigd is tot milddadigheid, tot goedheid en liefdadigheid, dan zal dit den mens dringen tot Christelijke daden, geheel de wandel, het bestaan, zal vol wezen van licht, vol van de blijken en voorbeelden van waar Christendom, dien zuiveren en onbevlekten Godsdienst voor God en den vader, Jakobus 1:27, vol van licht, van goede werken, die ons licht zijn, schijnende voor de mensen, maar indien het hart boos is, gierig en hard, en afgunstig, inhalig, wangunstig (zulk ene gemoedsgesteldheid wordt dikwijls uitgedrukt door een boos oog, Hoofdstuk 20:15, Markus 7:22, Prediker 23:6, 7). dan zal geheel het lichaam duister zijn, de gehele wandel, geheel het bestaan zal Heidens en onchristelijk zijn. Het gereedschap van den gierigaard is kwaad, en zal dit altijd blijven: maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, Jesaja 32:5, 8. Indien het licht, dat in ons is, de gezindheid, die ons moet leiden tot hetgeen goed is, duisternis is, indien zij verdorven en wereldsgezind is, indien er in een mens niet eens goedhartigheid is, gene vriendelijke gezindheid, hoe groot is dan het bederf van een mens, en de duisternis, waarin hij zich bevindt! Deze zin schijnt wel in overeenstemming te zijn met het context, wij moeten schatten vergaderen, of opleggen, in den hemel door vrijgevigheid in het aalmoes doen, en dat niet met tegenzin, maar blijmoedig, Lukas 12:33, 2 Corinthiërs 9:7. Maar in de gelijkluidende plaats, Lukas 11:34, komen die woorden niet voor bij zulk ene gelegenheid, en daarom wordt door den samenhang niet bepaald, dat dit de zin en betekenis er van is.
2. Het oog, dat is' (volgens sommigen) het verstand, het praktisch oordeel, het geweten, dat voor de andere vermogens der ziel is wat het oog is voor het lichaam, om hun bewegingen te leiden en te besturen, indien nu dit oog eenvoudig is, indien het tot een waar en juist oordeel komt, en de dingen onderkent, die verschillen, inzonderheid in de zaak van het vergaderen van schatten, zodat het hierin de rechte keuze doet, dan zal het ook de genegenheden en daden recht besturen, en die zullen dan vol wezen van het licht der genade en der vertroosting, maar indien dit boos is en verdorven, en indien het, in plaats van de mindere vermogens te leiden, zelf er door geleid wordt, en omgekocht en bevooroordeeld, indien dit dwaalt en verkeerd ingelicht is, dan moet het hart en het leven vol zijn van duisternis, en de gehele wandel, het gehele bestaan verdorven. Zij, die niet willen verstaan wandelen in duisternis, Psalm 82:5. Het is treurig, als de ziel des mensen, die de lamp des Heeren behoorde te zijn, een ignis fatuus, een dwaallicht, is, als de leiders des volks, de leiders der vermogens, ze doen dwalen, want, dan worden, die van hen geleid worden, ingeslokt, Jesaja 9:15. Ene dwaling in het praktisch oordeel is noodlottig, het is datgene, hetwelk het kwade goed heet, en het goede kwaad, Jesaja 5:20, daarom is het ons nodig de dingen recht te verstaan, en onze ogen gezalfd te krijgen met ogenzalf.
3. Het oog, dat is: de voornemens en bedoelingen. Door het oog stellen wij ons ons doel voor, het wit, waarop wij aanleggen, de plaats, waar wij heengaan, dat houden wij in het oog, en daarnaar richten wij onze bewegingen. In alles wat wij in den Godsdienst doen, is er het een of het ander, dat wij op het oog hebben, indien nu ons oog eenvoudig is, als ons bedoelen eerlijk is, als wij het rechte op het oog hebben, en ons in rechte richting daarheen bewegen, indien wij zuiver en alleen de ere Gods bedoelen, Zijne eer en Zijne gunst zoeken, en alles geheel naar Hem richten, dan is het oog eenvoudig. Zo was het oog van Paulus, toen hij zei: Het leven is mij Christus, en indien wij hierin recht zijn, dan zal het gehele lichaam verlicht wezen, Alle daden en handelingen zullen geregeld en Godvruchtig zijn, Gode welbehaaglijk en liefelijk voor ons zelven. Maar indien dit oog boos is, indien wij, in plaats van alleen de ere Gods te bedoelen en ons welbehaaglijk zijn aan Hem, zijwaarts zien naar de toejuiching der mensen, en terwijl wij voorgeven God te willen eren, het zo aanleggen, dat wij ons zelven eren, en, onder schijn van de dingen van Christus te zoeken, ons zelven zoeken, dan bederft dit alles, het gehele bestaan zal verkeerd en onvast zijn, en de grondslagen aldus in wanorde zijnde, kan er ook niets dan verwarring en alle boos werk in den bovenbouw zijn. Trek de lijnen van den omtrek naar enig ander punt dan het middelpunt, en zij zullen elkaar snijden. Indien het licht, dat in u is, niet slechts duister is, maar duisternis, dan is dit ene gronddwaling, verwoestend voor al wat volgt. Het doel zet de handeling uiteen. Het is van het hoogste gewicht in den Godsdienst, dat wij recht zijn in onze bedoelingen, en dat wij ons de eeuwige dingen, niet de tijdelijke, ten doel stellen, 2 Corinthiërs 4:18. De geveinsde is als een veerman, die ziet naar den enen kant, en roeit naar den anderen kant, de ware Christen is als de reiziger, die den eindpaal zijner reize op het oog heeft. De geveinsde zweeft in de lucht als de wouw, met het oog nederwaarts gericht op zijne prooi, gereed om er op af te komen, zodra hij er ene goede gelegenheid voor heeft, de ware Christen vliegt als de leeuwerik al hoger en hoger, vergetende de dingen, die beneden zijn.
III. Wij moeten ons wachten voor geveinsdheid en wereldsgezindheid in het kiezen van den meester, dien wij dienen, vers 24. Niemand kan twee heren dienen. Twee heren te dienen is in tegenspraak met het eenvoudig oog, want het oog zal op de hand der heren zijn, Psalm 123:1, 2. Onze Heere Jezus toont hier het bedrog aan, dat diegenen plegen tegenover hun eigene ziel, die denken te kunnen delen tussen God en de wereld, een schat op de aarde hebben, en ook een schat in den hemel, God te behagen en der mensen evenzeer te behagen. Waarom ook niet? zegt de geveinsde, het is goed meer dan een pees op den boog te hebben. Zij hopen hun Godsdienst dienstbaar te maken aan hun werelds belang, en aldus van beide kanten voordeel te behalen. De vrouw, die niet de moeder was, wilde het kind verdelen, de Samaritanen willen ene schikking maken tussen God en de afgoden. Neen, zegt Christus, dat kan niet. Het is niets dan bijgeloof te denken, dat de Godzaligheid een gewin zij, 1 Timotheus 6:5. Hier is:
1. Een algemene stelregel, waarschijnlijk was het een spreekwoord onder de Joden.
Niemand kan twee heren dienen, en nog veel minder twee goden, want op den een of anderen keer zullen hun bevelen in botsing met elkaar komen, en hun belangen met elkaar in strijd zijn. Zo lang twee heren samen gaan, kan de dienaar beiden volgen, maar als zij van elkaar scheiden, dan zult gij zien tot wie hij behoort. Hij kan beiden niet liefhebben, waarnemen en aanhangen zoals het behoort. Indien hij voor den een is, dan is hij niet voor den ander, dit of dat moet, vergelijkenderwijs, gehaat en geminacht worden. Deze waarheid is in het gewone leven duidelijk genoeg.
2. De toepassing hiervan op de zaak waarover gehandeld wordt. Gij kunt niet God dienen en den mammon. Mammon is een Syrisch woord hetwelk gewin betekent, zodat al wat in deze wereld is, of door ons geacht wordt als gewin, Filippenzen 3:7, mammon is. Al wat in de wereld is, de begeerlijkheid des vlezes, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is mammon. Voor sommigen is hun buik hun mammon, en zij dienen hem, Filippenzen 3:19, voor anderen zijn hun gemak, hun slaap, hun spel en hun tijdverdrijf hun mammon, Prediker 6:9, voor anderen werelds goed, Jakobus 4:13, voor anderen eerbewijzingen en bevordering. De lof en de toejuiching der mensen was de mammon der Farizeeën, in een woord, het eigen-ik, de eenheid, waarin de drieheid der wereld haar middelpunt heeft, het zinnelijke, wereldsgezinde eigen-ik is de mammon, die niet in vereniging met God gediend kan worden, want indien hij gediend wordt, dan is dit in mededinging en in tegenspraak met God. Hij zegt niet: Wij moeten niet, of wij behoren niet, maar wij kunnen niet God dienen en den Mammon, wij kunnen niet beiden liefhebben, 1 Johannes 2:15, Jakobus 4:4, of beiden aanhangen, of beiden gehoorzaamheid, dienst en vertrouwen bewijzen, want zij staan tegen elkaar over. God zegt: "Mijn zoon, geef Mij uw hart," Mammon zegt: "Neen, geef het mij." God zegt: "Zijt vergenoegd met het tegenwoordige." Mammon zegt: "Schraap alles bijeen wat gij kunt krijgen. Geld, geld, door eerlijke middelen of door oneerlijke." God zegt: "Bedrieg niet, lieg niet, wees eerlijk en billijk in al uwe handelingen." Mammon zegt: "Bedrieg uw eigen vader, als gij er iets bij winnen kunt." God zegt: "Wees liefdadig." Mammon zegt: "Zorg voor u zelf, dit geven richt u te gronde." God zegt: "Wees niet bezorgd." Mammon zegt: "Wees over alles bezorgd." God zegt: "Heilig den Sabbat." Mammon zegt: "Gebruik dien dag, evenals alle andere dagen, voor de wereld." Zo onbestaanbaar zijn de geboden van God en den mammon, zodat wij niet beiden kunnen dienen. Zo laat ons dan niet hinken tussen God en Baäl, maar kiest heden wie gij dienen zult, en blijft dan bij die keuze.